Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4997

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
39336 HA ZA 01-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2003, 19

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 39336 HA ZA 01-421

Uitspraak: 20 juni 2002

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak in hoger beroep tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF [appellant] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. W.C.J. Beekman,

en

[geïntimeerde], handelende onder de naam Keukenstudio [woonplaats],

wonende te [woonplaats 1],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

procureur: mr. J.J.F.A. Ligthart.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde].

1. Het verloop van de procedure

In eerste aanleg

Dit verloop blijkt uit:

­ het vonnis d.d. 11 januari 2001 van de kantonrechter te Terborg, gewezen onder rolnummer 115621 / CV 00-662.

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Dit verloop blijkt uit:

­ het exploot van dagvaarding d.d. 9 april 2001, waarbij [appellant] in hoger beroep is gekomen van vorenbedoeld vonnis van de kantonrechter

­ de memorie van grieven in het principaal appel

­ de memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel

­ de memorie van antwoord in het incidenteel appel met productie

­ de akte uitlating producties zijdens [geïntimeerde]

­ de op 18 april 2002 gehouden pleidooien, waarvan over en weer pleitnotities in het geding zijn gebracht.

2. De ontvankelijkheid

Het hoger beroep in het principaal appel is tijdig ingesteld en het incidenteel appel is op de bij de wet voorziene wijze ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep is daarvoor vatbaar.

Beide partijen kunnen derhalve in zoverre in hun beroep worden ontvangen.

3. De vaststaande feiten in hoger beroep

3.1 Tegen de door de kantonrechter als vaststaand gekwalificeerde feiten is geen grief gericht, zodat ook in hoger beroep van die feiten wordt uitgegaan, behoudens ten aanzien van de vaststelling dat water via de fontein is uitgestroomd (r.o. 2.5).

3.2 Bovendien kunnen de volgende feiten worden vastgesteld:

Het toilet in de door [geïntimeerde] van [appellant] gehuurde bedrijfsruimte is door de vorige huurder aangelegd, met toestemming van [appellant].

4. De vordering in principaal appel

4.1 [appellant] vordert dat de rechtbank het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

4.2 De grieven luiden als volgt:

Grief 1: Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat in het midden kan blijven welke oorzaak precies aan de overstroming ten grondslag ligt. Ook bij hevige regenval behoort het water immers niet via het toilet een gebouw in te stromen; het toilet dient zodanig te zijn aangelegd of zodanige voorzieningen te bevatten, dat zulks niet mogelijk is.

Grief 2: Ten onrechte gaat de kantonrechter "voorlopig veronderstellenderwijs" ervan uit dat het toilet foutief is aangelegd.

Grief 3: Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat [appellant] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt, omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Grief 4: Ten onrechte heeft de kantonrechter [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs van een aantal schadeposten.

5. Het verweer in het principaal appel

5.1 [geïntimeerde] concludeert dat de rechtbank [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het door hem in hoger beroep gevorderde aan hem zal ontzeggen met zijn veroordeling in de kosten van het geding.

5.2 Op het verweer van [geïntimeerde] zal bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

6. De vordering in het incidenteel appel

6.1 [geïntimeerde] vordert dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter te Terborg d.d. 11 januari 2001 waarvan beroep zal bevestigen onder verbetering en/of aanvulling van de gronden en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding.

6.2 De grieven luiden als volgt:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen:

"[appellant] heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 6.5 van de van de huurovereenkomst deel uitmakende algemene voorwaarden. [geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat dit beding onredelijk bezwarend moet worden geacht wegens het gedrag van [appellant] met betrekking tot het ontstaan van de gebreken. (…) Dat het beding onredelijk bezwarend is, is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd, zodat deze stelling moet worden verworpen."

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen:

"Voor zover [geïntimeerde] haar vordering baseert op door [appellant] gedane toezeggingen, faalt die grondslag. Dat er door [appellant] concrete toezeggingen zijn gedaan dat hij de schade zou vergoeden is door haar niet gesteld. Het enkele feit dat [appellant] zou hebben toegezegd de schade aan hem op te geven zodat hij deze kon claimen bij zijn verzekeringsmaatschappij is niet genoeg. Evenmin kan een door de verzekeringsmaatschappij gedane uitkering aan [appellant], zoals door [geïntimeerde] aangegeven, leiden tot de conclusie dat [appellant] op die grond aanstonds gehouden is tot schadevergoeding aan [geïntimeerde] over te gaan."

7. Het verweer in het incidenteel appel

7.1 [appellant] concludeert dat de vordering dient te worden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter dient te worden vernietigd.

7.2 Op het verweer van [appellant] zal bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

8. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

In het principaal appel

8.1 De eerste twee grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

8.2 Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een gebrek in de zin van art. 7A:1588 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellant] heeft betwist. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

8.3 [appellant] heeft aangevoerd dat het toilet voldeed en het enkele feit dat het toilet zou zijn overstroomd niet automatisch betekent dat sprake is van een gebrek. [geïntimeerde] dient dit te bewijzen. [appellant] was in elk geval van een gebrek niet op de hoogte, [geïntimeerde] had hem daarvan op de hoogte moeten stellen. Onder verwijzing naar een brief van haar assurantietussenpersoon en het daarbij gevoegde expertiserapport van [A] Expertise B.V. d.d. 4 april 2000, uitgebracht aan de assuradeur van [appellant], betwist [appellant] dat op 3 december 1999 een zodanige hoeveelheid water via het toilet het gehuurde is binnengestroomd dat daardoor schade aan het gehuurde is ontstaan. Voorts voert [appellant] aan dat gebleken is dat het rioolsysteem voorzien is van een terugslagklep, dat deze functioneert en dat de afvoeren goed zijn aangesloten en beroept zich daarbij op een onderzoek door installatiebedrijf Stienezen-Wanders d.d. 7 maart 2001 en diens brief van gelijke datum. De kantonrechter mocht de oorzaak van de overstroming niet in het midden laten. Schade als gevolg van een calamiteit als waarvan hier sprake was, noodweer, en zonder dat sprake is van een gebrek, is voor rekening van de huurder. Met de overweging waartegen grief 2 zich richt is het vonnis innerlijk tegenstrijdig. De aansprakelijkheid van [appellant] is niet op de wet gebaseerd, aldus [appellant].

[geïntimeerde] heeft de standpunten van [appellant] gemotiveerd weersproken.

8.4 Uitgangspunt van de beoordeling vormt het door de kantonrechter tussen partijen in de rechtsoverwegingen 2.5 en 4.3 vastgestelde feit, dat op 3 december 1999 het toilet is overstroomd na of tijdens hevige regenval en zich een overstroming heeft voorgedaan in de bedrijfsruimte (hierna mede: het evenement). Tegen deze vaststelling heeft [appellant] geen grieven aangevoerd, zodat hiervan ook in hoger beroep dient te worden uitgegaan.

8.5 Op grond van art. 7A:1588 BW dient de verhuurder in te staan voor gebreken van die zaak die het gebruik daarvan geheel of in belangrijke mate verhinderen. Indien een zodanig gebrek ontstaat tijdens de huurovereenkomst, levert dit enkele feit een tekortkoming in de nakoming van deze op de verhuurder rustende verplichting op. Een ingebrekestelling is daartoe niet vereist.

Dit strookt met het feit dat in elk geval in de periode tussen het ontstaan van de verhindering van het gebruik en het tijdstip dat de verhuurder redelijkerwijs in staat is aan de huurder wederom het volledige gebruik van de zaak te verschaffen, na-koming door de verhuurder van zijn in art. 7A:1588 BW bedoelde verplichting "tijdelijk onmogelijk" is in de zin van art. 6:265 lid 2 BW. In die periode komt de verhindering van het gebruik door het gebrek derhalve voor risico van de verhuurder.

8.6 De kantonrechter heeft, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, terecht overwogen dat nu water niet via het toilet een gebouw in behoort te stromen, het toilet zodanig dient te zijn aangelegd of zodanige voorzieningen dient te bevatten, dat zulks niet mogelijk is. Nu vaststaat dat zodanige uitstroom heeft plaatsgehad, dient ervan te worden uitgegaan dat sprake is van een gebrek aan het gehuurde. Dit strookt in zoverre ook met de hoofdregel zoals vervat in de, hier overigens niet rechtstreeks van toepassing zijnde, algemene regeling van art. 6:77 BW. Vaststelling van de daadwerkelijke oorzaak van het gebrek is niet noodzakelijk voor beantwoording van de vraag of sprake is van een gebrek, zodat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat in het midden kan blijven welke oorzaak precies aan de overstroming ten grondslag ligt.

8.7 [appellant] heeft ten verwere aangevoerd dat van een gebrek geen sprake is nu na onderzoek in maart 2001 is gebleken dat het rioolsysteem voorzien is van een terugslagklep, dat deze functioneert en dat de afvoeren goed zijn aangesloten, hetgeen door [geïntimeerde] is betwist. Dit verweer wordt verworpen. Daargelaten dat het gestelde onderzoek plaatsvond geruime tijd na het evenement (3 december 1999) en daarmee niet zonder meer aantoont dat ten tijde van het evenement deze voorzieningen aanwezig waren en functioneerden, is dit verweer niet te rijmen met de vaststelling dat water vanuit het toilet de gehuurde ruimte is ingestroomd. Bij gebreke van enige andere aanwijzing mag immers worden aangenomen dat in geval van de aanwezigheid van een juiste aansluiting en een goed functionerende terugslagklep zoals [appellant] heeft gesteld, van relevante waterlozing vanuit het toilet geen sprake kan zijn.

8.8 Toerekening aan de verhuurder dient in een geval als het onderhavige te worden aanvaard, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

8.9 Daarbij komt dat vaststaat dat het toilet met instemming van [appellant] is aangebracht door de vorige huurder. Weliswaar heeft [appellant] de stelling van [geïntimeerde] betwist dat hij geen toezicht heeft gehouden op de aanleg en wijze van uitvoering door de voormalige huurder, maar aan deze ongemotiveerde betwisting moet worden voorbijgegaan. Deze is immers niet te rijmen met de erkenning van [appellant] bij conclusie van antwoord in eerste aanleg (sub 11) dat hij niet weet of de huurder het toilet met of zonder terugslagklep heeft aangelegd, van welke mededeling in hoger beroep geen afstand is genomen. Voorts is gesteld noch gebleken dat de aanleg van het toilet is geschied door een erkend installateur. Na vertrek van de voormalige huurder is het toilet ongewijzigd door [appellant] gehandhaafd en eveneens zonder nadere controle door [appellant] als onderdeel van het pand in de verhuur aan [geïntimeerde] betrokken. Gelet op het vorenstaande komt een later aan de dag getreden gebrek aan het toilet voor rekening van de verhuurder, zowel naar verkeersopvattingen als nu hij daarvan op de hoogte behoorde te zijn.

8.10 Hierop stuit tevens af het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] op de hoogte zou zijn geweest van de wijze van aanleg van het toilet. Het enkele feit dat zij in het verleden in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij de vorige huurder brengt dit niet met zich mee, terwijl dit verweer voor het overige onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

8.11 Voor zover [appellant] heeft betoogd dat uit de onder 8.3 genoemde brief en het expertiserapport zou blijken dat [geïntimeerde] aan de expert heeft meegedeeld dat (schoon) water is binnengedrongen via een schrobput en dat de kleine hoeveelheid water die via de toiletpot was binnengedrongen geen schade heeft veroorzaakt, moet dit verweer worden gepasseerd nu, tegen de achtergrond van de uitdrukkelijke betwisting hiervan door [geïntimeerde], voor deze lezing in de genoemde stukken geen steun te vinden is. Niet gebleken is dat hetgeen is weergegeven, opmerkingen van [geïntimeerde] zouden betreffen. De enkele vermelding in het rapport dat de huurder zou hebben verklaard dat het binnengedrongen water relatief schoon was, welke mededeling [geïntimeerde] overigens heeft betwist, is daartoe onvoldoende.

8.12 [appellant] heeft betoogd dat uit het expertiserapport blijkt dat de overstroming niet is ontstaan via het toilet maar via de schrobput. Dit standpunt -daargelaten of [appellant] daarvoor niet de aansprakelijkheid zou dragen- moet worden verworpen. Niet alleen wordt in het rapport zelf erkend dat via een toiletpot een beperkte hoeveelheid rioolwater is binnengestroomd, maar dit onderdeel van het rapport is, zonder voldoende toelichting die ontbreekt, niet te rijmen met de -in zoverre door [appellant] onbestreden- verklaring van de commandant van de brandweer [B], zoals onder ede afgelegd ten overstaan van de kantonrechter. [B] heeft verklaard dat een afvoerputje was afgedekt met een plaatje en rondom afgekit en dat eerst nadat dit plaatje was verwijderd, het water via dat putje kon worden afgevoerd. Dat, zoals [appellant] nog ten pleidooie heeft aangevoerd, het putje niet zou zijn dichtgekit maar slechts geklemd zat, doet daaraan niet af.

8.13 Voor zover het verweer van [appellant] ziet op betwisting van de door de uitstroom van water uit het toilet ontstane schade moet daaraan thans voorbijgegaan worden, nu dit eerst na de bewijslevering in eerste aanleg beoordeeld kan worden.

8.14 Zoals hiervoor is overwogen is voor aansprakelijkheid en daarmee van schadeplichtigheid wegens toerekenbare tekortkoming een ingebrekestelling niet vereist. Het intreden van een gebrek met haar schadelijke gevolgen levert immers een op dat moment niet meer voor nakoming vatbare verplichting op.

Onder de omstandigheden als onder 8.9 weergegeven kan evenmin worden aangenomen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat eerst van schadeplichtigheid sprake kan zijn, na een daartoe strekkende mededeling van de huurder aan de verhuurder omtrent de aanwezigheid van het gebrek. Een dergelijke mededeling strekt er immers toe om de verhuurder in de gelegenheid te stellen de gebreken zo snel mogelijk te verhelpen, dan wel de nodige maatregelen te treffen ter voorkoming van verdere schade. Deze situaties doen zich hier niet voor. Herstel was niet aan de orde en het gaat hier om schade die reeds is ingetreden, zodat herstel in dit geval daaraan in zoverre niet meer kon afdoen. Overigens staat vast dat ook [appellant] onmiddellijk na het evenement in het gehuurde aanwezig is geweest.

8.15 Nu vaststaat dat sprake is van een overstroming van het toilet die een deel van het gehuurde onder water heeft gezet, is sprake van een gebrek dat het gebruik van het gehuurde in belangrijke mate heeft belemmerd als bedoeld in art. 7A:1588 BW.

8.16 Voor zover [appellant] bij zijn toelichting op grief 1 nog heeft betwist dat via de fontein water is binnengestroomd, zoals de kantonrechter onder 2.5 heeft overwogen, dient hieraan, daargelaten dat dit standpunt onvoldoende feitelijk is onderbouwd, bij gebreke van belang te worden voorbijgegaan. De kantonrechter heeft immers [appellant] niet aansprakelijk gehouden voor schade als gevolg van overstroming van de fontein maar slechts als gevolg van het toilet.

8.17 Ingevolge art. 6:75 BW kan een tekortkoming niet aan de schuldenaar worden toegerekend als die niet aan zijn schuld te wijten is en niet krachtens rechtshandeling, de wet of verkeersopvattingen voor diens rekening komt.

Zuivere overmachtsfeiten komen aan de hand van deze drie genoemde rechtsbronnen niet voor rekening van de verhuurder. Ook daaruit voortvloeiende gebreken en daardoor rechtstreeks veroorzaakte schade, kunnen dan niet voor rekening van de verhuurder worden gebracht.

8.18 Het beroep van [appellant] op overmacht, nu sprake was van een overstroming tengevolge van noodweer, moet bij gebreke van voldoende feitelijke onderbouwing worden gepasseerd. Van een partij die een beroep op overmacht doet, en zich daarmee wil ontlasten van een op hem rustende aansprakelijkheid, mag immers worden verwacht dat een dergelijke stelling voldoende feitelijk wordt onderbouwd.

8.19 Voor zover [appellant] ten pleidooie daaraan ten grondslag heeft gelegd dat het perceel laag gelegen is en aan het einde van het riool waardoor snel sprake zou zijn van hoog water, moet dit als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Het ter ondersteuning door [appellant] aangehaalde krantenartikel -daargelaten wat daar overigens van zij- heeft niet betrekking op de onderhavige locatie, hetgeen hij heeft erkend. Daarbij komt dat deze stelling niet te rijmen is met de inhoud van de door [appellant] zelf in het geding gebrachte brief (prod. 1 bij conclusie van dupliek in eerste aanleg) van L. Spek, de buurman van [geïntimeerde] en gevestigd in hetzelfde pand, die verklaart dat hijzelf geen wateroverlast heeft ondervonden van het noodweer.

Bij gebreke van voldoende feitelijke onderbouwing wordt aan bewijslevering ter zake niet toegekomen.

Voor zover [appellant] heeft beoogd aan zijn beroep op overmacht ten grondslag te leggen dat het toilet door de vorige huurder is aangelegd gaat dit beroep niet op, nu zoals hiervoor is overwogen, [appellant] heeft nagelaten toezicht op de uitvoering daarvan te houden, dan wel eisen te stellen aan de deugdelijkheid daarvan en de deugdelijkheid te controleren.

8.20 Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 en 2 moeten worden verworpen.

8.21 Als grief 3 heeft [appellant] gesteld dat ten onrechte is overwogen dat [appellant] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt, omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het hem vrijstond aansprakelijkheid voor schade als gevolg van een gebrek uit te sluiten en [geïntimeerde] geen beroep op art. 6:237 sub f toekomt nu zij geen consument is en dat zij verder niets heeft aangevoerd dat een beroep op art. 6:233 BW zou rechtvaardigen.

[geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd weersproken.

8.22 Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder onder 8.12, verenigt de rechtbank zich met het oordeel van de kantonrechter. Het verweer van [appellant] faalt nu, zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd, de beoordeling van de vraag of een beroep op de algemene voorwaarden in concreto toelaatbaar is, niet plaats vindt aan de hand van de afdeling 3, titel 5 van Boek 6 BW maar aan de hand van de artikelen 6:2 en 248 BW.

Grief 3 dient te worden verworpen.

8.23 In het vorenstaande ligt besloten dat grief 4 evenmin doel treft.

8.24 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moeten de grieven worden verworpen en dient het vonnis te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.

In het incidenteel appel

8.25 [geïntimeerde] heeft gesteld dat de in art. 6.5 van de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte opgenomen exoneratie voor onder meer onzichtbare gebreken, onredelijk bezwarend is en derhalve vernietigbaar. Primair acht zij de bepaling, gelet op de uitsluiting van iedere aansprakelijkheid behoudens grove schuld en opzet, onredelijk bezwarend. Zij beroept zich erop dat [appellant] aan de vorige huurder toestemming heeft gegeven de toilet aan te leggen, zonder voorwaarden te stellen dan wel dit achteraf op deugdelijkheid te controleren. Subsidiair beroept zij zich op de reflexwerking van art. 6:237 sub f BW, waarin bepaald is dat een dergelijke exoneratie vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn, nu zij als startend ondernemer sterk vergelijkbaar is met een consument en verzoekt de rechtbank het beding te vernietigen. [appellant] heeft dit gemotiveerd betwist.

8.26 Daargelaten dat [geïntimeerde] weliswaar in haar toelichting op de grief de rechtbank heeft verzocht om het beding te vernietigen, maar vernietiging niet als zodanig heeft gevorderd, faalt dit beroep. De uitsluiting van aansprakelijkheid voor gebreken aan het gehuurde is op zichzelf niet onredelijk bezwarend voor zover het bedrijfsruimte aangaat. De door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden maken dit niet anders.

Dit geldt ook voor de subsidiaire grondslag. Daargelaten of [geïntimeerde] hier een met de consument sterk vergelijkbare positie inneemt, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellant] heeft betwist, is in onderhavig geval niet sprake van een zodanige reflexwerking van de door [geïntimeerde] aangehaalde bepaling dat deze tot vernietiging wegens onredelijke bezwarendheid kan leiden. De door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden van het geval geven evenwel (in conventie) aanleiding om een beroep op dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Grief 1 faalt derhalve.

8.27 Voor wat betreft grief 2 verenigt de rechtbank zich met het oordeel van de kantonrechter en maakt diens overwegingen tot de hare. Het in hoger beroep gedane beroep op een toezegging van [appellant] de schade te vergoeden gaat niet op. Uit het feit dat, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellant] heeft betwist, [appellant] en zijn boekhouder haar zouden hebben verzocht afschriften van de facturen ter zake (een deel van) de schade te overhandigen die door [appellant] bij zijn verzekeraar zou worden ingediend kan de gestelde toezegging niet worden afgeleid, zodat het bewijsaanbod als niet ter zake doende moet worden gepasseerd. Of en zo ja, dat [appellant] de schade van [geïntimeerde] bij zijn verzekeraar kon claimen, hetgeen [appellant] overigens heeft betwist, geeft [geïntimeerde] nog geen aanspraak op schadevergoeding of uitkering van de verzekeringspenningen. Het subsidiair gedane beroep op ongegronde verrijking dient als onvoldoende onderbouwd eveneens te worden afgewezen. Grief 2 faalt daarmee.

8.28 In het vorenstaande ligt besloten dat, nu de grieven falen, het vonnis moet worden bekrachtigd met veroordeling van [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

In het principaal appel

bekrachtigt het tussen partijen onder rolnummer 115621 / CV 00-662 gewezen vonnis van de kantonrechter te Terborg van 11 januari 2001;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op € 181,51 aan verschotten en op € 1.170,-- aan salaris voor de procureur;

In het incidenteel appel

bekrachtigt het tussen partijen onder rolnummer 115621 / CV 00-662 gewezen vonnis van de kantonrechter te Terborg van 11 januari 2001;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op € 585,-- aan salaris voor de procureur;

In het principaal appel en in het incidenteel appel

verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A.M. van der Kallen, M.F.J.N. van Osch en R. Prakke-Nieuwenhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2002.

os/ka rp