Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE0111

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
29288/HA ZA 99-1178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2003, 164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 29288/HA ZA 99-1178

Uitspraak: 7 maart 2002

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

procureur: voorheen: mr. J.R. Dam, thans mr. F. Leemans,

advocaat: voorheen: mr. A.H.J. Cornelissen,

thans mr. H.G. Hilgevoord te Rotterdam,

en

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

allen wonende te [woonplaats] en

4. de gezamenlijke erfgenamen

van [overleden huisarts],

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

gedaagde partijen,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. Q.R.M. Falger te Utrecht.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiser] en [gedaagde 1] c.s..

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 december 1999;

- de conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

2.1 Sinds de jaren zeventig waren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [overleden huisarts] huisarts te [woonplaats]. Zij beschikten over de wettelijke vergunning ex art 6 lid 4 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG) om de artsenijbereidkunde uit te oefenen. De vergunning van [overleden huisarts] is door diens overlijden op 2 augustus 1997 vervallen. [gedaagde 3] heeft de praktijk van [overleden huisarts] voortgezet, waarbij hij de apotheek nog geruime tijd na het overlijden van [overleden huisarts] voor rekening en risico van de erven van [overleden huisarts] heeft voortgezet. Een klacht van [eiser] tegen de Inspectie voor de Gezondheidszorg, dat deze ondanks herhaalde verzoeken daartoe geen adequate actie heeft ondernomen om de apotheek van [gedaagde 3] te sluiten, is door de Nationale Ombudsman d.d. 29 juni 1999 gegrond verklaard.

2.2 [eiser] heeft zich per 1 april 1993 als zelfstandig apotheker te [woonplaats] gevestigd. Hij was de opvolger van apotheker [apotheker], die zich aldaar in december 1992 dan wel in februari 1993 gevestigd had. Al in oktober 1991 is [gedaagde 2] namens [eiser] benaderd door een adviesgroep voor vrije beroepen waarbij kenbaar werd gemaakt dat een apotheker voornemens was zich in [woonplaats] te vestigen (prod. 1 bij repliek). [eiser] heeft verder op 30 september 1992 en 23 november 1992 ook nog brieven aan de huisartsen (laten) zenden en hij heeft vele malen telefonisch contact met hen opgenomen.

De huisartsen hebben geweigerd met [eiser] kennis te maken.

2.3 [eiser] had op het moment dat hij zich in [woonplaats] vestigde geen medewerkers-overeenkomst met OostNederland Zorgverzekeraar, later Amicon genaamd, hierna te noemen OostNederland. [apotheker] had evenmin een medewerkers-overeenkomst.

2.4 Nadat [eiser] OostNederland had verzocht hem toe te laten als medewerker berichtte OostNederland hem bij brief van 19 april 1993 als volgt:

"(…) Aangezien door de aanwezigheid van drie apotheekhoudende huisartsen op dit moment de farmaceutische verzorging van onze verzekerden in [woonplaats] en directe omgeving in voldoende mate is gewaarborgd, bestaat er onzerzijds geen reden om thans met u een overeenkomst als ziekenfondsmedewerker aan te gaan.

Dit standpunt kan zich wijzigen, indien in de huidige situatie verandering optreedt en [woonplaats] als apotheekrijp kan worden aangemerkt. In dat geval zullen wij overwegen een overeenkomst als ziekenfondsmedewerker aan te gaan met diegene, die daar conform ons "vestigings- en spreidingsbeleid apothekers AVON en ON" het meest voor in aanmerking komt. Wij verzoeken u dan ook goede nota te nemen van dit - bijgevoegde - beleid. (…)"

Het "Vestigings- en Spreidingsbeleid apothekers AVON (Apothekersvereniging Oost Nederland, rb.) en ON (OostNederland, rb.)" van begin 1993, behelst onder meer het navolgende:

" ad.1. Vestiging in gebied apotheekhoudende huisartsen.

On heeft met apotheekhoudende artsen gecontracteerd en zal lopende contracten respecteren. Nieuwvestiging van apothekers in die gebieden, zonder dat de lopende vergunningen voor het verlenen van farmaceutische hulp zijn teruggegeven of ingetrokken, wordt (door On) niet voorgestaan. (…)

c. Een " wilde" vestiging van een apotheker.

On zal in een niet "apotheekrijp" verklaard gebied een contract weigeren.(…)"

Bij brief van 8 november 1993 berichtte OostNederland aan de vestigingscommissie AVON als volgt:

"(…) Naar aanleiding van het verzoek van de vestigingscommissie van de AVON om de gemeente [woonplaats] als apotheekrijp te zien conform de criteria, zoals gesteld in de vestigings- en spreidingsovereenkomst AVON/OostNederland, (…).

Op grond hiervan zijn wij van mening dat een apotheekrijpverklaring zoals voornoemd, door OostNederland niet kan worden afgegeven."

Per brief van 9 maart 1994 berichtte OostNederland aan KNMP onder meer het navolgende:

" (…) Met de AVON is overeengekomen dat OostNederland Zorgverzekeraar uitsluitend tot het verlenen van een optie op een nieuwe vestiging door een apotheker overgaat, wanneer binnen de contractscommissie overeenstemming bestaat over de apotheekrijpheid van het gebied. (…) De AVON is vooraf in kennis gesteld van het standpunt van OostNederland zorgverzekeraar om deze overname niet te doen plaatsvinden. De heer [eiser] heeft van OostNederland Zorgverzekeraar schriftelijk bericht gehad, dat er geen overeenkomst gegeven kon worden. OostNederland Zorgverzekeraar stelt zich (conform het vestigings- en spreidingsbeleid) op het standpunt dat:

1. zij een overeenkomst heeft voor de levering van farmaceutische hulp met die apotheekhoudende huisartsen, waarbij deze hulp is gewaarborgd;

2. pas wanneer de farmaceutische hulp niet meer gewaarborgd wordt (doordat de apotheekhoudende huisarts de farmaceutische hulp niet langer kan verlenen) er met een apotheker gecontracteerd zal worden;

3. er op dit moment geen sprake is van apotheekrijpheid van [woonplaats];

4. de apotheker, die zich buiten het kader van het vestigings- en spreidingsbeleid "wild" vestigt, dit voor eigen rekening en risico doet.

De uitspraak van de COGEBA doet hierbij niet terzake, zolang er nog een beroepsprocedure loopt bij de Raad van State."

2.5 Bij vonnis in kort geding van 30 oktober 1996 van de president van de rechtbank te Almelo is OostNederland onder meer veroordeeld tot het aangaan van een medewerkersovereenkomst met [eiser]. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd.

2.6 [apotheker] heeft de provinciale Commissie voor Gebiedsaanwijzing (Cogeba) verzocht om intrekking van de vergunningen van [gedaagde 1] c.s. ex art 6 lid 4 van de WOG. Deze procedure is door [eiser] overgenomen. [gedaagde 1] c.s. verweerden zich daartegen stellende dat [woonplaats] niet "apotheekrijp" was. Cogeba verwierp het verweer en trok op 28 juni 1993 de vergunningen in. Nadat [gedaagde 1] c.s. tegen die beslissing in beroep waren gegaan bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft de minister het beroep van [gedaagde 1] c.s. op 6 maart 1996 verworpen, waarbij zij overwoog: "(…) Belanghebbenden ([gedaagde 1] c.s., rb.) moet een termijn worden gegeven om zich te kunnen aanpassen aan de situatie dat de geneesmiddelenvoorziening voortaan zal gaan geschieden door een apotheker." Zij bepaalde dat de vergunningen van appellanten zouden worden ingetrokken met ingang van de eerste dag van de zevende maand na de datum waarop haar beslissing onherroepelijk was geworden.

2.7 [gedaagde 1] c.s. tekenden tegen die beslissing beroep aan bij de Sector bestuursrecht van deze rechtbank, waarna het beroep bij beslissing van 2 maart 1998 ongegrond werd verklaard. Hiervan gingen [gedaagde 1] c.s. in hoger beroep. Het hoger beroep tegen die beslissing eindigde met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 1998, waarbij de beslissing van de rechtbank werd bekrachtigd. Op grond van de beslissing van de minister van 6 maart 1996 waren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met ingang van 1 januari 1999 niet meer bevoegd apotheek te houden.

2.8 [eiser] heeft bij brief van 19 juli 1993 het navolgende aan [gedaagde 2] bericht:

" (…) Tot mijn spijt moet ik constateren dat mijn pogingen om, anders dan schriftelijk, met U en Uw [woonplaats]se collega's van gedachten te wisselen en/of kennis te maken, zijn mislukt.

Het bestaan van mijn apotheek en mij is realiteit en hoop dat een normale samenwerking en wederzijds respect ook in [woonplaats] realiteit zal worden.

Mijn apotheek voldoet aan de eisen zoals de Inspectie die stelt. Mijn vestiging als apotheker wordt gesteund door de AVON en de KNMP (VNA BV). Kortelings heeft de Cogeba Uw vergunning om apotheekhoudend te zijn, ingetrokken. Bovendien heeft de Stichting Dienstverlening KNMP [woonplaats] apotheek-rijp verklaard. Dit complex van factoren bepaalt de realiteit van mijn apotheekvestiging. (…)

Aangezien ik nu reeds 5 maanden in [woonplaats] gevestigd ben, wordt het tijd U strikt formeel ook een zakelijk aanbod te doen.

Indien U Uw apotheekpraktijk voor 31-12-1993 aan mij overdraagt, zal ik U per patiënt, ongeacht zijn verzekeringswijze, vergoeden een bedrag van f 95.00. Vanaf 01-01-1994 zal het door mij te vergoeden bedrag met 10% per maand afnemen. (…)

Het spreekt vanzelf dat dit zakelijk voorstel gezien moet worden als een leidraad van mijn mogelijkheden en een serieuze aanzet tot een zakelijke discussie. (…)".

2.9 Bij brief van 8 september 1993 antwoorden [gedaagde 1] c.s. als volgt:

"(…) Wij blijven van mening dat een apotheek te [woonplaats] geen haalbare kaart zal blijken te zijn.

Door dit nu toch uit te proberen, geeft u er o.i. blijk van een goed functionerende gezondheidszorg als primaire doelstelling niet in uw vaandel te hebben.

Uit uw brief blijkt, helaas, dat u een en ander als een commerciële aangelegenheid ziet.

Daarnaast is het ook nog zo, dat uw voorstel, met daarin een soort degressief tarief, beslist niet uitnodigt tot een kennismakingsgesprek.

Wij verzoeken u nogmaals uw pogingen om de apotheekvestiging door te zetten, definitief te beeindigen.

Wij vrezen, dat er door uw handelswijze uiteindelijk alleen maar verliezers resteren. (…)"

2.10 Bij brief van 23 januari 1997 deelt [eiser] het navolgende aan [overleden huisarts] mee:

"(…) Ondanks de ontwikkelingen van de afgelopen jaren wil ik, met name gezien de ontstane situatie, U nogmaals een bod doen ter overname van de farmaceutische verzorging van Uw patienten.

Het bod wordt gedaan als ultieme poging op de gebruikelijke manier deze farmaceutische verzorging over te nemen. Dit geschiedt in de overtuiging dat ik, bij voortduren van de procedure, in eerste instantie nu bij de administratieve rechter, ten finale in het gelijk gesteld zal worden

Bij acceptatie van het bod binnen de gestelde termijn neem ik de geleden aanloopverliezen geheel voor mijn rekening. Bij afwijzing echter, dan wel het laten verlopen van de gestelde termijnen, behoud ik mij alle rechten voor. Al mijn aanloopverliezen zullen alsdan verrekend worden met een eventueel aan U door mij te betalen goodwill.

Het bod luidt: Fl 1.000.000,= (een miljoen gulden) voor de drie praktijken te [woonplaats] tesamen. (…)."

[gedaagde 1] c.s. hebben niet op dit bod gereageerd.

2.11 Medio 1997 hebben [gedaagde 1] c.s. een aantal apothekers benaderd om hun apotheken over te nemen. In december 1997 hebben zij overeenstemming met [nwe apotheker] bereikt.

2.12 Het "CONTRACTEERBELEID FARMACEUTISCHE HULP OOSTNEDERLAND ZORGVERZEKERAAR" van 2 december 1997 bevat onder meer de navolgende bepalingen:

" 4. Specifieke beleidsregels

A. Criterium zorgplicht

(…)

Voor de contractering van farmaceutische hulp gaat OostNederland Zorgverzekeraar hierbij uit van de volgende (afstands) criteria:

(…)

8.000 zielen binnen een straal van 7 km afstand over de weg van de plaats van vestiging van een apotheek in rurale gebieden.

(…)

Indien de behoefte aan farmaceutische zorg dit voor haar verzekerden noodzakelijk maakt, kan OostNederland Zorgverzekeraar altijd bij haar contractering in negatieve of positieve zin afwijken van deze richtlijn.

B. Nieuwvestigingen

B.1. Nieuwvestiging in een gebied waar al een apotheek is gevestigd

In een gemeente of een omschreven gebied waarin reeds een of meer apotheken zijn gevestigd, is ruimte voor de vestiging van een nieuwe apotheek indien in principe aan de richtgetallen genoemd onder 4a wordt voldaan. Indien sprake is van een startende apotheek mag deze apotheek beginnen met in principe 3.000 zielen mits te verwachten valt dat binnen drie jaar na vestiging een aantal van 6.000/8.000 zielen wordt bereikt. De KNMP vestigingsadviesnorm voor apotheken kan aanvullend als hulpmiddel dienen ter beoordeling van de levensvatbaarheid van de nieuw te vestigen apotheek."

2.13 Op 4 maart 1998 hebben [gedaagde 1] c.s. samen met vertegenwoordigers van de KNMP en de VNA OostNederland, namens [nwe apotheker], die zich nog op geen enkele wijze had gepresenteerd bij OostNederland, verzocht een medewerkersovereenkomst te sluiten.

2.14 Bij brief van 18 maart 1998 deelt OostNederland aan [gedaagde 2] het navolgende mee:

" (…) Door ons is gesteld dat een tweede contract in [woonplaats] niet past binnen het huidige vestigingsbeleid van OostNederland. Wij zullen dan ook geen overeenkomst sluiten met een tweede apotheek in die gemeente. Echter wanneer een substantieel deel van onze verzekerden in [woonplaats] aangeeft dat men wenst te worden ingeschreven bij een andere apotheek, zullen wij, vanuit het oogpunt van klantvriendelijkheid en ingegeven door de toenemende marktwerking in de gezondheidszorg, aan deze wensen gehoor geven. Alleen dan wordt een tweede contract in [woonplaats] mogelijk. Tijdens ons overleg van 4 maart is door ons aangegeven dat wij minimaal 500 verzekerden uit de voormalige praktijk van dhr. [overleden huisarts] definiëren als een substantieel deel.(…)"

2.15 Bij brief van 29 april 1998 bericht N.B. Kylstra, inspecteur voor de Gezondheidszorg voor Gelderland en Overijssel onder meer het navolgende aan [gedaagde 1]:

" (…) Het gesprek van 27 april jl. vormde een vervolg op een eerder gesprek op 8 december 1997 waarin de situatie ten aanzien van de farmaceutische zorg in [woonplaats] en in het bijzonder de voortzetting van het apotheekgedeelte van de praktijk van wijlen de heer [overleden huisarts] aan de orde kwam.

In beide gesprekken heeft U aangegeven het ongewenst, zelfs onoverkomelijk, te vinden dat apotheker [eiser] de farmaceutische zorg voor de patiënten in [woonplaats] overneemt. U voert daarvoor een aantal redenen aan van persoonlijke en van zorginhoudelijke aard. U stelt dat het onmogelijk is om met [eiser] tot een goede samenwerking te komen, hetgeen u uit oogpunt van een goede zorgverlening voor uw patiënten als ongewenst beoordeelt

Uw afwijzing van de heer [eiser] als apotheker vanuit persoonlijke motieven berusten naar mij is gebleken voornamelijk op zijn gedragingen in de privé-sfeer. De tot dusver verstrekte informatie vormt voor mij echter onvoldoende grond om zijn capaciteiten als zorgverlener in twijfel te trekken. Ook een recente inspectie van apotheek [woonplaats] geeft mij geen aanleiding tot zwaarwegende bedenkingen."

2.16 Bij brief van 29 april 1998 bericht OostNederland aan haar verzekerden te [woonplaats] het navolgende :

"Geachte verzekerde,

(…)

Door het overlijden van de heer [overleden huisarts] is diens vergunning om geneesmiddelen te leveren per 2 augustus 1997 komen te vervallen. Inmiddels heeft de heer ten Elzen de praktijk van de heer [overleden huisarts] als waarnemer voortgezet.

Echter de Commissie voor de Gebiedsaanwijzing (COGEBA) voor de Provincie Gelderland heeft per 21 april 1998 beslist geen vergunning voor de levering van geneesmiddelen aan de heer [gedaagde 3] te verstrekken. Door dit besluit is het vanaf 15 mei voor u niet meer mogelijk om via de heer [gedaagde 3] medicijnen te krijgen.

U dient zich daarom te laten inschrijven bij een apotheker in uw woonplaats of de dichtstbijzijnde omgeving daarvan waarmee OostNederland Zorgverzekeraar een overeenkomst heeft gesloten.

Met de volgende dichtstbijzijnde apotheken hebben wij een overeenkomst gesloten:

(volgt een lijst van apotheken, rb.)

U kunt uw keuze kenbaar maken door deze aan te geven op uw mutatiekaart welke aan uw bewijs van inschrijving is gehecht. (…)".

2.17 Naar aanleiding van deze brief van OostNederland werden op instigatie van [gedaagde 1] c.s. in de plaatselijke supermarkten en horecabedrijven affiches opgehangen met een oproep om die brief niet te beantwoorden en met de aankondiging dat men binnenkort een brief van [gedaagde 1] c.s. zou ontvangen.

2.18 [gedaagde 3] schrijft op 5 mei 1998 namens [gedaagde 1] c.s. de navolgende brief:

"Aan diegenen, die ziekenfonds-verzekerd zijn bij Oost Nederland Zorgverzekeraar en ingeschreven staan bij apotheek [overleden huisarts]

Betreft: introductie nieuwe apotheek [nwe apotheek] van de heer [nwe apotheker]

(…) Na goed overleg is de gezamenlijke conclusie van dokter [gedaagde 1], dokter [gedaagde 2] en indertijd ook van dokter [overleden huisarts] en mij, om (…) de drie apotheken van de huisartsenpraktijk los te koppelen en deze gezamenlijk over te dragen Deze overdracht moest dan wel geschieden aan een apotheker van onze gezamenlijke keuze, waarin wij veel vertrouwen hebben en waarmee wij verwachten goed te kunnen samenwerken. Met deze apotheker kan dan een kwalitatief goede geneesmiddelenvoorziening, met een sluitend systeem voor de bewaking van bijwerkingen van de medicijnen, opgezet worden. (…) In de brief van Oost Nederland wordt u de mogelijkheid geboden om te kiezen uit meerdere apotheken, ook verspreid rondom [woonplaats]. Dat vinden wij bijzonder ongelukkig, juist om bovenstaande redenen. Met Oost Nederland zijn wij echter ook in overleg getreden en wij hebben de gelegenheid gekregen u alvast de komst van de apotheker van onze gezamenlijke keuze aan te kondigen. Het betreft de heer V. [nwe apotheker], die voornemens is een apotheek te openen. (…) In dit verband merk ik op dat Zorgverzekeraar Oost Nederland uitdrukkelijk heeft toegezegd dat zij een contract met de heer [nwe apotheker] zal afsluiten indien een aanzienlijk aantal handtekeningen van al de ziekenfonds-verzekerden, die nog op naam van dokter [overleden huisarts] staan, worden aangeboden.(…) Samenvattend verzoek ik u: 1: Op de mutatiekaart van Oost Nederland de naamsticker van de apotheek van de heer [nwe apotheker] te plakken en te sturen aan Oost Nederland. 2: Bijgaand antwoordformulier te ondertekenen en zo spoedig mogelijk af te geven op de praktijk of terug te zenden. (…)"

Bij deze brief was een "ANTWOORDFORMULIER" gevoegd met de navolgende inhoud:

" Familienaam : ……………………..

Aantal personen (verplicht verzekerd bij Oost Nederland):……

Adres/postcode: ……………………

Plaats : …………………………….

verzoekt/verzoeken ingeschreven te worden bij

"apotheek [nwe apotheek]" de gezamenlijke keuze van de drie [woonplaats]se huisartsen.

(…).

2.19 Vervolgens haalde de assistente van [gedaagde 3] de antwoordformulieren bij de patiënten op, terwijl mevrouw [overleden huisarts] in het verzorgingstehuis De Bundeling bij alle patiënten langs is geweest.

2.20 Bij brief van 11 mei 1998 heeft [eiser] geprobeerd een gesprek met [gedaagde 1] c.s. te arrangeren. Bij brief van 28 mei 1998 laten zij weten daartoe open te staan en contact te zullen opnemen. Per brief van 18 juni 1998 verzoekt [eiser] [gedaagde 1] c.s. gevolg te geven aan hun toezegging tot een gesprek, waarna nog enige correspondentie volgt. Bij brief van 4 juni 1999 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde 1] c.s. aansprakelijk gesteld. Daarop verzocht [gedaagde 3] bij brief van 7 juni 1999 om een gesprek. Een gesprek heeft niet plaatsgevonden.

2.21 In september/oktober 1998 hebben [gedaagde 1] c.s. hun apotheken overgedragen aan [nwe apotheker]. [nwe apotheker] kreeg een medewerkersovereenkomst met OostNederland nadat OostNederland daartoe bij vonnis in kort geding was veroordeeld.

2.22 Een klacht van [eiser] tegen [nwe apotheker] bij de Raad van Tucht van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie (KNMP) is op 14 december 1998 op alle onderdelen gegrond verklaard, waarbij [nwe apotheker] voor de duur van een jaar geschorst is in de rechten van het gewone lidmaatschap van de KNMP.

2.23 Bij deze rechtbank is onder rolnummer 29286/HA ZA 99-1177 een zaak aanhangig tussen [eiser] als eiser en [nwe apotheker] als gedaagde.

3. De vordering

3.1 [eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde 1] c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen tot betaling van de door [eiser] als gevolg van onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 1999, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

3.2 [eiser] legt aan zijn vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

[gedaagde 1] c.s. hebben jegens hem onrechtmatig gehandeld:

a. omdat zij geweigerd hebben met hem te overleggen en te onderhandelen ook toen duidelijk was dat de vergunningen zouden worden ingetrokken;

b. omdat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt aan OostNederland, waardoor OostNederland tot een onjuist besluit kwam;

c. omdat zij de Inspectie voor de Gezondheidszorg bewogen hebben de medicijnverstrekking door [gedaagde 3] te gedogen;

d. omdat zij OostNederland heeft bewogen om van haar contracteerbeleid af te wijken, uiteindelijk ten voordele van [nwe apotheker];

e. omdat zij hun brief van 5 mei 1998 aan de ziekenfondspatiënten niet hebben opgesteld conform de door OostNederland gestelde voorwaarden;

f. omdat zij die patiënten in hun brief van 5 mei 1998 beïnvloed hebben in de vrije keuze van een apotheker en daardoor hun positie hebben misbruikt;

g. omdat zij gebruik hebben gemaakt van de omstandigheid dat [nwe apotheker] in strijd met zijn verplichtingen jegens de KNMP met [gedaagde 1] c.s. onderhandeld heeft;

h. omdat zij op alle mogelijke manieren de praktijkvoering van [eiser] bemoeilijkt hebben;

i. omdat zij handelen in strijd met artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet.

4. Het verweer

4.1 [gedaagde 1] c.s. concluderen dat de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 De verweren van [gedaagde 1] c.s. zullen , zo nodig, hierna bij de beoordeling worden betrokken.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Bij de beoordeling van het geschil wordt tot uitgangspunt genomen, dat uit de WOG en de geschiedenis van haar totstandkoming blijkt dat aan deze wet de doelstelling ten grondslag ligt, dat de geneesmiddelenvoorziening, in het belang van de volksgezondheid, in de eerste plaats en bij voorkeur door een apotheker dient te geschieden. [gedaagde 1] c.s. hebben tegen die achtergrond steeds rekening moeten houden met de mogelijkheid dat zich in de gemeente [woonplaats] een apotheker zou vestigen, hetgeen met de komst van [apotheker] ook is gebeurd, en dat zij alsdan na korte of langere tijd hun vergunningen zouden verliezen.

5.2 Bezien in dit kader mocht [eiser] bij zijn aantreden in [woonplaats] in beginsel van de huisartsen verwachten dat zij dit wettelijke primaat van de apotheker zouden respecteren en dat zij de nodige stappen zouden zetten om tot een normalisering van de geneesmiddelen-

verstrekking te [woonplaats] te geraken. Die stappen zijn door de huisartsen jegens [eiser] echter nimmer gezet, noch direct bij zijn komst, noch op het moment dat het hun duidelijk was geworden dat hun positie volstrekt onhoudbaar dreigde te worden en uiteindelijk ook is geworden, integendeel.

Uit de feiten, zoals onder 2 weergegeven, blijkt dat door de huisartsen niet alleen van meet af aan ieder (serieus) gesprek met [eiser] geweigerd is, in welke houding zij jaren hebben volhard, maar ook dat zij uiteindelijk de komst naar [woonplaats] van een tweede apotheker met misbruik van hun marktpositie en met volstrekte miskenning van de belangen van [eiser], op oneigenlijke wijze hebben gefaciliteerd.

5.3 Vast staat dat [gedaagde 1] c.s. medio 1997, zonder zelfs maar te hebben afgetast of en in hoeverre zakelijke overeenstemming met [eiser] alsnog kon worden bereikt, zelf het initiatief hebben genomen om in onderhandeling te treden met [nwe apotheker], een apotheker met wie zij geen enkele professionele ervaring hadden en zonder dat tot op heden van enigerlei valide bezwaren tegen [eiser] is gebleken, anders dan mogelijke bezwaren in de privé-sfeer, waarvan de inspecteur voor de volksgezondheid de heer N.B. Kylstra, terecht heeft aangegeven dat die onvoldoende grond vormen om zijn capaciteiten als zorgverlener in twijfel te trekken. Die sfeer is door [gedaagde 1] c.s. echter wel in het leven geroepen, niet alleen jegens de inspectie, maar, veel bezwarender, ook jegens hun patiënten, met wie zij een vertrouwensrelatie onderhielden.

Hoewel zijn naam in de door [eiser] gewraakte brief van 5 mei 1998 niet wordt genoemd, is dit schrijven in de gegeven context dermate suggestief in voor hem negatieve zin, dat moeilijk anders mocht worden verwacht dan dat een groot aantal patiënten het antwoordformulier zou ondertekenen, te meer waar [gedaagde 1] c.s. dit schrijven middels affiches in supermarkten en horacagelegenheden hadden aangekondigd, de assistente van [gedaagde 3] zich heeft ingespannen om de antwoordformulieren thuis op te halen en de weduwe van [overleden huisarts] met dat doel onder meer alle patiënten in het verzorgingshuis De Bundeling heeft bezocht. Ten gevolge van deze acties kon uiteindelijk ten behoeve van [nwe apotheker] een medewerkersovereenkomst met OostNederland in rechte worden afgedwongen, zonder welk contract een levensvatbare vestiging van [nwe apotheker] of welke apotheker dan ook in [woonplaats] uitgesloten moet worden geacht.

5.4 Door aldus te handelen en de komst van [nwe apotheker] naar [woonplaats] te faciliteren hebben [gedaagde 1] c.s. op onrechtmatige wijze de verdere uitbouw van de apotheek van [eiser] ernstig geschaad, zij het dat die schade voor [eiser] eerst is ingetreden op het moment dat de vergunningen van [gedaagde 1] c.s. expireerden. Gezien de termijn die door de minister van VWS in haar beschikking van 6 maart 1996 was bepaald, vervielen de vergunningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 1 januari 1999. De vergunning van [overleden huisarts] was reeds, eerder, op 2 augustus 1997 door diens overlijden vervallen.

Anders dan [eiser] meent, valt het [gedaagde 1] c.s. niet euvel te duiden dat zij hun positie als vergunninghouders hebben verdedigd met de hun daartoe beschikbare rechtsmiddelen, ook al had het aanwenden daarvan van meet af aan wellicht weinig kans van slagen, noch dat zij de met de vergunningen samenhangende marktpositie zouden hebben benut tot de dag dat hun dat juridisch onmogelijk werd.

5.5 Ten aanzien van de erven [overleden huisarts] en [gedaagde 3] wordt geoordeeld dat dezen de apotheek van [overleden huisarts] hebben voortgezet na het expireren van de vergunning van [overleden huisarts]. Het moment waarop die onrechtmatige gedraging zijdens de erven van der Wal en [gedaagde 3] is aangevangen wordt gesteld op 1 oktober 1997, waarbij een redelijke termijn van enige weken na het overlijden van [overleden huisarts] in aanmerking wordt genomen, zulks in navolging van hetgeen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Nationale Ombudsman hebben overwogen.

5.6 De vaststelling van de datum, 1 januari 1999, als aanvangsmoment voor de door [eiser] geleden schade waarvoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn en 1 oktober 1997 voor de erven [overleden huisarts] en [gedaagde 3], brengt met zich dat kan worden voorbijgegaan aan het (juridische) debat dat partijen hebben gevoerd over onder meer de andere verwijten, die door [eiser] aan het adres van [gedaagde 1] c.s. worden gemaakt ten aanzien van hun handelen vanaf zijn komst te [woonplaats], zoals de gestelde overtreding van de Mededingingswet en het beroep op verjaring, wat er overigens ook zij van het niveau van dit handelen.

Wel dient bij de beoordeling nog te worden betrokken het beroep dat door [gedaagde 1] c.s. is gedaan op artikel 7:453 BW.

5.7 [gedaagde 1] c.s. hebben met een beroep op art 7:453 BW en onder verwijzing naar HR 8 december 2000, NJ 2001/122 aangevoerd dat zij hun voorkeur voor [nwe apotheker], die anders dan [eiser] wel hun vertrouwen genoot, aan de patiënten kenbaar mochten maken.

De zorgplicht van art 7:453 BW, op basis waarvan [gedaagde 1] c.s. een voorkeur voor een apotheker zouden mogen laten blijken, dient echter wel gerelateerd te zijn aan de voor hen geldende professionele standaard, zoals dit artikel voorschrijft. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten kan niet gezegd worden dat [gedaagde 1] c.s. conform die standaard hebben gehandeld. Vast staat immers dat zij geen negatieve ervaringen hadden met [eiser] - hooguit was sprake van bezwaren tegen [eiser] privé, zie de brief van Kylstra van 29 april 1998 - terwijl zij anderzijds in het geheel geen professionele ervaring hadden met [nwe apotheker]. Het beroep op art 7:453 BW wordt derhalve verworpen.

5.8 [eiser] heeft met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid aangevoerd dat [gedaagde 1] c.s. in groepsverband gehandeld hebben, zodat reeds op die grond sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit verwijt treft doel: vast staat immers dat zij, zoals hierboven reeds meer is overwogen, gezamenlijk hebben gehandeld ten nadele van [eiser]. Zij zijn derhalve op de voet van art 6:166 BW hoofdelijk voor de schade aansprakelijk.

5.9 Nu de schade die [eiser] lijdt, vanaf 1 oktober 1997 voor wat betreft de erven [overleden huisarts] en [gedaagde 3] en vanaf 1 januari 1999 voor wat betreft [gedaagde 1] en [gedaagde 2], reeds voldoende is uitgekristalliseerd, zal de zaak niet naar de schadestaatprocedure verwezen worden. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld de schade bij conclusie na tussenvonnis te onderbouwen.

5.10 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 april 2002 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiser] met de hiervoor onder 5.9 bedoelde inhoud;

bepaalt dat [gedaagde 1] c.s. hierop bij antwoordconclusie mogen reageren.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Vergunst, M.F.J.N. van Osch en R. Prakke-Nieuwenhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2002.

SE/VG/OS/RP