Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE2859

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
01/1601
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1601

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

Stichting Alert, te Apeldoorn, verzoekster,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 januari 2002.

2. Procesverloop

Drs. G.B.W. Meeuwsen, directeur bij verzoekster, heeft bij brief van 19 december 2001 namens verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van dezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 maart 2002, alwaar namens verzoekster zijn verschenen drs. Meeuwsen voornoemd en de heer C.M. van Mil, bijgestaan door mr. J.M.T. Coffeng, advocaat te Apeldoorn. Verweerder werd vertegenwoordigd door drs. W.A. Helmich, bijgestaan door mr. J.J. Noteboom.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoekster stelt zich onder meer ten doel het bevorderen en uitvoeren van maatschappelijk werk en raadsliedenwerk ten behoeve van alle in het werkgebied van verzoekster woonachtige/verblijvende personen.

Verzoekster heeft zich in opdracht van de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO) vanaf 2000 mede gericht op hulp aan burger-oorlogsgetroffenen. In dat kader zijn twee maatschappelijk medewerkers (op een totaal van ca. 23 maatschappelijk medewerkers) van verzoeker op voornoemd werkterrein werkzaam geweest.

Bij brief van 14 mei 2001 heeft verweerder zijn voornemen aan verzoekster kenbaar gemaakt om de subsidieverstrekking aan verzoekster voor voornoemde werkzaamheden met ingang van 1 januari 2002 te beëindigen.

Partijen hebben vervolgens met elkaar op 21 juni 2001 overleg gepleegd waarna verweerder op 27 juni 2001 heeft besloten de subsidie maatschappelijk werk voor burger-oorlogsgetroffenen met ingang van 1 januari 2002 te beëindigen.

Verzoekster heeft daartegen bij brief van 31 juli 2001 bezwaar gemaakt.

In verband met het uitblijven van een besluit op het bezwaar heeft verzoekster bij brief van 19 december 2001 daartegen beroep ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20 van de Awb wordt voornoemd beroep thans gericht geacht tegen het reële besluit op het bezwaar van 15 januari 2002.

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om reden dat door het uitblijven van een besluit op het bezwaar ten tijde van de indiening van het verzoek onzekerheid bestond enerzijds over de positie van de betreffende twee in dienst van verzoekster zijnde maatschappelijk medewerkers en anderzijds over de financiële consequenties voor verzoekster vanaf 1 januari 2002 van een mogelijk voortgezet dienstverband van de betreffende twee medewerkers.

Gebleken is evenwel dat de betreffende twee medewerkers per 1 januari 2002 niet langer in dienst zijn van verzoekster zodat de financiële gevolgen voor verzoekster van een eventueel voortgezet dienstverband na 1 januari 2002 zich feitelijk niet hebben voorgedaan.

Voorts is noch gesteld noch gebleken dat verzoekster door de beëindiging van de thans in geding zijnde subsidie in zodanige financiële problemen is geraakt dat tevens de uitvoering van de overige werkzaamheden van verzoekster in gevaar is gekomen.

Onder deze omstandigheden is er slechts plaats voor het treffen van een voorziening als gevraagd, indien het besluit tot beëindiging van de subsidie evident onjuist is te achten.

Gelet op de thans voorhanden zijnde gegevens is zulks niet het geval.

Het verzoek om een voorlopige voorziening moet dat ook wegens het ontbreken van een spoedeisend belang worden afgewezen.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. Weliswaar had verzoekster een goede reden om het verzoek om voorlopige voorziening op 19 december 2001 in te dienen doch nadat het dienstverband met de betreffende medewerkers per 1 januari 2002 feitelijk was beëindigd en verzoekster derhalve de financiële gevolgen voor hun dienstverband vanaf dat moment niet meer droeg had niets verzoekster in de weg behoeven te staan om het verzoek in te trekken. Niet is gebleken dat verzoekster proceskosten heeft gemaakt voor het indienen van het verzoekschrift.

Wel bestaat er aanleiding om de Staat der Nederlanden te gelasten het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek af;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door verzoekster betaalde griffierecht (€ 218,27) aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.H. Keuzenkamp en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: