Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4145

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
46741/ KG ZA 02-145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

SECTOR CIVIEL

VOORZIENINGENRECHTER

Kort-geding-nummer : 46741/ KG ZA 02-145

vonnis van : 10 juni 2002

Vonnis in kort geding in de zaak van:

de GEMEENTE VOORST,

zetelende te Twello,

eiseres bij dagvaarding van 15 mei 2002,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. S. van den Berg te Deventer,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. H. Tadema te Deventer.

Partijen worden hierna mede de gemeente Voorst en [gedaagde] genoemd.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De gemeente Voorst heeft onder overlegging van producties [gedaagde] gedagvaard tegen de openbare zitting van 27 mei 2002.

[gedaagde] heeft onder overlegging van producties geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van de gemeente Voorst in de proceskosten.

Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota's mondeling toegelicht waarna zij vonnis hebben gevraagd. De uitspraak is bepaald op heden.

2. VASTSTAANDE FEITEN

In dit geding wordt onder meer van het volgende uitgegaan:

2.1 [gedaagde] is een uit [A] afkomstige asielzoeker. In het kader van de Regeling Opvang Asielzoekers (ROA) heeft de gemeente Voorst vanaf augustus 1993 aan [gedaagde] opvang geboden. Deze opvang hield onder meer in het verstrekken van een gedeelte van de woning aan de [adres] 19D te [woonplaats]. Hiertoe is een bruikleenovereenkomst opgesteld en ondertekend. Deze bruikleenovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Art. 4

1. De bruikleenovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan en eindigt op het tijdstip zoals nader omschreven in de volgende leden.

2. De bruikleenovereenkomst eindigt op de dag als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, b, of c van de ROA.

2.2 Het voornoemde artikel van de ROA is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (per 1 april 2001) en met dit tijdstip is artikel 15 ROA komen te gelden, dat, wederom voor zover van belang, luidt als volgt:

"De opvang van een asielzoeker eindigt in elk geval:

(…)

b. op de dag waarop de betrokken asielzoeker het bewonen van de hem door de gemeente

beschikbaar gestelde woonruimte beëindigt;

c. indien het een vreemdeling betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag: vier weken na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden."

2.3 Bij circulaire van 3 juli 1997 is een stappenplan "beëindiging ROA" vastgesteld door Justitie. Uitgangspunt is dat het beëindigen van de ROA-voorzieningen alleen plaats dient te vinden wanneer sprake is een documentloze, rechtmatig verwijderbare asielzoeker, waarvoor geldt dat er geen beleidsmatige beletselen aanwezig zijn voor terugkeer en die weigert medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde reis- en identiteitsdocumenten.

2.4 Op 28 april 1998 heeft [gedaagde] voor de tweede maal een aanvraag om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan.

2.5 De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft bij beschikking van 12 maart 1999 deze aanvragen niet ingewilligd. [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 9 december 1999 is dit bezwaar door de IND ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 6 januari 2000 heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.6 De rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, heeft op 16 mei 2001 negatief beslist.

2.7 Op 7 juni 2001 is met [gedaagde] gesproken over zijn noodzakelijk geworden terugkeer naar [A].

2.8 De Regiopolitie Noord-Oost Gelderland heeft [gedaagde] op 4 juli 2001 aangezegd dat hij Nederland binnen zeven dagen moet hebben verlaten.

2.9 Bij rapport van 6 juli 2001 van de Vreemdelingendienst district IJsselstreek, waartoe de gemeente Voorst behoort, is vastgesteld dat [gedaagde] weigert medewerking te verlenen aan de verkrijging van reis- en identiteitspapieren.

2.10 Bij brief van 11 juli 2001 heeft de gemeente Voorst aan [gedaagde] meegedeeld voornemens te zijn een besluit te nemen tot beëindiging van de ROA-voorzieningen. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

2.11 Op 27 juli 2001 heeft de gemeente Voorst besloten de ROA-verstrekkingen te beëindigen en is [gedaagde] aangezegd dat hij zijn woning voor 15 augustus 2001 diende te verlaten.

2.12 Tegen dat besluit heeft [gedaagde] bezwaar ingediend. Op 15 november 2001 heeft de gemeente Voorst het bezwaar ongegrond verklaard. [gedaagde] heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend en diende derhalve de woning uiterlijk op 26 november 2001 te hebben verlaten.

2.13 [gedaagde] verblijft nog steeds in de woning aan de [adres] 19D te [woonplaats].

3. DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1 De gemeente Voorst vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen om binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een termijn als de voorzieningenrechter redelijk zal oordelen, de woning aan de [adres] 19D te [woonplaats] met al het zijne zal ontruimen en verlaten, onder afgifte van de sleutels aan de gemeente Voorst en met machtiging op de gemeente Voorst om, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan deze vordering te voldoen, dit vonnis zelf ten uitvoer te doen leggen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop zo nodig in het hierna volgende zal worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1 Vaststaat dat [gedaagde], gelet op de afloop van de door hem gevoerde procedures en de last tot uitzetting, een uitgeprocedeerde asielzoeker is, die rechtmatig verwijderbaar is geworden.

4.2 [gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat ten onrechte in de dagvaarding staat vermeld dat hij onder de Zorgwet VVTV valt, zodat het fundament van de vordering onjuist is. Dit verweer zal worden verworpen. Er is sprake van een kennelijke misslag in de dagvaarding die, zonder dat [gedaagde] in zijn verdediging wordt geschaad, kan worden hersteld. Uit de onderliggende stukken blijkt immers genoegzaam dat de Regeling Opvang Asielzoekers van toepassing is op [gedaagde], omdat alle besluiten zijn genomen op die basis en de gemeente Voorst haar vordering eveneens baseert op deze onderliggende stukken.

4.3 Vervolgens stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat hij niet zonder recht of titel in de woning aan de [adres] 19D te [woonplaats] verblijft. De gemeente Voorst heeft volgens hem niet aangetoond dat het gebruiksrecht automatisch is geëindigd. Bovendien is deze overeenkomst op naam van Stichting de Opbouw gesloten.

Ook dit verweer zal worden gepasseerd. Op grond van het bepaalde in de bruikleenovereenkomst en het bepaalde in artikel 15, derde lid aanhef en onder c ROA eindigt de bruikleenovereenkomst op de dag dat de betrokken bewoner verplicht is om Nederland te verlaten. [gedaagde] heeft deze bruikleenovereenkomst zelf getekend (en niet Stichting de Opbouw) en heeft zich dan ook akkoord verklaard met deze bepaling. Nu vaststaat dat [gedaagde] uitgeprocedeerd is, moet vooralsnog worden geoordeeld dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft.

4.4 [gedaagde] doet vervolgens een beroep op het buitenschuldcriterium op grond waarvan volgens hem aan hem onverminderd opvang dient te worden geboden. Het buitenschuldcriterium is gebaseerd op het Terugkeerbeleid, verwoord bij brief van de staatssecretaris van justitie aan de Tweede Kamer d.d. 25 juni 1999 (26 646, nr. 1) en nader uitgewerkt in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2000/29 (TBV). In genoemde stukken staat vermeld dat indien een staatloze vreemdeling, van wie de asielaanvraag niet is ingewilligd, kan aantonen dat hij buiten schuld niet uit Nederland kan vertrekken, hij onder voorwaarden in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf onder beperking en in dat geval tevens in aanmerking komt voor opvang. Uitgangspunt bij dit beleid is dat vreemdelingen die een nationaliteit bezitten, kunnen terugkeren naar hun land van herkomst.

Het buitenschuldcriterium is niet van toepassing op [gedaagde], omdat hij stelt van Eritrese afkomst te zijn waardoor hij niet als staatloos kan worden aangemerkt. Er is voorts geen aanleiding het begrip staatloos zodanig extensief te interpreteren dat daaronder alle uitgeprocedeerde asielzoekers zouden vallen die stellen niet aan reisbescheiden te kunnen komen, mede omdat het TBV juist exclusief is bedoeld voor staatlozen. Bovendien, ook al zou het zo zijn dat niet alleen staatlozen onder dit buitenschuldcriterium vallen, dan nog gaat dit verweer niet op. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] stappen heeft ondernomen om aan identiteitsbewijzen te komen of dat hij heeft getracht een laissez-passer te bemachtigen. Tevens heeft hij kennelijk afgezien het IOM in te schakelen om de terugkeer te faciliteren. Ook om deze redenen treft het beroep op het buitenschuldcriterium geen doel.

Hetgeen [gedaagde] stelt ten aanzien van de gevolgen van zijn terugkeer naar [A] heeft hij tevens aangevoerd dan wel kunnen aanvoeren in de bestuursrechtelijke asielprocedure. Aangezien zijn aanvraag om toelating als vluchteling definitief is afgewezen, wordt voldoende aannemelijk dat de rechter in die procedure er niet van overtuigd was dat de door [gedaagde] gestelde gevolgen zich bij diens terugkeer in [A] zouden verwezenlijken. Van de juistheid van die beslissing moet in dit kort geding worden uitgegaan.

4.4 [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de gemeente Voorst geen spoedeisend belang heeft bij onmiddellijke ontruiming van de kamer omdat er een aantal kamers c.q. woningen in de gemeente Voorst leegstaan. Ook dit verweer treft geen doel. Onweersproken heeft de gemeente Voorst aangevoerd dat het woningaanbod in het algemeen ontoereikend is. Weliswaar staan er in de Molukse wijk van [woonplaats] enige woningen leeg, maar die woningen zijn, in verband met in die wijk aanwezige spanningen, niet geschikt voor vreemdelingen en worden om die reden ook door niet-vreemdelingen stelselmatig geweigerd.

De gemeente Voorst heeft voorts onweersproken uiteengezet dat zij dit jaar huisvesting dient te bieden aan 21 statushouders, welk doel nog niet is gerealiseerd, ook van wege het zeer geringe aantal mutaties in huurwoningen. Voorts heeft [gedaagde] niet tegengesproken dat de gemeente Voorst pas vreemdelingen ter huisvesting krijgt toegewezen nadat door haar een beschikbare woning is aangemeld bij het COA, aangezien dan de doorstroming is verzekerd. Dat moge tot consequentie hebben dat zo nu en dan tijdelijk een kamer en/of een woning uit het voor vreemdelingen beschikbare contingent leegstaat, maar in de bredere context van deze problematiek is dat onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de gemeente Voorst geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming, te meer waar deze leegstand slechts een enkele kamer en/of woning betreft en de gemeente Voorst van het COA heeft vernomen dat een aantal vreemdelingen die voor plaatsing in Voorst in aanmerking komt voorhanden is. De gemeente Voorst heeft derhalve de onmiddellijke noodzaak van het vrijkomen van de woning van [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de gemeente Voorst daarnaast nog het risico loopt dat het Ministerie geen vergoeding zal geven van de kosten van de door de gemeente Voorst verleende zorg op grond van artikel 23, tweede lid Zorgwet VVTV zolang zij verstrekkingen laat voortduren zonder dat [gedaagde] daartoe gerechtigd is. Er is weliswaar een ongeschreven regel dat de gemeente Voorst bij het Ministerie kan declareren zolang de asielzoeker nog in de woning verblijft, maar dit geeft de gemeente Voorst geen vrijbrief een uitgeprocedeerde asielzoeker zonder meer gebruik te laten maken van de door haar verleende faciliteiten. Daarenboven blijven de vaste kosten van die woning, zoals gas water en elektriciteit wel voor rekening van de gemeente Voorst komen, terwijl dit onverschuldigd is. Dit brengt op zich al met zich dat de gemeente Voorst een spoedeisend belang heeft.

4.5 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de verzochte voorziening zal worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn op zeven dagen zal worden gesteld. [gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

1. veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] 19D te [woonplaats] met al het zijne te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels aan de gemeente Voorst;

2. machtigt de gemeente Voorst om, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, dit vonnis zelf ten uitvoer te doen leggen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding die voor zover gevallen aan de zijde van de gemeente Voorst tot op deze uitspraak worden begroot op t 270,56 wegens verschotten en t 703,36 wegens salaris procureur;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D. Vergunst, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2002 in tegenwoordigheid van mr. S. Kuypers, griffier.

SK/VG