Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE0495

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-03-2002
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
37654 HA ZA 01-114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUT-PHEN

Rolnummer: 37654 HA ZA 01-114

Uitspraak: 21 maart 2002

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GELREKO B.V.,

gevestigd te [adres], gemeente [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur: mr. R. van Eck (voorheen mr. B.A.I. Baks),

en

1. [gedaagde 1]

en diens echtgenote,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. F.W. van Dijk te Wageningen.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Gelreko en gedaagden gezamenlijk: [gedaagden]

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 januari 2001

- de conclusie van eis, tevens akte overlegging producties

- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte vermindering van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akteverzoek in conventie

- de akte uitlating producties in conventie van [gedaagden]

- de op 3 januari 2002 gehouden pleidooien waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Gelreko is producent van biologische diervoeders met een GMP-erkenning van het Productschap voor Diervoeders te 's-Gravenhage. Daarnaast neemt Gelreko deel aan het Skal-certificatensysteem voor de biologische productiemethoden, waardoor zij gerechtigd is het EKO-keurmerk te gebruiken.

[gedaagden] exploiteren een biologisch varkensbedrijf onder de naam: "[varkenshouderij]".

2.2 In mei/juni 1999 zijn [gedaagden] overgeschakeld van een traditionele varkenshouderij naar een biologische varkenshouderij.

2.3 Vanaf omstreeks augustus 1999 hebben [gedaagden] voer betrokken van Gelreko.

2.4 Leverancier voor Gelreko voor wat betreft het voer voor [gedaagden] is de [firma] te [woonplaats]-[adres].

2.5 In verband met diervoeders geleverd in de periode van 30 november 1999 tot en met 23 oktober 2000 heeft Gelreko [gedaagden] facturen verzonden. De gefactureerde bedragen zijn deels door [gedaagden] voldaan.

2.6 Vanaf 13 oktober 2000 hebben [gedaagden] de relatie met Gelreko beëindigd en een andere voerleverancier ingeschakeld.

2.7 Bij brief van 1 november 2000 hebben [gedaagden] Gelreko aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade (productie 1 bij de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie).

2.8 Bij brief van 9 november 2000, gericht aan de advocaat van [gedaagden], heeft Gelreko [gedaagden] gesommeerd het openstaande factuurbedrag te betalen en [gedaagden] tegen 20 november 2000 in gebreke gesteld (productie 1 bij de conclusie van eis).

3. De vordering in conventie

3.1 Gelreko vordert, na vermindering van eis, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, ieder der gedaagden zal veroordelen, des dat de één betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, om aan Gelreko tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van f 315.736,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der ingebrekestelling tot aan die der algehele voldoening, met de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van f 920,-, alsmede [gedaagden] zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Gelreko grondt haar vordering, tegen de achtergrond van de vast-staande feiten, op de navolgende stellingen.

Terzake van de leveranties van diervoeders is een bedrag van f 319.228,99 onbetaald gebleven. Door het uitblijven van betaling heeft zij rente gederfd en ter behartiging van haar belangen buiten rechte heeft zij zich van rechtshulp moeten voorzien, welke rente en kosten ten laste van [gedaagden] moeten komen.

4. Het verweer in conventie

4.1 [gedaagden] concluderen tot gehele, althans gedeeltelijke afwijzing van de vordering van Gelreko, dan wel niet-ontvankelijk verklaring van Gelreko in die vordering, met veroordeling van Gelreko in de kosten van deze procedure.

4.2 [gedaagden] voeren de volgende verweren:

Zij betwisten de hoogte van de door Gelreko beweerdelijk bestaande voerschuld.

Zij ontkennen dat Gelreko buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.

Vanaf omstreeks september 1999 kregen hun varkens groei- en gezondheidsproblemen die voortduurden tot oktober 2000 toen zij besloten voer van een andere leverancier te betrekken. De groei- en gezondheidsproblemen van hun varkens zijn het gevolg van ondeugdelijk voer van Gelreko, zodat zij niet gehouden zijn enig openstaand factuurbedrag aan Gelreko te voldoen. Het voer van Gelreko bezit niet de eigenschappen die zij ervan mochten verwachten, zodat het door Gelreko geleverde niet aan de tussen partijen gesloten overeenkomst voldoet. Het voer bevat een te laag eiwit- en lycinegehalte en een te hoog gehalte aan ruwe celstof.

5. De vordering in reconventie

5.1 [gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis Gelreko zal veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagden] hebben geleden en nog zullen lijden ten gevolge van de tekortkoming in de levering van het veevoer, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en zal vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2000, althans vanaf 3 mei 2001, tot aan de dag der voldoening.

5.2 [gedaagden] gronden hun vordering, tegen de achtergrond van de vast-staande feiten en het door hen in conventie gestelde, op de navolgende stellingen.

Door de levering van ondeugdelijk voer is Gelreko toerekenbaar tekort geschoten in haar verplichtingen jegens hen en gehouden de door hen geleden en te lijden schade te vergoeden. Hun bedrijf is gedurende een periode van ruim een jaar sterk achtergebleven, hetgeen een grote omzetdaling tot gevolg heeft gehad. Daarnaast hebben zij veel kosten gemaakt teneinde te trachten de situatie te verbeteren. Zij maken aanspraak op wettelijke rente over het te vorderen schadebedrag vanaf 1 november 2000.

6. Het verweer in reconventie

6.1 Gelreko concludeert dat de rechtbank [gedaagden] in hun vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hen deze vordering zal ontzeggen.

6.2 Gelreko voert de volgende verweren:

De groei- en gezondheidsproblemen van de varkens van [gedaagden] dateren eerst vanaf aanvang 2000 en duurden voort tot en met mei 2000.

Zij betwist dat deze problemen het gevolg zijn van het door haar geleverde voer. Dat het voer wisselde van samenstelling is gebruikelijk, daar voortdurend grondstoffen in meer of mindere mate beschikbaar zijn. Zij heeft er door middel van een optimalisatieprogramma voor gezorgd dat de verwerkte grondstoffen de benodigde componenten bevatten.

Groei en conditie van de varkens wordt niet alleen bepaald door het door haar geleverde voer maar ook door vele andere omstandigheden, waaronder huisvesting, klimaat en het fok- en mestmanagement. Op het bedrijf van [gedaagden] zijn conditie- mest- en verzorgingsgebreken geconstateerd. Daarnaast is door A. Nijhof van Vossen Laboratories te Zenderen een product "Ateli E.O." geleverd dat in opdracht van [gedaagden] aan het door haar vervaardigde voer werd toegevoegd.

7 De beoordeling van de geschillen in conventie en in reconventie

7.1 Gezien de samenhang worden de geschillen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandeld.

7.2 Gelreko heeft ter rolle verzocht de door [gedaagden] overlegde productie 16, een brief van het Productschap Diervoeder te 's-Gravenhage van 2 augustus 2001 gericht aan A&S Advocaten te Wageningen (het kantoor waar de raadsman van [gedaagden] werkzaam is) en de daarbij behorende bijlagen, bij de beoordeling van het onderhavige geschil buiten beschouwing te laten. [gedaagden] hebben geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek.

Het verzoek van Gelreko vindt zijn grondslag in het standpunt dat [gedaagden] de brief op onrechtmatige wijze hebben verkregen. Uit de stellingname van partijen en de overgelegde correspondentie komt naar voren dat [gedaagden] de productie hebben ontvangen naar aanleiding van een brief van hun advocaat van 11 juni 2001 gericht aan de Keuringsdienst Diervoedersector. In die brief verzoekt de advocaat van [gedaagden] met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur om een kopie van stukken aangaande een onderzoek dat is verricht op het bedrijf van Gelreko. In deze brief geeft de advocaat uitdrukkelijk aan dat zijn verzoek betreft de zaak "[gedaagden]/Gelreko". Ook vermeldt de brief het volgende: " Inmiddels hebben cliënten begrepen dat door de Algemene Inspectiedienst nader onderzoek is geschied op het bedrijf van Gelreko". Hieruit kan niets anders worden afgeleid dan dat bedoelde cliënten niet Gelreko zelf zijn. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de advocaat zich heeft voorgedaan als de raadsman van Gelreko zijn gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat het productschap Diervoeder thans verklaart dat zij in die veronderstelling verkeerde en het stuk anders nooit zou zijn afgegeven is in dit licht onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagden] het stuk op onrechtmatige wijze hebben verkregen. Het achteraf ingenomen standpunt van het productschap Diervoeders dat het productschap het stuk in strijd met de van toepassing zijnde regelgeving heeft afgegeven zegt niets over de wijze waarop het stuk is verkregen en regardeert [gedaagden] niet in de onderhavige procedure. Het verzoek van Gelreko om productie 16 buiten beschouwing te laten wordt derhalve afgewezen.

7.3 [gedaagden] hebben de hoogte van het hiervoor onder 3.1 genoemde onbetaald gebleven factuurbedrag ad f 315.736,59 betwist. Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] terzake van leveranties facturen hebben ontvangen. Dat [gedaagden] tegen de facturen en/of de hoogte van de daarop vermelde bedragen hebben geprotesteerd is gesteld noch gebleken. Nu [gedaagden] onder deze omstandigheden slechts volstaan met betwisting van de hoogte van het door Gelreko gevorderde bedrag en geheel niet zijn ingegaan op hetgeen Gelreko aan haar stelling ten grondslag heeft gelegd, wordt het verweer van [gedaagden] als onvoldoende weersproken verworpen. Aldus staat de hoogte van de voerschuld voor wat betreft het gevorderde bedrag van f 315.736,59 vast.

7.4 [gedaagden] stellen zich op het standpunt niet gehouden te zijn vorenstaand bedrag aan Gelreko te voldoen en maken aanspraak op schadevergoeding omdat Gelreko jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten. Zij hebben daartoe gesteld dat het voer van Gelreko van een ondeugdelijke samenstelling is. Zij hebben onder meer aangevoerd dat het eiwitgehalte van het voer van Gelreko aanzienlijk lager is dan de normwaarde voor eiwit in gangbaar varkensvoer. [gedaagden] hebben deze stelling gedocumenteerd onderbouwd. Daarbij hebben zij onder andere verwezen naar de navolgende berichten van onafhankelijke instanties:

- een brief van de Stichting Instituut voor de Veevoeding "De Schothorst" aan het Diergeneeskundig Centrum [woonplaats] van 31 januari 2001 (productie 9 bij de conclusie van antwoord in conventie). Deze brief houdt voor zover van belang het volgende in:

" (...) U vroeg mij een aantal voersamenstellingen en analyses te beoordelen die gevoerd zijn op bedrijf [gedaagden] te [woonplaats]. De voerleverancier was toen Gelreco. (...) Bij de beoordeling van de voersamenstelling zoals die gegeven zijn op de voerbonnen, het volgende: (...) - Het valt op dat het ruw eiwit gehalte vrij laag is van de voeders voor de verschillende diercategorieen en ten opzichte van wat in het algemeen gevoerd wordt.(...)"

- een briefrapport van TNO aan [gedaagden] van 31 januari 2001 (productie 12 bij de conclusie van antwoord in conventie), voor zover van belang , inhoudende:

"(...) Hierbij wil ik reageren op uw verzoek om enig commentaar te leveren op gegevens die u mij toestuurde omtrent de voersamenstelling. Het gaat om gegevens van de voerlabels van Eko Bigopfokkorrel (...), Bio biggenkorrel Start (...) en Bio slachtvarken (...). (...)

Biggenopfokkorrel

Vergelijking van de analyseresultaten met de labelwaarden geeft aan (...) dat het geanalyseerde eiwitgehalte 17 g/kg voer lager is dan op de label vermeld is. Zowel het geanalyseerde als het labelgehalte is duidelijk lager dan de geoptimaliseerde waarde voor eiwit in gangbaar babybiggenvoer.(...)

Startkorrel

Vergelijking van de analyseresultaten met de labelwaarden geeft aan (...) dat het geanalyseerde eiwitgehalte maar liefst 18 g/kg voer lager is dan op het label is vermeld. Zowel het geanalyseerde als het labelgehalte is duidelijk lager dan de geoptimaliseerde waarde voor eiwit in gangbaar babybiggenvoer. (...)

Slachtvarkenskorrel

Vergelijking van de analyseresultaten met de labelwaarden geeft aan (...) dat het geanalyseerde eiwitgehalte 21 g/kg voer lager is dan op de label vermeld is. Zowel het geanalyseerde als het labelgehalte is veel lager dan de geoptimaliseerde waarde voor eiwit in gangbaar vleesvarkensvoer, wat aanzienlijk is. (...)"

Conclusie

Het eiwitgehalte van met name het vleesvarkensvoer lijkt onverantwoord laag. (...)"

7.5 Gelreko heeft het standpunt van [gedaagden] dat het door haar geleverde voer te weinig eiwit bevat niet weersproken. Op de inhoud van vorenbedoelde brieven is zij evenmin ingegaan. Voorts heeft Gelreko voor wat betreft de samenstelling van voer zelf verwezen naar de door haar opgestelde labels, zodat de conclusie van [gedaagden] dat het gebrek aan eiwit ook al uit de samenstelling vermeld op de labels valt op te maken, moet worden onderschreven. Dat Gelreko aldus voer heeft geleverd dat niet aan de normen voldoet heeft Gelreko in het licht van vorenbedoelde brieven onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zij heeft aan haar betwisting van de ondeugdelijkheid van de samenstelling van het voer niet meer ten grondslag gelegd dan dat het tegendeel blijkt uit een brief van 29 januari 2001 van de het Productschap voor Diervoeder, Keuringsdienst Diervoedersector (productie 15 bij de conclusie van repliek in conventie), waarin is vermeld dat bij visuele controle op haar bedrijf geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Deze brief is achterhaald door de door [gedaagden] overgelegde brief (productie 16 bij de conclusie van dupliek in conventie) van 11 mei 2001 van diezelfde keuringsdienst aan de [firma], welke brief voor zover van belang inhoudt:

"(...) De vestiging te [woonplaats]-[adres] van uw bedrijf is op 28 februari 2001 bezocht door mw. C. Willems van Zadelhoff, inspecteur van de Keuringsdienst Diervoedersector. (...)

[firma] produceert en transporteert biologische mengvoeders in opdracht van Gelreko B.V. Biologische Mengvoeders. Gelreko verzorgt de samenstellingen, etiketten en voert de Minasadministratie uit. (...)

Tijdens het bedrijfsonderzoek werd het volgende product bemonsterd: 553 Eko BigkorrStart (extra zuur) 105. (...) Hierbij worden de volgende opmerkingen geplaatst: het geanalyseerde gehalte aan ruw eiwit valt buiten de toegestane tolerantie van 10% (Besluit PDV Bemonsterings- en keuringsprocedure diervoedersector 1998, Bijlage IV, punt 3.1) (...) Aangezien dit een min of meer structureel probleem is, zal deze tekortkoming worden gemeld aan de Algemene Inspectiedienst. (...)"

Gelreko heeft de inhoud van deze brief niet betwist.

Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat Gelreko voer heeft geleverd dat voor wat betreft het eiwitgehalte niet aan de normen voldoet.

7.6 Gelreko heeft gesteld dat, als het voer niet aan de normen voldoet, dit geen tekortkoming harerzijds oplevert, aangezien [gedaagden] aan de hand van de labels zelf konden zien wat zij geleverd kregen en van hen kon worden verwacht dat zij de labels zelf vooraf zouden controleren.

Dit verweer wordt verworpen. Gelkero is een gecertificeerd diervoerderbedrijf en heeft zich jegens [gedaagden] ook als zodanig geprofileerd. [gedaagden] mochten er aldus vanuit gaan dat Gelreko over specifieke deskundigheid beschikt en dat het door haar geleverde voer een eiwitgehalte bevat dat gangbaar is en geschikt is voor het doel waarvoor het is bestemd. Gelreko heeft niet betwist dat voer met een te laag eiwitgehalte ondeugdelijk is voor het doel waarvoor [gedaagden] het wilde gebruiken.

Mede gezien het vorenoverwogene moet aldus worden geconcludeerd dat Gelreko jegens [gedaagden] toerekenbaar is tekort geschoten.

Of bemonstering al dan niet op correcte wijze heeft plaatsgevonden doet hier niet aan af, temeer niet nu Gelreko zelf, anders dan voor haar wettelijke is voorgeschreven, geen monsters heeft bewaard.

7.7 [gedaagden] hebben gesteld dat hun varkens ongeveer vanaf september 1999 groei- en gezondheidsproblemen kregen die voortduurden tot oktober 2000 toen zij besloten voer van een andere leverancier te betrekken.

Dat zich dergelijke problemen op het bedrijf van [gedaagden] hebben voorgedaan heeft Gelreko niet betwist. Voor wat betreft de betwisting van de door [gedaagden] gestelde periode waarbinnen zich deze problemen hebben afgespeeld heeft Gelreko haar verweer onvoldoende onderbouwd. In een reactie op dit verweer hebben [gedaagden] uitdrukkelijk verwezen naar het (ongedateerde) verslag van de dierenarts A.W.A.J. Vermeulen van het Diergeneeskundig Centrum [woonplaats], waarin een chronologisch overzicht is gegeven van zijn constateringen omtrent het welzijn van de varkens in de periode 10 november 1999 tot 20 november 2000 (productie 7 bij de conclusie van antwoord in conventie). Gelreko is vervolgens op de inhoud van dit verslag niet ingegaan en heeft de door de dierenarts vermelde constateringen niet betwist.

Aldus staat vast dat de groei- en gezondheidsproblemen zich gedurende de gestelde periode hebben voorgedaan.

7.8 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat Gelreko voer heeft geleverd met een te laag eiwitgehalte waardoor zij jegens [gedaagden] toerekenbaar tekort is geschoten. Voorts volgt uit het vorenstaande dat zich gedurende de periode waarin Gelreko dit voer aan [gedaagden] heeft geleverd groei- en gezondheidsproblemen van varkens op het bedrijf van [gedaagden] hebben voorgedaan. Dat een te laag eiwitgehalte in het voer nadelig is voor de gezondheid van varkens is door Gelreko niet betwist.

Gelreko heeft aldus wanprestatie gepleegd waardoor zij een risico in het leven heeft geroepen voor de gezondheid van de varkens van [gedaagden], welk risico zich vervolgens ook heeft verwezenlijkt. Hiermee is het causaal verband tussen de gedraging van Gelreko en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan Gelreko om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder haar gedraging zou zijn ontstaan.

7.9 Gelreko heeft gesteld dat de groei- en gezondheidsproblemen van de varkens zijn ontstaan door andere omstandigheden, waaronder huisvesting, klimaat en het fok- en mestmanagement en/of door een middel dat in opdracht van [gedaagden] aan het door haar vervaardigde voer werd toegevoegd. [gedaagden] hebben een en ander gemotiveerd betwist. Alvorens Gelreko tot het bewijs van het door haar gestelde toe te laten heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen, met name omtrent de vraag of Gelreko bewijs wil leveren en zo ja op welke wijze, voorts omtrent de mogelijke omvang van de totale schade en de door [gedaagden] getroffen maatregelen om de schade te beperken. Daartoe zal een comparitie van partijen worden belegd, die tevens zal worden benut om de mogelijkheden van een minnelijke schikking te beproeven. [gedaagden] wordt verzocht voor de aanvang van de comparitie schriftelijke bewijsstukken over te leggen met betrekking door hen geleden schade.

7.10 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

gelast een comparitie van partijen;

bepaalt dat partijen in persoon en deugdelijk vertegenwoordigd, vergezeld van de raadslieden dienen te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank aan de Martinetsingel 2 te Zutphen, voor mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, hierdoor benoemd tot rechter-commissaris, op een nader te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de enquêterol van 4 april 2002 om partijen in de gelegenheid te stellen de verhinderdata over de periode juni t/m augustus 2002 over te leggen, voor welk overleggen geen uitstel zal worden verleend, derhalve ambtshalve peremptoir;

verzoekt partijen stukken die op de zaak betrekking hebben tenminste twee weken voor de zittingsdatum (in kopie) te doen toekomen aan de wederpartij en aan de griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.M.H. van Staveren, R. Prakke-Nieuwenhuizen en S. van Lokven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2002.

JW/LV/PR/JS