Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE2139

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
45455/ KG ZA 02-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

SECTOR CIVIEL VOORZIENINGENRECHTER

Kort-geding-nummer:45455/ KG ZA 02-74

vonnis van : 1 mei 2002

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],

wonende te Delft,

eiser bij dagvaarding van 20 februari 2002,

procureur: mr. A.J. Zeijl,

advocaat: mr. J. Keereweer te Zoetermeer,

tegen:

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

procureur: mr. J. Schep te Apeldoorn.

Partijen worden hierna mede [eiser] en Achmea genoemd.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiser] heeft onder overlegging van producties Achmea gedagvaard tegen de openbare zitting van 12 maart 2002. Alstoen heeft [eiser] zijn vordering nader toegelicht. Wegens tijdgebrek is de behandeling ter zitting halverwege het pleidooi van Achmea afgebroken. Ter zitting van 11 april 2002 heeft Achmea, onder overlegging van producties concludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota's mondeling toegelicht, terwijl [A.], medisch adviseur bij Achmea Personenschade als informant is gehoord. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. VASTSTAANDE FEITEN

Binnen het kader van dit kort geding zijn onder meer de navolgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden. Deze feiten zijn vastgesteld op grond van stellingen van partijen of ook op grond dat ze blijken uit de tussen partijen onomstreden gebleven inhoud van overgelegde schriftelijke stukken. Uit stellingen van partijen moeten feiten als vaststaand worden afgeleid als ze door de ene partij zijn gesteld en vervolgens door de andere partij zijn erkend of door die partij niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.

Overigens draagt de vaststelling van feiten in een kort geding noodgedwongen een voorlopig karakter, omdat de gelegenheid om getuigen te ondervragen en deskundigenbericht in te winnen dan pleegt te ontbreken.

Aldus zijn de volgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden:

2.1 [eiser] is op 9 februari 1999 als chauffeur van een vrachtauto betrokken geweest bij een kop-staartbotsing.

2.2 Hij werd achterop gereden door een andere vrachtauto. Hierbij werd het hoofd van [eiser] achterover geslingerd.

2.3 De achteroprijdende vrachtauto is uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen verzekerd bij Achmea, die haar rechtstreekse aansprakelijkheid voor door [eiser] geleden en nog te leiden schade heeft erkend.

2.4 Sinds het ongeluk is [eiser] arbeidsongeschikt. Hij is nog wel in dienst van Schuitema Groothandel BV.

2.5 [eiser] is onder behandeling geweest bij [B] te Delft. De brief van hem aan [C], huisarts, van 6 juli 1999 luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Op uw verzoek zag ik op 18-6-1999 bovengenoemde patiënt in verband met persisterende klachten na een flexie/extensie/rotatieletsel van de nek bij een auto-ongeval op 9-2-1999. (…) De klachten die hij aangeeft zijn de volgende: Rotatiebeperking van de nek, met name naar links. Verminderde belastbaarheid van de linkerschouder, met name bij activiteiten als tillen. Hoofdpijnklachten, vanuit hoog cervicaal, naar de zijkant van het hoofd. Soms wat wazig zien. Lichte geheugenstoornissen. (…)". De behandeling is stopgezet omdat verdere behandeling geen perspectief meer bood.

2.6 Dr M.F.M. Wagemans, anesthesioloog vermeldt in zijn brief d.d. 31 augustus 1999 aan mr. Keereweer: "(…) Anamnese: (…) Zijn klachten zijn: Rotatiebeperking van de nek, m.n. naar links. Verminderde belastbaarheid aan de linkerschouder vooral bij tillen. Hoofdpijnklachten, vanuit hoog cervicaal, naar de zijkant van het hoofd. Soms wat wazig zien. Lichte geheugenstoornissen. (…) Behandelplan: -Diagnostische en therapeutische blokkades: cervicaal epiduraal blokkade, C2-C4 facet bloks links en evt. C2 wortel blokkade (…)".

2.7 Dr. W.J.H.M. Grosveld, neuroloog, concludeert op 16 mei 2000: (…) Cervicogene cephales en affectieve stoornissen, die kunnen worden geïnterpreteerd als restverschijnselen van een whiplashtrauma in februari (…) Daarnaast ook slikproblematiek, die moeilijk objectiveerbaar is en ten aanzien waarvan geen neurologische afwijkingen wordt gevonden".

2.8 Mr. Keereweer geeft bij brief van 8 juni 2000 aan Achmea een lijst van klachten van [eiser] op die als volgt luidt: 1. Whiplashtrauma, 2. Hoofdpijn links achter, 3. Zenuw nek overrekt en keel, 4. Nek draaien naar links maximaal 50 graden (Brenner), 5. Linkerschouder moet nog geopereerd worden, 6. Slik problemen, 7. Afhangende linker bovenlip, gezicht dikker links dan rechts, 8. Bewegingsbeperking, 9. Concentratieproblemen, 10. Zicht ogen soms wazig, 11. Hoog medicijngebruik, 12 moeite met lopen scheef links, 13. Tinteling in vingers en boven arm, 14. Regelmatig afwezig, 15. Oorsuizen vooral links, 16. Veel fysio 3 x per week, 17. Afwezigheid, moeilijk kunnen onthouden, 18. Niet kunnen tillen of duwen, 19. Zenuw behandelingen in nek en keel, 20. Door alle klachten niet lekker in vel zitten.

2.9 [eiser] heeft een second opinion aangevraagd bij dr. J.P.C. Peperkamp, verbonden aan de Medische Expertise & Second Opinion.

2.10 In de brief van 5 april 2001 worden door dr. Peperkamp als belangrijkste klachten weergegeven: "1. Hoofdpijn, links in het achterhoofd tot occipitaal uitstralend, constant aanwezig, waarbij vaak slapeloze nachten aanwezig zijn. 2. Altijd nekpijn, uitstralend naar de li.schouder en arm tot aan de hand, (…), 3. Pijnklachten onder in de rug, uitstralend naar het linkerbeen (…), 4. Concentratie- en geheugenstoornissen. 5. Problemen in gezelschap t.a.v. lawaai of licht. 6. Geïrriteerdheid depressieve stoornissen (…)".

2.11 Dr. Peperkamp heeft [eiser] verwezen naar de Amerikaanse orthopeed dr. Bonati, gevestigd te Florida, USA. Op 26 februari 2001 is [eiser] onderzocht door dr. Bonati.

2.12 De door deze voorgestelde behandeling houdt in dat [eiser] 6 tot 8 weken in Florida moet verblijven en 6 tot 8 operatieve ingrepen moet ondergaan. Met deze behandeling is een voorschotbedrag van t 128.628 gemoeid.

2.13 De methoden van dr. Bonati zijn geen in de kring van beroepsgenoten algemeen aanvaarde handelwijzen.

3. DE VORDERING, DE GRONDEN EN HET VERWEER

3.1 [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

Achmea zal bevelen bij wijze van voorschot op de aan [eiser] te verstrekken schadevergoeding binnen 8 dagen na betekening dezes als voorschot op de door Achmea te maken en verband houdende met de behandeling door Dr. Bonati in diens kliniek Florida, USA kosten tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen t 128.628,--,

subsidiair:

die voorziening zal treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie meent te moeten treffen,

in alle gevallen met veroordeling van Achmea in de kosten van dit geding.

3.2 Achmea heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop zo nodig in het hierna volgende zal worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1 Kernpunt van het geschil is de vraag of Achmea, als WAM-verzekeraar (waarmee wordt bedoeld de bescherming die het slachtoffer op grond van de WAM geniet en niet de aanspraak die de verzekerde op grond van de polis kan maken) gehouden kan worden geacht om de kosten van een (dure) operatie in de Verenigde Staten te betalen/voor te schieten.

4.2 [eiser] stelt last van zijn rug te hebben als gevolg van het ongeval van 9 februari 1999 en wenst zich te laten behandelen door dr. Bonati in diens kliniek in Florida, USA. Deze kliniek zou zijn gespecialiseerd in de toepassing van lasertechnologie, met name op het gebied van wervelkolomafwijkingen/aandoeningen. Gezien de ernst van de klachten, de duur daarvan en de uitzichtloosheid van het vinden van algemeen erkende medische behandelingen en uitgaande van zijn vrije artsenkeuze, is hij van mening dat de keuze voor dr. Bonati alleszins redelijk is. Als hij niet behandeld wordt, zal hij zijn leven door moeten brengen met de opgelopen ernstige schade. Hij is van mening dat Achmea verplicht is de kosten voor deze operatie als voorschot te vergoeden.

4.3.1 Achmea heeft allereerst aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen het auto-

ongeval en de rugpijn van [eiser]. Zij acht zich derhalve niet gehouden de behandeling door Bonati te betalen. Bovendien acht zij de methode van dr. Bonati geen redelijke medische behandeling, omdat dit geen algemeen erkende behandelwijze is en de reputatie van dr. Bonati op zijn zachtst gezegd dubieus kan worden geacht.

4.3.2 De president stelt vast dat [eiser] na het ongeval nek- en schouderklachten had. De

behandelende artsen hebben geen (ernstige) rugklachten gemeld, terwijl de raadsman van [eiser] in zijn klachtenlijst evenmin rugklachten noemt. Ook in het verslag van het Rug Advies Centrum van 30 oktober 2000 wordt niet gerept over eventuele rugklachten. Dr Tavy benoemt de rugklachten wel, maar dit rapport dient buiten beschouwing te blijven omdat dit rapport eenzijdig, namelijk in opdracht van [eiser], tot stand is gekomen. De rugklachten van [eiser] komen eerst in 2001 naar voren, derhalve ruim twee jaar na het ongeluk. Onweersproken is door Achmea aangevoerd dat de rugklachten ook veroorzaakt kunnen door degeneratieve afwijkingen die reeds voor het ongeval bestonden, het overgewicht van [eiser] en het feit dat rugklachten binnen de Nederlandse bevolking een zo veel voorkomend verschijnsel zijn, dat niet aanstonds aan een ongeval als oorzaak behoeft te worden gedacht. Gelet hierop en het tijdsverloop tussen het ongeval van 9 februari 1999 en het ontstaan van de rugklachten bestaat er gerede twijfel over het causaal verband tussen de rugklachten en het ongeluk van 9 februari 1999.

4.4.1 Medische kosten van het herstel moeten zowel naar de aard als naar de omvang redelijk zijn. Daarbij speelt een rol welke behandelingsmethoden in aanmerking komen en of de behandeling naar redelijke verwachtingen tot herstel kan bijdragen. Achmea acht de behandeling door Bonati geen redelijke medische behandeling, omdat de methode niet specifiek geschikt is voor [eiser].

ï

4.4.2 In een artikel van mr. dr. E. van Strien in Kennis, april 1999, wordt gesteld: "op basis van de huidige literatuur gegevens kan gesteld worden dat voor een zeer kleine selecte groep van HNP (hernia nucleï pulposi; GV) patiënten de endoscopische behandeling met of zonder laser goede mogelijkheden kan bieden en voordelen lijkt te hebben boven de chirurgische behandeling (…) De vraag doet zich voor wat er bij een whiplashpatiënt eigenlijk zou moeten worden 'gelaserd', daar er bij een whiplash slechts sprake is van een weke delen letsel. Gezien de door alle schrijvers aangegeven strenge selectie (die ook door dr Bonati aangegeven werd) is het niet aannemelijk, althans niet begrijpelijk waarom nu juist in het bijzonder letselschadeslachtoffers voor deze behandelingsmethodiek in aanmerking zouden komen. (…) De behandeling wordt ook in Europa toegepast. Nagenoeg alle schrijvers geven aan dat de behandeling minder kostbaar is dan een conventionele chirurgische behandeling".

De endoscopische laserbehandeling die Bonati toepast, acht de president op dit voetspoor uitsluitend geschikt voor patiënten met een hernia. [eiser] heeft erkend dat hij geen last heeft van een hernia, zodat de behandelwijze van Bonati niet een voor de hand liggende methode is. Bovendien is de behandelwijze van Bonati nog in de experimentele fase. In een advies als bedoeld in artikel 74 van de Ziekenfondswet d.d. 19 januari 1999 stelt de Ziekenfondsraad: "(…) gelet op het advies van de medisch adviseur van de Ziekenfondsraad, is de commissie van oordeel dat de endoscopische herniachirurgie, zoals door Dr. Bonati wordt toegepast, nog in een experimenteel stadium verkeert en derhalve (nog) niet als een onder de beroepsgenoten gebruikelijke behandeling kan worden aangemerkt".

Ook in een brief van dr. J.W.A. van Loenhout, medisch adviseur, sector curatieve zorg d.d. 24 september 2001 wordt: "Anno 2001 blijft de conclusie staan dat er bij endoscopische HNP chirurgie geen sprake is van gebruikelijke zorg. De techniek is de experimentele fase, mede door het nog steeds ontbreken van goede researchgegevens met een lange termijn follow, nog niet ontgroeid". De president sluit zich bij deze deskundigen aan.

4.5 Ook al zou de behandeling door Bonati geschikt zijn voor [eiser], dan nog blijven er twijfels bestaan omtrent de persoon van Bonati. [eiser] is bij Bonati terechtgekomen als gevolg van een verwijzing door dr Peperkamp. Hier is echter geen sprake van een medisch neutrale verwijzing, omdat Peperkamp financieel belang heeft bij een behandeling uitgevoerd door Bonati. Peperkamp is verbonden aan Medag Europe, de in Nederland gevestigde zakenrelatie van Bonati, die de zaken van diens kliniek in Nederland en ook verder in Europa voor zijn rekening neemt. Bovendien is niet duidelijk wie of wat Bonati is. Zijn kliniek is niet aan te merken als een reguliere instelling. Bonati is geen medisch specialist en is niet toegelaten tot een van de specialistenorganisaties in Amerika. Dit kan worden afgeleid uit de brief van 7 december 1998 van de National Board of Medical Examinors: "(…) Certification by Speciality Boards recognized by the american Board of Medical Specialities: none (…) According to records available to us Dr. Bonati is not certified by the American Board of Orthopedic Surgery, the American Board of Neurological Suregery, or the American Board of Psychiatry and Neurology. The American Board of Arthroscopy and the American Board of Orthopedic and Neurological Medicine are not accredited by the American Board of Medical Specialities".

[eiser] heeft niet weersproken dat de organisatie Academy of Neurological and Orthopedic Surgeons, waarvan Bonati voorzitter zou zijn, niet bestaat.

Ook om deze reden lijkt een behandeling door deze arts met dubieuze achtergrond niet voor de hand liggend.

4.6 Ten slotte is voor toewijzing van een geldvordering in kort geding in ieder geval van belang dat met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de vordering in de bodemprocedure zal worden toegewezen en dat het risico van onmogelijkheid van terugbetaling gering is. [eiser] heeft ter zitting aangegeven niet over voldoende financiële middelen te beschikken om de operaties in de USA zelf te bekostigen. Nu de aanmerkelijke kans aanwezig is dat [eiser] in de bodemprocedure in het ongelijk wordt gesteld, rechtvaardigt dit de vrees dat hij (bij toewijzing van de onderhavige vordering) het reeds door Achmea voorgeschoten bedrag van t 128.628,-- niet kan terugbetalen.

4.7 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

1. wijst de gevorderde voorziening af;

2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding die voor zover gevallen aan de zijde van Achmea tot op deze uitspraak worden begroot op t 193,-- wegens verschotten en t 703,36 wegens salaris procureur;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. G. Vrieze, voorzieningenrechter, en uitgesproken door mr. J.M.H. van Staveren, voorzieningenrechter, ter openbare terechtzitting van 1 mei 2002 in tegenwoordigheid van mr. S. Kuypers, griffier.

SK/GV