Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4142

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
47025/ KG ZA 02-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

SECTOR CIVIEL

VOORZIENINGENRECHTER

Kort-geding-nummer : 47025/ KG ZA 02-169

vonnis van : 10 juni 2002 (bij vervroeging)

Vonnis in kort geding in de zaak van:

de GEMEENTE HARDERWIJK,

zetelende te Harderwijk,

eiseres bij dagvaarding van 16 mei 2002,

procureur: mr. D. Broersma,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. I. Vreeken.

Partijen worden hierna mede de gemeente Harderwijk en [gedaagde] genoemd.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De gemeente Harderwijk heeft onder overlegging van producties [gedaagde] gedagvaard tegen de openbare zitting van 29 mei 2002.

[gedaagde] heeft onder overlegging van producties geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van de gemeente Harderwijk in de proceskosten.

Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota's mondeling toegelicht waarna zij vonnis hebben gevraagd. De uitspraak is bepaald op heden.

2. VASTSTAANDE FEITEN

In dit geding wordt onder meer van het volgende uitgegaan:

2.1 [gedaagde] is op 16 december 1997 als alleenstaande minderjarige asielzoeker Nederland binnengekomen en heeft zich op 17 december 1997 aangemeld bij de Korpschef van politieregio Midden en West Brabant. [gedaagde] is afkomstig uit Noord-[A].

2.2 Hij heeft tot 19 juni 1999 in het OC en AZC gewoond en is bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd verhuisd naar een vvtv-woning aan de Burgemeester [adres] 10 te [woonplaats]. Sinds die datum ontvangt hij ook andere voorzieningen uit hoofde van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorlopige voorziening tot verblijf (Zorgwet VVTV).

2.3 Op 18 december 1997 heeft [gedaagde] een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en een aanvraag om een vergunning tot verblijf. De aanvragen zijn op 15 juli 1998 ongegrond verklaard en niet ingewilligd. Bij dezelfde beschikking is wel een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend.

2.4 Bij beschikking van 16 augustus 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie de aan [gedaagde] verleende vvtv ingetrokken. Tegen die beschikking heeft [gedaagde] op 11 oktober 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij beschikking van 24 mei 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaarschrift ongegrond verklaard. [gedaagde] heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend, maar heeft een voorlopige voorziening ingediend. De president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, heeft het verzoek op 16 november 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

2.5 Op 26 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie de gemeente Harderwijk bericht dat de door de gemeente aan [gedaagde] verstrekte voorzieningen in het kader van de Zorgwet VVTV dienen te worden beëindigd.

2.6 De gemeente Harderwijk heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 2 januari 2002 op de hoogte gesteld van het feit dat hij met ingang van 12 december 2001 geen aanspraak meer had op de voorzieningen in het kader van de Zorgwet VVTV en hem gesommeerd de woning uiterlijk op 10 januari 2002 te verlaten.

2.7 [gedaagde] verblijft tot op heden in de woning.

3. DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1 De gemeente Harderwijk vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen met het zijne en de zijnen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de Burgemeester [adres] 10 te [woonplaats] te ontruimen en onder afgifte van de sleutels, ontruimd van wie of wat zich aldaar bevindt ter beschikking te stellen van de gemeente Harderwijk en de gemeente Harderwijk ter machtigen om bij gebreke van tijdige ontruiming, deze te doen bewerkstelligen door een deurwaarder, zo nodig met de hulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop zo nodig in het hierna volgende zal worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1 Tot de intrekking van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Zorgwet VVTV) was een gemeente die in het kader van een zogenaamde taakstelling een vergunninghouder huisvestte, verplicht ervoor te zorgen dat die vergunninghouder in ieder geval de beschikking kreeg over huisvesting, een bedrag voor persoonlijke uitgaven, een verzekering tegen ziektekosten, een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid en een vergoeding voor buitengewone kosten. Tegen die achtergrond heeft de gemeente Harderwijk vanaf 19 juni 1999 aan [gedaagde] een woning beschikbaar gesteld.

4.2 Bij artikel 4 hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 van 23 november 2000 (Stb 2000, nr. 496, inwerkingtreding 1 april 2001, Stb 2001, nr. 144 in samenhang met artikel 7 van deze Invoeringswet) is de Zorgwet VVTV ingetrokken. Ingevolge artikel 5, tweede lid hoofdstuk 11 van de overgangsbepalingen van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 kan in afwijking van artikel 4 van hoofdstuk 2 van deze wet de toepassing van de Zorgwet VVTV worden voorgezet: "(…) ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, niet langer houder is van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf maar wel de verstrekkingen op grond van die wet geniet (…) Indien de werking van de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur is afgewezen, is opgeschort, eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop de opschorting eindigt en uitzetting om die reden niet langer achterwege hoeft te blijven. Indien daarvan sprake is voor de inwerkingtreding van deze wet, dan eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop deze wet in werking is getreden (…)".

Op de dag voorafgaande aan 1 april 2001 was [gedaagde] niet langer houder van een vvtv maar genoot hij wel de verstrekkingen op grond van de Zorgwet VVTV. De intrekking van de vvtv is bij beschikking van 24 mei 2000 onherroepelijk geworden, derhalve voor de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van de laatste zin van artikel 5, tweede lid van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet zijn de verstrekkingen aldus vier weken na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 geëindigd derhalve op 29 april 2001.

4.3 [gedaagde] voert vervolgens aan dat de gemeente Harderwijk hem wellicht niet verplicht is uit hoofde van de Zorgwet VVTV opvang te verlenen, maar dat hij wel in aanmerking komt voor de opvangvoorzieningen uit hoofde van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997), omdat hij onder het Stappenplan 1999 valt. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de president rechtbank Maastricht.

Ook dit verweer treft geen doel. De door [gedaagde] aangehaalde uitspraak betreft een uitspraak van de bestuursrechter omtrent het bezwaar tegen een beëindigingsbeschikking. Bovendien bepalen de artikelen artikel 1, eerste lid onder e en 3 dat deze regeling alleen van toepassing is op door het COA geboden opvang. In het onderhavige geval is de opvang verleend door de gemeente en derhalve valt [gedaagde] onder de Zorgwet VVTV en niet onder de Rva 1997 dan wel het Stappenplan 1999.

4.4 [gedaagde] heeft voorts betoogd dat de feitelijke terugkeer naar Noord [A] niet mogelijk is. Hij doet daarbij een beroep op een notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van mei 2002 en het besluit van de Minister van Justitie van 21 mei 2002. Bovendien heeft het IOM hem twee maanden geleden meegedeeld dat door de weigerachtige houding van de [buurlandse] autoriteiten om transit-visa te verstrekken de terugkeer van Noord-[inwoners A] wordt belemmerd. Ook dit verweer moet worden verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat feitelijke terugkeer naar Noord-[A] niet mogelijk is. Dienaangaande is van belang het besluit van de Minister van Justitie (Strct. 22 mei 2002, nr. 94, p. 11) over asielzoekers uit Centraal- en Zuid [A]. De notitie van Vluchtelingenwerk Nederland, alsmede de opmerking van [gedaagde] omtrent de houding van de [buurlandse] autoriteiten zijn aan dit besluit voorafgegaan, zodat de aangevoerde omstandigheden waarop [gedaagde] zich beroept, moeten worden geacht mede te zijn onderzocht en - voor zover deze niet zijn achterhaald- in het besluit van de Minister te zijn meegewogen. Het besluit van de Minister is het gevolg van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2002 waarin wordt meegedeeld dat de Koerdistaanse Democratische Partij (KDP) en de Kurdistan Regional Government (KRG) thans uitgeprocedeerde asielzoekers afkomstig uit Centraal-[A] niet meer toelaten tot KDP/KRG gebied, zodat een vertrekmoratorium is ingesteld dat, voor zover thans van belang, luidt als volgt:

"Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder centraal-[A]: het deel van de Republiek [A] dat onder controle staat van het regime in [hoofdstad]. Tot dit deel behoort ook Zuid-[A].

Artikel 2

In dit besluit wordt het begrip 'afkomstig uit Centraal-[A]' gedefinieerd als 'geboren in Centraal-[A]'."

