Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4585

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-06-2002
Datum publicatie
25-06-2002
Zaaknummer
02/925 GEMWT 51
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2002-06-24
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2002-06-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/925 GEMWT 51

UITSPRAAK

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 mei 2002.

2. Feiten en procesverloop

Bij brief van 1 november 2001 is namens eiser aan verweerder verzocht om bestuursdwang toe te passen tegen die bouwwerken die zonder vergunning gebouwd zijn op het terrein van de dienst Levende Have aan de [adres] 35 te [woonplaats]. Bij brief van 23 november 2001 is namens eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van 1 november 2001. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Namens eiser heeft mr. L. Bolier, juridisch adviseur te Elspeet, bij brief van 19 juni 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. Motivering

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij gebreke van deze termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij brief van 3 september 2001 is namens eiser een aantal vragen betreffende de in rubriek 2 genoemde bouwwerken aan verweerder gesteld, waaronder de vraag op welke wijze verweerder deze kwestie denkt af te handelen indien er sprake is van een bouwvergunningplicht terwijl geen vergunning is of kan worden verleend. Daarbij is verzocht de brief binnen zes weken na genoemde datum te beantwoorden.

Bij de in rubriek 2 genoemde brief van 1 november 2001 is namens eiser aan verweerder het volgende meegedeeld:

"Ik mocht nog geen antwoord ontvangen op mijn in afschrift bijgevoegde brief d.d. 3 september 2001. Thans daarom het volgende.

Cliënt, de fam. [A], verzoekt ten aanzien van de Dienst Levende Have bestuursdwang toe te passen terzake van al hetgeen is gebouwd zonder bouwvergunning.

(…)

Ik verzoek u mij binnen drie weken na heden uw beslissing terzake mee te delen. Ontvang ik een dergelijke beslissing niet dan dien ik er van uit te gaan dat het verzoek zoals hiervoor is geformuleerd niet zal worden gehonoreerd en zal ik uit hoofde van een (fictieve) weigering een bezwaarschrift indienen."

Gelet op het uitblijven van een reactie van verweerder op de brief van 3 september 2001 binnen de in die brief gestelde termijn van zes weken, acht de rechtbank de vervolgens in de brief van 1 november 2001 gestelde termijn van drie weken voor het nemen van een beslissing alleszins redelijk. De enkele omstandigheid dat verweerder in de ontvangstbevestiging van laatstgenoemde brief bij brief van 7 november 2001 aan eisers gemachtigde heeft meegedeeld dat de afdoeningstermijn van de aanvraag om een beschikking twee maanden is, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het bezwaarschrift van eiser is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is derhalve kennelijk gegrond.

De rechtbank constateert dat verweerder ook thans - ruim zeven maanden na dato - nog niet heeft beslist op het namens eiser gedane handhavingsverzoek van 1 november 2001.

Gelet hierop zijn er termen om verweerder thans onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde en zevende lid, van de Awb op straffe van verbeurte van een dwangsom op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het namens eiser gedane verzoek van 1 november 2001.

Er bestaat voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt toegekend, waarbij een wegingsfactor 0,5 wordt gehanteerd. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Met toepassing van artikel 8:54 van de Awb wordt als volgt beslist.

4. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 29 mei 2002;

- gelast dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het in rubriek 2 genoemde verzoek van 1 november 2001 aan eiser bekendmaakt;

- bepaalt dat de gemeente [woonplaats] een dwangsom van € 250,-- per dag verbeurt, voor iedere dag dat verweerder na het verstrijken van de gestelde termijn van twee weken in gebreke blijft te voldoen aan deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente [woonplaats] het betaalde griffierecht ad € 109,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 161,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente [woonplaats].

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending verzet worden gedaan bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, Postbus 205, 7200 AE Zutphen.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: