Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4587

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
25-06-2002
Zaaknummer
01/889
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 01/889

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], verweerder.

Derde-partij: v.o.f. Scholtens Boekhandel (hierna: Scholtens Boekhandel) te [woonplaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 juni 2001, kenmerk 2000-15566.

2. Feiten

Bij besluit van 30 mei 2000 heeft verweerder aan Scholtens Boekhandel, onder het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, sub c, van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Centrum [woonplaats] 1982", vergunning verleend voor het uitbreiden van een winkelgebouw en het bouwen van een magazijn op het perceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] en [woonplaats 2], sectie U, nr. 6450, plaatselijk bekend [adres] 77 te [woonplaats].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 juni 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brief van 7 september 2000 heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 2 oktober 2000, reg.nr. 00/905, heeft de fungerend president dit verzoek afgewezen in verband met het ontbreken van een spoedeisend belang.

Bij besluit van 1 juni 2001 heeft verweerder in afwijking van het advies van de commissie Bezwaar- en Beroepschriften van 12 oktober 2000 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 29 juni 2001 beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 mei 2002, waar eiser is verschenen bij mr. J.M.T. Coffeng. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. [A] en ing. [C]. Namens Scholtens Boekhandel is ter zitting verschenen [B], bijgestaan door mr. L.J. Steenbergen, advocaat te [woonplaats].

4. Motivering

Ter beoordeling staat of verweerder bij de beslissing op bezwaar terecht de,

onder het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, sub c, van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Centrum [woonplaats] 1982", verleende vergunning voor het uitbreiden van een winkelgebouw en het bouwen van een magazijn op het perceel [adres] 77 te [woonplaats] in stand heeft gelaten.

Blijkens de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Centrum [woonplaats] 1982" rusten op het betreffende perceel de bestemmingen "Centrumvoorzieningen" en "Magazijn". De bestemming "Centrumvoorzieningen" is blijkens de plankaart opgedeeld in winkels voor de begane grond en woningen voor de eerste verdieping.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de planvoorschriften mag de op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als "Centrumvoorzieningen" bestemde grond uitsluitend gebruikt worden voor centrumvoorzieningen, te weten: winkel-, horeca-, kantoor-, bijzondere- danwel woondoeleinden, zoals nader bepaald in dit artikel, met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

In artikel 2.3, vierde lid, van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, bepaald dat de onderscheiden verdiepingslagen van de gebouwen (de begane grondlaag daaronder begrepen) uitsluitend mogen worden gebruikt voor de op de plankaart in de desbetreffende aanduiding weergegeven doeleinden.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de planvoorschriften mag de op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als "Magazijn" bestemde grond uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van stallings-/opslagdoeleinden, met uitzondering van detailhandelsdoeleinden, alsmede ten behoeve van kantoorruimte, dagverblijf of werkplaats, één en ander ten dienste van een winkel of bedrijf waarbij het magazijn behoort, met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

Ter zitting is van de zijde van de Scholtens Boekhandel verklaard dat ook de ruimtes op de eerste verdieping voor vergaderingen gebruikt worden. Tijdens de behandeling ter zitting van het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening ten aanzien het primaire besluit op 26 september 2000 in de procedure bekend onder het reg.nr. 00/905 is door mw. H.M. Hagedoorn verklaard dat de op de bouwtekening vermelde berging en twee werkkamers op de eerste verdieping gebruikt zullen gaan worden voor kantoorwerkzaamheden, vergaderingen, magazijn en archief ten behoeve van de boekhandel. Verder blijkt uit de bouwaanvraag niet dat de bouwvergunning is aangevraagd voor een uitbreiding van de op de eerste verdieping aanwezige woning. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, evenals de fungerend president in zijn uitspraak van 2 oktober 2000, van oordeel dat de betreffende ruimtes op de eerste verdieping niet (uitsluitend) tot de woning gerekend kunnen worden zodat thans niet anders kan worden geoordeeld dan dat dit deel van het bouwplan voor zover dit is gelegen binnen de bestemming "Centrumvoorzieningen" in strijd is met de vigerende bestemming "Centrumvoorzieningen" op grond waarvan de eerste verdieping slechts gebruikt mag worden voor woningen.

De door verweerder ter zitting aangevoerde omstandigheid dat de eerste verdieping bouwtechnisch gezien alleen een woning kan zijn omdat dit deel van het bouwplan is getoetst aan hoofdstuk II (Technische voorschriften omtrent het bouwen van woningen en woongebouwen) van het Bouwbesluit kan er niet toe leiden dat dit deel van het bouwplan niet in strijd is met de bestemming "Centrumvoorzieningen". Eerder moet worden geoordeeld dat het bouwplan voor wat betreft dit deel in strijd is met het Bouwbesluit omdat niet getoetst is aan hoofdstuk VI (Algemene technische voorschriften omtrent het bouwen van niet tot bewoning bestemde gebouwen) van het Bouwbesluit.

Verweerder heeft derhalve in strijd met de ter plaatse vigerende bestemming "Centrumvoorzieningen" de bouwvergunning bij de beslissing op bezwaar in stand gelaten.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beslissing op bezwaar ten onrechte de vrijstelling ex artikel 1.3, eerste lid, sub c, van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan "Centrum [woonplaats] 1982" in stand heeft gelaten. Verweerder heeft deze vrijstelling verleend ten gevolge van het overschrijden van de bouwstrookdiepte van 31,50 meter met 3,10, ten behoeve van het uitbreiden van het winkelgebouw, en het overschrijden van de maximale goothoogte van het magazijn van 3,00 meter met 0,30 meter.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van de planvoorschriften mogen de gebouwen binnen de bestemming "Centrumvoorzieningen" uitsluitend worden gebouwd binnen de op de plankaart weergegeven bouwstrook.

Ingevolge artikel 2.10, derde lid, van de planvoorschriften mag de goothoogte en de nokhoogte van de gebouwen binnen de bestemming "Magazijn" niet meer bedragen dan het aantal meters dat op de plankaart is weergegeven.

Blijkens de plankaart is de goothoogte 3 meter en de nokhoogte 5 meter binnen de bestemming "Magazijn".

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, sub c, van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van dit plan voor afwijkingen ten aanzien van de voorgeschreven goot- en nokhoogte van gebouwen, hoogte van andere bouwwerken, onderlinge afstand van gebouwen, oppervlakte der bebouwing, bebouwingspercentage en de overige afmetingen der bebouwing, eventueel met overschrijding van de bebouwingsgrens/bouwstrook, mits deze afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan gegeven maten.

In artikel 1.1, aanhef en onder h, van de planvoorschriften is bepaald dat onder bebouwingsgrens moet worden verstaan de op de plankaart aangegeven begrenzing van een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan bebouwing met gebouwen is toegestaan en welke begrenzing niet door die bebouwing mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze voorschriften zijn of kunnen worden toegestaan.

In artikel 1.1, aanhef en onder i, is bepaald dat onder bouwstrook moet worden verstaan een grondstrook waarvan de begrenzing wordt gevormd door een bebouwingsgrens als bedoeld onder h.

In artikel 1.1, aanhef en onder j, is bepaald dat onder bestemmingsgrens moet worden verstaan de op de plankaart aangegeven grens van een bestemming.

Uit de plankaart en de daarbij behorende legenda van het bestemmingsplan kan de rechtbank niet anders opmaken dan dat de bebouwingsgrens/bouwstrook voor het in geding zijnde perceel tevens de bestemmingsgrens is, nu aan deze grens/strook direct de bestemming "Magazijn" grenst en het hier niet gaat om een (sub)bestemming binnen de bestemming "Centrumvoorzieningen". Artikel 1.3, eerste lid, sub c, strekt er niet toe vrijstelling te verlenen voor overschrijding van de bestemmingsgrens. Dit heeft tot gevolg dat de maximale goothoogte van 7 meter voor de bestemming "Centrumvoorzieningen" niet met de vrijstellingsbepaling van kracht kan zijn op het perceel met de bestemming "Magazijn". Verweerder kon derhalve niet met toepassing van de vrijstellingsbepaling vrijstelling verlenen tot een bouwhoogte van 6.20 meter binnen de bestemming "Magazijn". Het bouwplan is derhalve ook op dit punt in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. De bij de beslissing op bezwaar in stand gelaten bouwvergunning komt derhalve ook op deze grond voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep van eiser is derhalve gegrond. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de bij besluit van 30 mei 2000 verleende bouwvergunning te herroepen.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroor-delen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 30 mei 2000

- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € 102,10 aan eiser vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,--, te betalen door verweerders gemeente.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: