Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE2673

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-05-2002
Datum publicatie
16-05-2002
Zaaknummer
02/759 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Burgermeesterlijk verbod demonstratie geschorst gelet op, blijkens advies politie, toereikende politiecapaciteit. Niet inzichtelijk gemaakt waarom lichtere maatregelen geen uitkomst kunnen bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 301 met annotatie van A.E. Schilder, J.G. Brouwer
KG 2002, 136
Gst. 2003, 195 met annotatie van A.H.M. Dölle
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 02/759 VEROR

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekeer], te [woonplaats] verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Harderwijk, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 mei 2002.

2. Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 14 mei 2002 namens het Comité [verzoeker]/[A] een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 mei 2002. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Allereerst wordt overwogen dat het bezwaarschrift wordt beschouwd als te zijn ingediend door verzoeker persoonlijk, nu gesteld noch gebleken is dat het Comité [verzoeker]/[[A]] als een rechtspersoon kan worden aangemerkt. Verzoeker kan zonder meer worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Op 8 mei 2002 heeft verzoeker verweerder in kennis gesteld van zijn voornemen om op 18 mei 2002 van 14.00 tot en met 17.00 uur in de gemeente Harderwijk een demonstratie te houden 'tegen de criminalisering van nationalisten en vermoorden van rechtse politici' en 'voor het verbieden van extreem linkse criminele actiegroepen naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn'.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door verzoeker aangekondigde demonstratie verboden, omdat volgens verweerder ernstig moet worden gevreesd dat het plaatsvinden van de demonstratie leidt tot ingrijpende wanordelijkheden en een ernstige verstoring van de openbare orde. In dit verband heeft verweerder - met name in het licht van de huidige maatschappelijke onrust na de moord op Pim Fortuyn en de omstandigheid dat de verdachte van de moord uit Harderwijk afkomstig is - gewezen op de mogelijkheid dat de Harderwijker bevolking agressief op de betoging reageert, op de mogelijkheid van ongewilde confrontaties met de bezoekers van het Dolfinarium en Six Flags (die gelet op het pinksterweekeinde in grote getale worden verwacht), alsmede op de waarschijnlijkheid dat de voorgenomen demonstratie veel mensen (ook buiten verzoekers eigen kring) zal aantrekken.

In artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

In het tweede lid is bepaald dat de wet regels kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Regels als hier bedoeld zijn met name opgenomen in de Wet openbare manifestaties (Wom).

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wom kan de burgemeester voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

Ingevolge artikel 2 van deze wet kunnen bevoegdheden tot beperking van het recht op betoging slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Niet in geschil is dat de door verzoeker aangekondigde demonstratie als een betoging in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Grondwet is aan te merken.

De hiervoor genoemde bepalingen, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen met zich dat een betoging slechts in dwingende situaties preventief verboden mag worden. Er dienen zwaarwegende omstandigheden in het geding te zijn voor een beperking van het recht om te demonstreren. Een dergelijke beperking kan in beginsel geen rechtvaardiging vinden in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover de deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zal hebben. Er van uitgaande dat de betoging zelf op de aangekondigde wijze zal verlopen, behoort de burgemeester aan de betoging de nodige politiebescherming te bieden, teneinde deze doorgang te doen vinden. Een verbod is slechts gerechtvaardigd, indien er een bestuurlijke overmachtssituatie dreigt te ontstaan. Daarvan is sprake wanneer de betoging naar redelijke verwachting gepaard zal gaan met dermate ernstige wanordelijkheden, dat er niet voldoende politie kan worden ingezet om de veiligheid van burgers en goederen adequaat te beschermen.

De rechter dient met de nodige terughoudendheid te beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verbieden van de aangekondigde demonstratie. Dit neemt echter niet weg dat, nu het hier gaat om de uitoefening van een grondrecht, verweerder zal moeten aantonen dat hij zich in voldoende mate heeft ingespannen bij de uitvoering van de op hem rustende verplichting om te onderzoeken of door het treffen van passende maatregelen, dan wel het stellen van voorschriften en/of beperkingen, een vreedzaam verloop van de aangekondigde demonstratie mogelijk is.

Blijkens het bestreden besluit heeft de politie Noord en Oost Gelderland, district Noordwest-Veluwe in een mondeling advies te kennen gegeven voldoende personeel beschikbaar te hebben om wanordelijkheden te voorkomen, hetgeen verweerder ter zitting desgevraagd nog eens heeft bevestigd. Daarbij is aangegeven dat ook de Mobiele Eenheid kan worden ingezet.

Naar dezerzijds oordeel is de enkele overweging van verweerder dat het - ook voor de politie - onduidelijk is hoeveel mensen aan de betoging zullen deelnemen en dat de aanwezigheid van politie een averechts effect zou kunnen hebben, ontoereikend voor terzijdestelling van het advies van de politie. Niet gebleken is dat de politie bij het uitbrengen van het advies geen inschatting heeft gemaakt van de daadwerkelijk te verwachten opkomst en de te vrezen wanordelijkheden en daarbij geen rekening zou hebben gehouden met de huidige maatschappelijke situatie.

Daarnaast heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom in het onderhavige geval lichtere maatregelen dan een verbod van de demonstratie geen uitkomst kunnen bieden.

Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb is genomen. Hetgeen verweerder ter zitting nog heeft aangevoerd met betrekking tot de te verwachten grote verkeersdrukte leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

Gelet op het vorenoverwogene zal het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen. Verweerder heeft ter zitting, gevraagd naar de te treffen maatregelen bij een eventuele toewijzing van het verzoek, geen te stellen voorschriften en/of beperkingen genoemd, maar aangekondigd in dat geval een noodverordening te zullen vaststellen. Onder deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter thans volstaan met schorsing van het bestreden besluit.

Niet is gebleken dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- schorst het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Harderwijk het betaalde griffierecht ad € 109,-- aan verzoeker vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.R. Borgerhoff Mulder en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: