Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE0490

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-03-2002
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
39288 HAZA 01-417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 39288 HAZA 01-417

Uitspraak : 21 maart 2002

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisend bedrijf] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

procureur: mr. J. Schep,

advocaat : mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

en

1. de burgerlijke maatschap [gedaagd bedrijf],

gevestigd onder meer te Apeldoorn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagd bedrijf 2],

gevestigd te [woonplaats 2],

gedaagde partijen,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat : mr. N.P.M. Haas te Enschede.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiser], [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2].

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- de beschikking van de president van deze rechtbank op grond van artikel 145 van

het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 27 maart 2001

­ de dagvaarding d.d. 2 april 2001

­ het exploot van 3 mei 2001, waarbij [eiser] [gedaagd bedrijf 2] heeft

opgeroepen om ter terechtzitting van 17 mei 2001 te verschijnen, teneinde voort

te procederen

­ de conclusie van eis

­ de conclusie van antwoord van [gedaagd bedrijf]

­ de conclusie van antwoord van [gedaagd bedrijf 2]

­ het verkort proces-verbaal van de op 13 december 2001 gehouden pleidooien, waarbij een comparitie van partijen is gelast

­ het proces-verbaal van de op 6 februari 2002 gehouden comparitie van partijen

­ de akte na comparitie, inhoudende overlegging producties aan de zijde van [gedaagd bedrijf]

­ de akte na comparitie, inhoudende overlegging producties aan de zijde van [eiser].

2. De vaststaande feiten

2.1 [gedaagd bedrijf] exploiteert in maatschapsverband een onderneming, welke zich bezig houdt met dienstverlening op het gebied van accountancy, fiscaliteiten, financial planning, fusies en overnames, juridische diensten en personeelsadvies. [gedaagd bedrijf] is niet gespecialiseerd in BTW-kwesties.

[eiser] is een belastingdeskundige en heeft een speciaal op de BTW toegespitste praktijk.

2.2 Op 24 maart 1998 hebben [gedaagd bedrijf] en [eiser] met elkaar een overeenkomst gesloten, welke op 3 april 1998 schriftelijk is vastgelegd.

2.3 In de overeenkomst komen onder meer de navolgende passages voor:

"(….)

Dienstverleningsovereenkomst (kernaspecten)

Voorperiode

De voorperiode (te weten de periode voorafgaand aan een mogelijk firmantschap bij [gedaagd bedrijf].) zal een aanvang nemen per datum van het aangaan van de dienstverleningsovereenkomst en een beoogde einddatum hebben van 31 december 2001.

Laatstgenoemde datum zal kunnen worden verlengd naar het daaropvolgend kalenderjaar (per ultimo), indien per ultimo 2001 nog niet is voldaan aan de toelatingscriteria van [gedaagd bedrijf]., welke vervuld dienen te zijn alvorens [gedaagd bedrijf]. [eisend bedrijf] ([eiser]) zal uitnodigen voor een firmantschap bij [gedaagd bedrijf].

De voorperiode zal de volgende kenmerken hebben:

Tijdens de voorperiode zal van toepassing zijn het relatiebeding volgens bijlage 2 aan dit verslag gehecht.

In de voorperiode verricht [eiser] zijn werkzaamheden voor [gedaagd bedrijf]. De dienstverlening door [eiser] voor [gedaagd bedrijf]. verricht zal op exclusiviteitsbasis ten gunste van [gedaagd bedrijf]. worden verricht. De dienstverlening van [eiser] voor [gedaagd bedrijf]. zal worden verricht door en namens [eisend bedrijf] i.o. [eiser] zal exclusief voor en namens [eisend bedrijf] i.o. deze diensten voor [gedaagd bedrijf]. verrichten. [eiser] zal al zijn cliënten per datum van het aangaan van de dienstverleningsovereenkomst verworven en daarna te verwerven (zijnde cliënten inbreng [eiser]) bij [gedaagd bedrijf]. om niet inbrengen. De inbreng van [eiser] en cliënten [gedaagd bedrijf]. worden hierna gezamenlijk tevens genoemd cliënten (van [gedaagd bedrijf].).

De cliënteninbreng van [eiser] zal door (de organisatie van) [gedaagd bedrijf]. worden bediend (fiscaal, accountancy alsmede overige disciplines, welke [gedaagd bedrijf]. als dienstverlener aanbiedt), waarbij in onderling overleg tussen [eiser] en [gedaagd bedrijf] de produktie zal worden verricht door [eiser] en overige medewerkers van [gedaagd bedrijf]. [eiser] zal naast werkzaamheden voor cliënteninbreng tevens voor cliënten [gedaagd bedrijf] diensten verrichten (….)

[eisend bedrijf] i.o. zal maandelijks aan [gedaagd bedrijf]. factureren voor door [eiser] (als natuurlijk persoon/belastingadviseur) voor de cliënten van [gedaagd bedrijf]. in de desbetreffende maand verrichte fiscale werkzaamheden conform de fee en winstbepalingsgrondslagen daaromtrent in deze overeenkomst gemaakt. De werkzaamheden zullen door [eisend bedrijf] i.o. aan [gedaagd bedrijf]. in rekening worden gebracht als fee, waarbij [eiser] alle risico's en verplichtingen terzake van onder meer pensioenen, sociale verzekeringen en overige fiscale verplichtingen van [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] voor haar rekening zal nemen (….)

[eisend bedrijf] i.o. zal een fee ontvangen ter grootte van 60% (in het eerste jaar) en 65% (in de volgende jaren) van de door [eiser] aan cliënten van [gedaagd bedrijf]. in rekening gebrachte fiscale werkzaamheden (….) De jaarlijks uit produktie van [eiser] voortvloeiende bij- en afschrijvingen van [eiser] en assistenten [gedaagd bedrijf]. alsmede oninbare debiteuren komen geheel ten laste respectievelijk ten gunste van de fee van [eisend bedrijf] i.o. per jaar. Onder produktie [eiser] wordt die produktie voor cliënten verstaan, die plaatsvindt onder verantwoordlelijkheid van [eiser]. Daarin is uitdrukkelijk tevens begrepen de produktie voor cliënteninbreng van [eiser] (….)

[eiser] zal alle op zijn fee betrekking hebbende kosten van zijn beroepsuitoefening (waarin onder meer begrepen zijn privé-telefoon, onkosten, premies AOV en pensioen, sociale lasten en autokosten van [eiser]) voor haar rekening nemen.

Behoudens de kosten hiervoor genoemd zullen de overige kosten ten laste van [gedaagd bedrijf]. komen betreffende de dienstverlening van [eiser]. De laatstgenoemde kosten betreffen de kosten van de organisatie [gedaagd bedrijf]., waarin tevens zijn begrepen kantoorkosten [gedaagd bedrijf]., beroepsaansprakelijkheidsverzekering en alle kosten van de medewerkers, welke werkzaamheden hebben verricht voor de produktie van cliënten [gedaagd bedrijf].

Mogelijk firmantschap/voorperiode

(.…)

Medio 2001 zal in onderling overleg worden bezien of een firmantschap per 1 januari 2002 tot de mogelijkheden behoort (….) Voor toetreding van [eiser] zijn twee criteria hierna genoemd van toepassing.

a. Allereerst dient de werkcultuur tussen partijen zodanig te zijn, dat partijen zich wel kunnen vinden en [eiser] zijn ondernemerskwaliteiten volledig kan en wenst te ontplooien binnen [gedaagd bedrijf]. Dit betekent, dat voor toetreding door [eiser] door [gedaagd bedrijf]. een herijking en nadere beoordeling plaatsvindt van de ondernemerskwaliteiten van [eiser]. Daarnaast beoordeelt [gedaagd bedrijf]. of [eiser] past binnen de cultuur van [gedaagd bedrijf]. Daarnaast wordt beoordeeld of voor [eiser] de mogelijkheid bestaat om het ondernemerschap binnen [gedaagd bedrijf]. toereikend te kunnen exploiteren. Dit betekent dat toetreding eerst mogelijk zal zijn, nadat is gebleken dat [eiser] het ondernemerschap zowel in persoon als wat de interne en externe organisatie bij [gedaagd bedrijf] betreft, aangetoond heeft (uitsluitend ter beoordeling van [gedaagd bedrijf].) toereikend zal kunnen exploiteren.

Indien dit naar de mening van [gedaagd bedrijf]. (nog) niet het geval is, zal, ook al heeft [eiser] reeds voldaan aan toelatingscriterium ad b. in onderling overleg tot verschuiving van één danwel meerdere jaren worden gekomen danwel door [gedaagd bedrijf]. een negatief oordeel worden geveld.

b. Daarnaast zijn indicatief (richtinggevend) voor de mogelijke toetreding tevens realisering in de voorperiode door [eiser] van de volgende financiële criteria van belang:

-de persoonlijke produktie van [eiser] voortvloeiend uit werkzaamheden voor door [eiser] gebrachte cliënten heeft in enig jaar een bedrag belopen (declarabel en inbaar) van minimaal f 250.000 (exclusief BTW);

-daarnaast is als gevolg van eigen werkzaamheden van [eiser] (conform omzet verkregen uit eigen cliënteninbreng) een additionele omzet voor [gedaagd bedrijf]. ontstaan (fiscaal en accountancy), welke minimaal f 550.000 (exclusief BTW) per jaar beloopt. Dit betekent derhalve dat inclusief de eigen omzet van [eiser] er sprake is van een door zijn inbreng (cliënteninbreng van [eiser]) bij [gedaagd bedrijf]. ontstane additionele omzet van minimaal f 800.000 omzet (exclusief BTW) per jaar (….)

Bijlage 3

DIENSTVERLENINGSOVEREENKOMST

Relatiebeding stafmedewerker/dienstverleningsovereenkomst

1. Het is [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] verboden gedurende de looptijd van de dienstverleningsovereenkomst zonder schriftelijke toestemming van [gedaagd bedrijf]. direct of indirect voor eigen rekening of voor rekening van anderen of voor gezamenlijke rekening, met anderen, een onderneming te doen drijven, daarbij rechtstreeks of zijdelings belang te hebben bij of daarbij betrokken te zijn of bij een zodanige onderneming enige functie te aanvaarden of daarin direct of indirect werkzaam te zijn, hetzij tegen, hetzij zonder vergoeding, of anderen daarin of daarvoor voor hem, direct of indirect, werkzaam te doen zijn.

2. Behoudens in het geval van artikel 4 is het [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] verboden binnen een tijdvak van achtenveertig maanden na het een einde nemen van de overeenkomst zonder schriftelijke toestemming van [gedaagd bedrijf]. direct of indirect voor eigen rekening of voor rekening van anderen, of voor gezamenlijke rekening, met anderen, rechtstreeks of zijdelings belang te hebben bij of als aandeelhouder, directeur, vennoot of in enige andere hoedanigheid betrokken te zijn bij een onderneming, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van [gedaagd bedrijf]. om daarmee direct en/of indirect bestaande -danwel gedurende de periode van vierentwintig maanden voorafgaande aan het tijdstip het een einde nemen van de overeenkomst bestaand hebbende- cliënten van [gedaagd bedrijf]. te benaderen respectievelijk diensten daaraan te verlenen.

3. Behoudens in het geval van artikel 4 zal, indien binnen achtenveertig maanden na het een einde nemen van deze overeenkomst cliën(ten) van [gedaagd bedrijf]. de relatie met [gedaagd bedrijf]. wensen te beëindigen en met [eisend bedrijf] i.o. en/of [eiser] een relatie wensen aan te gaan, [eisend bedrijf] i.o. en/of [eiser], bij overname door [eisend bedrijf] i.o. en/of [eiser] van de cliënt(en) verschuldigd zijn aan [gedaagd bedrijf]. een goodwillsom ad 1,5 (anderhalf) maal de kalenderjaaromzet met betrekking tot de betreffende cliënt(en) (….)

Onder cliënt(en) van [gedaagd bedrijf]. worden verstaan die cliënt(en), welke op het tijdstip van het een einde nemen van deze overeenkomst danwel gedurende twee jaren voorafgaande aan het tijdstip van het een einde nemen van deze overeenkomst cliënt(en) waren respectievelijk geweest zijn van [gedaagd bedrijf].

4. De door [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] verschuldigde goodwillsom, zoals genoemd in artikel 3, zal slechts worden gewijzigd in het geval [gedaagd bedrijf]. haar "negatief oordeel" aan [eiser] heeft medegedeeld en derhalve de dienstverleningsovereenkomst om deze reden een einde heeft genomen.

4.1 Zoals in dit lid genoemd is het een einde nemen van de dienstverleningsovereenkomst alsdan het gevolg van een negatief oordeel van [gedaagd bedrijf]. ("negatief oordeel") (zie toelatingscriterium ad a) omtrent de mogelijke toetreding door [eiser] tot de maatschap [gedaagd bedrijf]. Een (nog) niet tot stand gekomen toetreding tot de maatschap [gedaagd bedrijf]. als gevolg van de omstandigheid, dat [eiser] (nog) niet de minimale inbrengomzet (zie toelatingscriterium ad b) heeft gerealiseerd, houdt niet in een -in de vorige alinea- genoemd negatief oordeel.

4.2 [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] zullen in het geval van het een einde nemen van de dienstverleningsovereenkomst, zoals bepaald in 4.1, voor door [eisend bedrijf] i.o. [eiser] ingebrachte cliënt(en) op hun schriftelijk verzoek, fiscale werkzaamheden mogen verrichten, indien de ingebrachte cliënt(en) binnen vierentwintig maanden na het een einde nemen van de overeenkomst de desbetreffende cliënt(en) de relatie met [gedaagd bedrijf]. heeft (hebben) beëindigd.

Onder ingebrachte cliënten worden verstaan die cliënten door [eiser] bij [gedaagd bedrijf]. ingebracht (inclusief [eiser]) waarvoor werkzaamheden zijn verricht gedurende de overeenkomst c.q. zullen worden verricht na het een einde nemen van de overeenkomst.

4.3 [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] verplichten zich alsdan eveneens een vergoeding (goodwillsom) te voldoen (in het geval van een negatief oordeel) aan [gedaagd bedrijf]. bij het een einde nemen van deze overeenkomst vanwege hiervoor genoemde reden ("negatief oordeel").

Deze vergoeding zal betrekking hebben op cliënten van [gedaagd bedrijf]., die aan [gedaagd bedrijf]. te kennen hebben gegeven de relatie met [gedaagd bedrijf]. niet meer wensen te continueren c.q. wensen te verbreken en de cliënt(en) direct danwel indirect door [eisend bedrijf] i.o. en/of [eiser] werkzaamheden wenst (wensen) te doen uitvoeren (….)

5. Indien de dienstverleningsovereenkomst met [eisend bedrijf] i.o. en [eiser] een einde neemt om andere reden(en) dan hiervoor onder artikel 4 vermeld, dat wil zeggen niet zijnde een negatief oordeel, zal hetgeen is bepaald in leden 2 en 3 onverkort van kracht blijven (….)"

2.4 Bij brief van 30 november 2000 heeft [eiser] aan [gedaagd bedrijf] onder meer het navolgende medegedeeld:

"(….)

Hierbij deel ik je mee te hebben besloten bovenvermelde samenwerkingsovereenkomst van 3 april 1998 met ingang van 1 januari 2001 te beëindigen. Per die datum ben ik werkzaam bij de Berk groep.

Mijn besluit is gebaseerd op de conclusie dat de door mij in augustus jl. en daaropvolgende maanden gesignaleerde verschillen van inzicht tussen ons inzake de door mij gewenste herziening van onze samenwerkingsovereenkomst onoverbrugbaar zijn (….)

Terugkijkend op een plezierige collegiale samenwerking teken ik (….)."

2.5 Bij brief van 12 februari 2001 heeft de raadsman van [eiser] aan de raadsman van [gedaagd bedrijf] onder meer het navolgende medegedeeld:

"(….)

Voorzoveel dat uit (….) nog niet duidelijk is geworden, meld ik u door deze dat cliënten een "negatief oordeel" in de zin van der partijen contract over [gedaagd bedrijf] uitspreken. Bovendien blijkt [gedaagd bedrijf] op geen stukken na de voor een goede verdere samenwerking benodigde omzet te hebben gegenereerd.

Één en ander brengt met zich dat het bestaande contract tussen partijen niet tot verdere vervulling zal komen; cliënten zullen niet tot de (volledige) maatschap met [gedaagd bedrijf] (….) toetreden. Cliënten hebben het contract dan ook opgezegd.

Mij ontgaat op grond waarvan u(w cliënt) meent dat het contract niet voor 31 december 2001 opzegbaar zou zijn (….)

Voorzoveel nodig zeg ik uw cliënte door deze de onmiddellijk ingaande wettelijke rente aan over alle door mijn cliënten geleden schade (….)."

3. De vordering

3.1 [eiser] vordert -na wijziging van eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. de overeenkomst van partijen zal ontbinden, althans voor recht zal verklaren dat

[gedaagd bedrijf] [eiser] onder de gegeven omstandigheden niet aan de

contractsduur had mogen houden;

b. voor recht zal verklaren dat [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2] hebben te gehengen

en gedogen dat [eiser] de aanvankelijk door hem in der partijen

samenwerking ingebrachte klanten alsmede nieuwe klanten zal bedienen, zonder

dat zij daar enige concurrentiebepaling tegen kunnen opwerpen;

c. [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2] zal veroordelen tot vergoeding van de schade als

door [eiser] geleden als gevolg van tekortkomingen van [gedaagd bedrijf] en

[gedaagd bedrijf 2] uit hoofde van der partijen onder (a) bedoelde overeenkomst,

nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, onderworpen aan de

wettelijke rente, te rekenen vanaf 2 april 2002 tot aan de dag der algehele

voldoening;

d. [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2] zal veroordelen in de kosten van deze

rechtspleging, gebruikelijk salaris procureur daarin begrepen.

3.2 [eiser] legt aan zijn vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

In deze is sprake van een samenwerking van twee ondernemingen tot wederzijds nut, welke samenwerking naar aard en inhoud als een maatschap dient te worden gekwalificeerd. De aanduiding "dienstverleningsovereenkomst " is verwarrend. [eiser] verleent geen diensten aan [gedaagd bedrijf]. Partijen verlenen over en weer diensten aan elkaars klanten.

De oorzaak van het niet tot een goede ontwikkeling komen van der partijen samenwerking is geheel, althans in overwegende mate, bij [gedaagd bedrijf] gelegen.

[gedaagd bedrijf] weigerde ten onrechte haar medewerking te verlenen aan het beëindigen van de samenwerking per 1 januari 2001, zodat [gedaagd bedrijf] ter zake schadeplichtig is.

Tot de schade van [eiser] is te rekenen:

-een reparatie voor hetgeen [gedaagd bedrijf] aan "kortingen" op de fee van [eiser]

heeft ingehouden wegens aan haar zelf toe te rekenen overschrijding van

vooraf voor accountancywerk met klanten van [eiser] gemaakte

prijsafspraken;

-een compensatie voor het uitblijven van de verwachte omzetgroei -en de daarmee

gepaard gaande groei van de fee van [eiser]- nu het klantenbestand van

[gedaagd bedrijf] geen nieuwe BTW-klanten opleverde;

-een vergoeding wegens winstderving voor de periode vanaf 1 januari 2001 tot aan

de dag dat de door de rechtbank uit te spreken ontbinding van de maatschap

effectief zal zijn, nu [gedaagd bedrijf] zich ten onrechte tegen een ontbinding van de

maatschap per 1 januari 2001 heeft verzet.

[gedaagd bedrijf] kan hem in de gegeven omstandigheden niet aan het relatiebeding houden. Aan [eiser] komt dan ook absolute beroepsvrijheid toe.

4. Het verweer

4.1 [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2] concluderen ieder voor zich dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen met zijn veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 Op het verweer van [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van de ontvankelijkheid

5.1 Ten processe is komen vast te staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, dat [gedaagd bedrijf 2] geen vennoot is (geweest) van [gedaagd bedrijf], zodat [eiser] in zijn vordering, voor zover deze is gericht tegen [gedaagd bedrijf 2], niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.2 Nu onder aan het door [gedaagd bedrijf] gebruikte briefpapier staat vermeld: "[gedaagd bedrijf] is een maatschap, waarin wordt deelgenomen door besloten (beroeps-) vennootschappen (….) Bij het maatschapssecretariaat te Apeldoorn liggen de polis en de lijst met verantwoordelijke vennoten ter inzage (….)", is het aan [eiser] te wijten dat hij de verkeerde vennootschap in rechte heeft betrokken. [eiser] had immers bij -het secretariaat van- [gedaagd bedrijf] navraag kunnen doen naar de tot de maatschap behorende vennootschappen. Hij heeft dit ten onrechte nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagd bedrijf] bij [eiser] de indruk zou hebben gewekt dat [gedaagd bedrijf 2] deel uitmaakt(e) van de maatschap.

[eiser] dient dan ook te worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagd bedrijf 2] gevallen proceskosten.

6. De beoordeling van het geschil tussen [eiser] en [gedaagd bedrijf]

6.1 [gedaagd bedrijf] heeft zich niet verzet tegen de door [eiser] bij pleidooi gewijzigde eis, zodat op de aldus gewijzigde eis recht zal worden gedaan, met dien verstande dat uit hetgeen [eiser] in zijn akte na comparitie heeft gesteld kan worden afgeleid dat hij zijn vordering, strekkende tot ontbinding van de overeenkomst, niet langer wenst te handhaven.

Weliswaar heeft [eiser] bij akte na comparitie nog verzocht om het eerste petitum van de dagvaarding thans te lezen als een verklaring voor recht dat [gedaagd bedrijf] [eiser] had behoren toe te staan de overeenkomst per 1 januari 2001 te beëindigen, derhalve dat [gedaagd bedrijf] schadeplichtig is door hem dat te weigeren, doch die eiswijziging is in de akte niet als zodanig aangekondigd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

6.2 Anders dan [eiser] heeft aangevoerd, kan de samenwerkingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagd bedrijf] niet als een overeenkomst van maatschap worden gekwalificeerd. Immers, uit de inhoud van de overeenkomst komt duidelijk naar voren dat bij [gedaagd bedrijf] de wil heeft ontbroken om [eiser] meteen in de maatschap op te nemen. [eiser] zou eerst tot de maatschap kunnen toetreden, nadat aan een tweetal toelatingscriteria zou zijn voldaan. Aan [eiser] kwam in de zogenaamde voorfase ook geen aandeel in de winst van de maatschap [gedaagd bedrijf] toe. Daarvan zou eerst sprake zijn indien en nadat [eiser] zou zijn toegetreden tot de maatschap. Het feit dat [eiser] in het kader van de ten processe bedoelde overeenkomst eigen cliënten om niet heeft ingebracht alsmede dat door [eiser] verrichte werkzaamheden door [gedaagd bedrijf] bij de betreffende cliënt in rekening werd gebracht doet aan de afwezigheid van een maatschapsverhouding niet af.

Anders dan [gedaagd bedrijf] heeft aangevoerd kan de ten processe bedoelde overeenkomst niet als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7: 400 Burgerlijk Wetboek worden aangeduid. De bevoegdheid van de opdrachtgever is immers beperkt tot het geven van aanwijzingen aan de opdrachtnemer in het kader van de opdracht. Een verplichting tot het door de opdrachtnemer om niet inbrengen van eigen cliënten valt daar niet onder. Evenbedoelde verplichting is onverenigbaar met het bestaan van een overeenkomst van opdracht.

6.3 De overeenkomst van partijen -die evenmin als een arbeidsovereenkomst kan worden gekwalificeerd- dient als een sui generis contract te worden aangemerkt. De strekking van de onderhavige overeenkomst is duidelijk. [gedaagd bedrijf] had de behoefte aan het aantrekken van een zware BTW-specialist als [eiser]. Voor [gedaagd bedrijf] was opname van [eiser] in de maatschap bespreekbaar, doch zij wenste daartoe niet terstond over te gaan. [gedaagd bedrijf] wenste eerst te bezien in hoeverre [eiser] een toegevoegde waarde voor de bestaande maatschap had, vandaar dat tussen partijen een voorfase, welke in beginsel op 31 december 2001 zou eindigen, is overeengekomen, na afloop waarvan [eiser] tot de maatschap zou kunnen toetreden, mits hij aan een tweetal toelatingscriteria zou voldoen.

In de overeenkomst is niet de bevoegdheid van een der partijen geregeld om de overeenkomst gedurende de voorfase om haar moverende redenen op te zeggen. Dit wil -anders dan [gedaagd bedrijf] hebben bepleit- niet zeggen dat tussentijdse opzegging uitgesloten is.

De aard van de onderhavige overeenkomst verzet zich niet tegen tussentijdse opzegging, zij het dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de opzeggende partij een redelijke opzegtermijn in acht neemt.

De door [eiser] bij de hiervoor sub 2.4 vermelde brief van 30 november 2000 in acht genomen termijn van één maand is onredelijk kort, gelet op de voor [eiser] kenbare belangen van [gedaagd bedrijf] die [eiser] als zware BTW-specialist 'in huis' had gehaald, omdat [gedaagd bedrijf] een dergelijke specialist niet in haar gelederen had. [eiser] had moeten kunnen begrijpen dat [gedaagd bedrijf] niet binnen één maand -en nog wel de maand december- een vervanger voor hem zou kunnen aantrekken.

Feiten of omstandigheden welke met zich zouden kunnen brengen dat van [eiser] in redelijkheid niet kon worden gevergd om "nog één dag langer" voor [gedaagd bedrijf] te werken zijn gesteld noch gebleken. In ieder geval kan als zodanig niet gelden dat [eiser] ontevreden was over het feit dat zijn inkomsten bij [gedaagd bedrijf] voor het grootste gedeelte afkomstig waren van cliënten die door [eiser] zelf waren ingebracht en [gedaagd bedrijf] de met [eiser] overeengekomen beloningsregeling niet wenste aan te passen. Uit de inhoud van de overgelegde correspondentie kan evenmin worden afgeleid dat er tussen [eiser] en [gedaagd bedrijf] onoverbrugbare cultuurverschillen bestonden, althans niet is gebleken dat [eiser] dat aan [gedaagd bedrijf] voor het entameren van de onderhavige procedure heeft laten weten. Bij dit alles komt dat de aan [eiser] over het jaar 2000 toegekomen beloning substantieel hoger was dan de beloning die [eiser] in 1999 heeft ontvangen, zodat -ook al bleef de omzet van cliënten van [gedaagd bedrijf] achter bij de door [eiser] gestelde, doch door [gedaagd bedrijf] bestreden garantie- hierin geen deugdelijke grond kan zijn gelegen om de samenwerking in feite per onmiddellijke ingang te beëindigen.

De vordering, strekkende tot een verklaring voor recht dat [gedaagd bedrijf] [eiser] had behoren toe te staan de overeenkomst per 1 januari 2001 te beëindigen alsmede dat [gedaagd bedrijf] deswege schadeplichtig is, is dan ook niet voor toewijzing vatbaar. [eiser], die in zijn brief van 30 november 2000 heeft aangekondigd dat hij per 1 januari 2001 werkzaam is bij de Berk groep, heeft overigens in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden vanwege het feit dat [gedaagd bedrijf] hem tot 31 december 2001 aan zijn contract heeft willen houden.

6.4 De vordering strekkende tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, is evenmin voor toewijzing vatbaar. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] [gedaagd bedrijf] in gebreke heeft gesteld naar aanleiding van het feit dat [gedaagd bedrijf]

de -door laatstgenoemde bestreden- garantie dat cliënten van [gedaagd bedrijf] voor ongeveer 1.200 uur per jaar BTW-werkzaamheden voor [eiser] zouden opleveren niet zou zijn nagekomen, dat [gedaagd bedrijf] meer kantoorkosten aan [eiser] in rekening heeft gebracht dan zou zijn overeengekomen, alsmede dat [gedaagd bedrijf] calculatiefouten heeft gemaakt bij het door medewerkers van [gedaagd bedrijf] verrichten van accountancy-werkzaamheden ten behoeve van door [eiser] ingebrachte cliënten, waarbij de nadelige gevolgen daarvan voor rekening van [eiser] zijn gekomen.

6.5 Nu de samenwerkingsovereenkomst tussen [eiser] en Lodder hoe dan ook op 31 december 2001 is geëindigd, dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagd bedrijf] [eiser] aan het overeengekomen relatiebeding kan houden.

6.6 Het relatiebeding komt er -nu [gedaagd bedrijf] geen negatief oordeel over [eiser] heeft uitgesproken- op neer dat [eiser] gedurende 4 jaren (te rekenen vanaf 31 december 2001) zonder schriftelijke toestemming van [gedaagd bedrijf] geen cliënten van [gedaagd bedrijf] (onder wie begrepen gewezen cliënten, die cliënt waren in de periode 31 december 1999 tot 31 december 2001) mag benaderen danwel diensten daaraan mag verlenen (artikel 2 van het relatiebeding) alsmede dat [eiser] aan [gedaagd bedrijf] een goodwillsom verschuldigd is indien cliënten van [gedaagd bedrijf] binnen 4 jaar, te rekenen vanaf 31 december 2001 hun relatie met [gedaagd bedrijf] wensen te beëindigen en een relatie met [eiser] wensen aan te gaan (artikel 3 van het relatiebeding).

6.7 Onder cliënten van [gedaagd bedrijf] worden niet tevens verstaan de door [eiser] ingebrachte cliënten, nu het relatiebeding voor door [eiser] ingebrachte cliënten (in het geval van een negatief oordeel van [gedaagd bedrijf]) een aparte regeling kent. Voor zover dit anders zou zijn (op bladzijde 1 van de samenwerkingsovereenkomst worden de inbreng van [eiser] en cliënten van [gedaagd bedrijf] gezamenlijk tevens genoemd cliënten (van [gedaagd bedrijf])), dan is het naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagd bedrijf] zich ook ten aanzien van door [eiser] ingebrachte cliënten op artikel 2 en/of 3 van het relatiebeding zou mogen beroepen. Immers, [gedaagd bedrijf] zou in dat geval gedurende in elk geval 4 jaar, te rekenen vanaf 31 december 2001, met uitsluiting van [eiser] profiteren van de door [eiser] om niet ingebrachte cliënten. Dit zou een niet te rechtvaardigen bevoordeling van [gedaagd bedrijf] ten koste van [eiser] opleveren, te meer indien in aanmerking wordt genomen dat de door [eiser] ingebrachte cliënten ook voor [gedaagd bedrijf] gedurende de samenwerking voordeel hebben opgeleverd, niet alleen in die zin dat [gedaagd bedrijf] voor bedoelde cliënten, althans een aantal daarvan, accountancy-werkzaamheden heeft kunnen verrichten, doch ook in die zin dat [eiser] door de overeengekomen beloningsregeling in het eerste jaar voor 40% en in de volgende jaren voor 35% bijdroeg in de kantoorkosten (inclusief winstopslag) van [gedaagd bedrijf]. Dat het door [eiser] niet kunnen blijven bedienen van eigen klanten nadelig is, is evident.

[eiser] heeft dan ook recht en belang bij na te melden verklaring voor recht. De aard van een verklaring voor recht verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

6.8 In beginsel is [eiser] aan het relatiebeding gebonden, voor zover het betreft de eigen cliënten van [gedaagd bedrijf], niet zijnde door [eiser] ingebrachte cliënten. Deze cliënten mag hij dan ook gedurende de looptijd van het beding niet zonder toestemming van [gedaagd bedrijf] bedienen, dan wel is [eiser] daarvoor een goodwillsom aan [gedaagd bedrijf] verschuldigd.

Op voorhand valt niet in te zien dat [eiser] -naar analogie van het bepaalde in artikel 7:653 BW- in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagd bedrijf] ([eiser] is op de hoogte van het relatiebestand van [gedaagd bedrijf]) [eiser] door dat beding onbillijk zou worden benadeeld. Naar de eigen stellingen van [eiser] verrichtte hij immers gedurende de samenwerking met [gedaagd bedrijf] het leeuwendeel van zijn BTW-werkzaamheden voor door hemzelf ingebrachte klanten, welke klanten hij ook -op grond van het geen hiervoor is overwogen- na het beëindigen van der partijen samenwerking vrijelijk mag blijven bedienen, zonder dat [gedaagd bedrijf] ter zake een beroep op het relatiebeding toekomt.

6.9 Niet gezegd kan worden dat [gedaagd bedrijf] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid [eiser] niet zou mogen houden aan het relatiebeding. Het belang van [gedaagd bedrijf] om gedurende zekere tijd haar eigen klanten niet kwijt te geraken aan [eiser] is evident. Aan de andere kant is van belang dat [eiser] inmiddels werkzaam is bij de Berk groep en gesteld noch gebleken is dat hij thans substantieel nadeel ondervindt vanwege het feit dat [gedaagd bedrijf] hem aan het relatiebeding wenst te houden.

6.10 Het vorenoverwogene leidt tot na te melden beslissing. [eiser] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagd bedrijf] gevallen kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering, voor zover deze is gericht tegen [gedaagd bedrijf 2];

verklaart voor recht dat [gedaagd bedrijf] heeft te gehengen en gedogen dat [eiser] de aanvankelijk door hem in der partijen samenwerking ingebrachte klanten zal bedienen, zonder dat [gedaagd bedrijf] deswege een beroep kan doen op het in de ten processe bedoelde overeenkomst neergelegde relatiebeding;

wijst de overige tegen [gedaagd bedrijf] gerichte vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op de dag van deze uitspraak aan de zijde van [gedaagd bedrijf] en [gedaagd bedrijf 2] gevallen en begroot op € 181,51 aan verschotten en € 1.755,-- aan salaris van de procureur;

verklaart dit vonnis -voor wat betreft de proceskostenveroordeling- uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A.M. van der Kallen, M.C.J. Heessels en

G.W. Brands-Bottema en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

21 maart 2002.

Th/KA/HE/GB