In de toelichting wordt vervolgens aangegeven dat het besluit niet van toepassing is op asielzoekers afkomstig uit Noord-[A].

In de begeleidende brief van de Minister van Justitie meldt deze vervolgens: "Ik wil er vervolgens nog op wijzen dat de nu ontstane situatie geen enkele relatie heeft met de feitelijke (veiligheids)-situatie in Noord-[A]. In het feit dat er thans problemen zijn ontstaan met betrekking tot de terugkeer van asielzoekers afkomstig uit Centraal-[A], zie ik geen aanleiding om het door het Kabinet gevoerde toelatingsbeleid ten aanzien van personen behorend tot deze groep te wijzigen.".

4.5 [gedaagde] heeft tenslotte nog aangevoerd dat de gemeente Harderwijk geen spoedeisend belang heeft bij onmiddellijke ontruiming van de woning. De woningen die zij beschikbaar heeft gesteld aan asielzoekers zijn onderbezet en zijn woning is dus niet nodig om andere asielzoekers te kunnen plaatsen. Ook dit verweer wordt gepasseerd. Het Hof te Arnhem heeft weliswaar geoordeeld dat er geen spoedeisend belang is indien er andere woningen van een gemeente beschikbaar zijn, maar in het onderhavige geval heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de gemeente Harderwijk slechts een klein aantal woningen beschikbaar heeft voor asielzoekers. Voorts heeft [gedaagde] niet tegengesproken dat de gemeente Harderwijk pas vreemdelingen ter huisvesting krijgt toegewezen nadat door haar een beschikbare woning is aangemeld bij het COA, aangezien dan de doorstroming is verzekerd. Dat moge tot consequentie hebben dat zo nu en dan tijdelijk een kamer en/of een woning uit het voor vreemdelingen beschikbare contingent leegstaat, maar in de bredere context van deze problematiek is dat onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de gemeente Harderwijk geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming, te meer waar deze leegstand slechts een enkele kamer en/of woning betreft en de gemeente Harderwijk van het COA heeft vernomen dat een aantal vreemdelingen die voor plaatsing in Harderwijk in aanmerking komt voorhanden is. De gemeente Harderwijk heeft derhalve de onmiddellijke noodzaak van het vrijkomen van de woning van [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de gemeente Harderwijk daarnaast nog het risico loopt dat het Ministerie geen vergoeding zal geven van de kosten van de door de gemeente Harderwijk verleende zorg op grond van artikel 23, tweede lid Zorgwet VVTV zolang zij verstrekkingen laat voortduren zonder dat [gedaagde] daartoe gerechtigd is. Er is weliswaar een ongeschreven regel dat de gemeente Harderwijk bij het Ministerie kan declareren zolang de asielzoeker nog in de woning verblijft, maar dit geeft de gemeente Harderwijk geen vrijbrief een uitgeprocedeerde asielzoeker zonder meer gebruik te laten maken van de door haar verleende faciliteiten.

Daarenboven blijven de vaste kosten van die woning, zoals gas water en elektriciteit wel voor rekening van de gemeente Harderwijk komen, terwijl dit onverschuldigd is. Dit brengt op zich al met zich dat de gemeente Harderwijk een spoedeisend belang heeft.

4.6 Gelet op het vorengaande wordt de gevraagde voorziening toegewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

5. BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

1. veroordeelt [gedaagde] met al het zijne en de zijnen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de Burgemeester [adres] 10 te [woonplaats] te ontruimen en onder afgifte van de sleutels, ontruimd van wie of wat zich aldaar bevindt ter beschikking te stellen van de gemeente Harderwijk;

2. machtigt de gemeente Harderwijk om, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, deze te doen bewerkstelligen door een deurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [gedaagde];

3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding die voor zover gevallen aan de zijde van de gemeente Harderwijk tot op deze uitspraak worden begroot op t 270,56 wegens verschotten en t 703,36 wegens salaris procureur;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. D. Vergunst, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2002 in tegenwoordigheid van mr. S. Kuypers, griffier.

SK/VG