Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AD9912

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
07-03-2002
Zaaknummer
02/323
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 104
Module Ruimtelijke ordening 2002/3365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 02/323

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eibergen, verweerder.

Derde-partij: [derde partij] te Eefde (vergunninghoudster).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 januari 2002, waarbij aan [derde partij] vergunning is verleend voor het oprichten van een sportgebouw op het perceel, kadastraal bekend gemeente [Y], sectie M, nummer 1179, plaatselijk bekend [adres] 16 te [woonplaats].

2. Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 7 februari 2002 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 15 februari 2002 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 maart 2002, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door drs. R.A.M. van Woerden, specialist ruimtelijke ordening en milieu bij GLTO Bedrijfsadvies. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.P.M. Franck en mw. A.M. Holl. Namens [derde partij] is verschenen M.A. Tournier, locatiemanager van [derde partij] te [woonplaats].

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker exploiteert een veehouderij aan de [adres] 10 te [woonplaats]. Verzoeker vreest dat hij door de jeugdinrichting van [derde partij] ten behoeve waarvan de sporthal wordt gebouwd beperkt zal worden in de ontwikkeling van zijn veehouderij en maakt zich zorgen om de veiligheid in de buurt van de jeugdinrichting. De stallen van de veehouderij liggen op korte afstand van de inrichting.

Op het perceel waarop het sportgebouw is gepland is het bestemmingsplan "Buitengebied" van kracht. Blijkens de plankaart rust op het betreffende perceel de bestemming "bijzondere instelling". In artikel 15, eerste lid, van de voorschriften van voornoemd bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming "bijzondere instelling" bestemd voor een gebruik ten behoeve van de Van Ouwenaller-vereniging (sociaal-maatschappelijke hulpverlening) alsmede ten behoeve van een begraafplaats uitsluitend daar waar dat op de plankaart met een gebiedsbegrenzing en lettercode Bg als zodanig is aangegeven, een en ander met bijbehorende bebouwing en voorzieningen, alsmede de bescherming van landschapswaarden.

In artikel 15, tweede lid, van de planvoorschriften zijn de bebouwingsvoorschriften opgenomen. In artikel 15, tweede lid, onder 1c, is bepaald dat bebouwing ten behoeve van sportvoorzieningen zoals een zwembad en een sporthal is toegestaan.

Verzoeker is van mening dat de huidige activiteiten van de inrichting niet worden gedekt door de in het bestemmingsplan voorgeschreven functie "sociaal maatschappelijke hulpverlening". Feitelijk is een deel van de inrichting volgens verzoeker een penitentiaire inrichting.

Door verweerder is ter zitting uiteengezet dat [derde partij] een particuliere Justitiële Inrichting is voor jongens en meisjes van 12 tot maximaal 23 jaar. Zij hebben ernstige gedragsproblemen en worden om die reden door het Ministerie van Justitie in de inrichting geplaatst. [derde partij] ontwikkelt en voert interventies uit bij jongeren die in aanraking zijn gekomen of dreigen te komen met de justitiële keten. De interventies beogen een persoonlijke en maatschappelijke aanvaardbare leefstijl bij jongeren te ontwikkelen. Hiertoe is een geïntegreerd behandelprogramma ontwikkeld: scholing, werk, wonen en vorming van sociale netwerken. Veel gebezigde terminologie binnen dit werkveld is sociaal maatschappelijke hulpverlening. Hieronder wordt verstaan dat (her)opvoeding, verzorging en behandeling als resultaat heeft dat jongeren terug kunnen keren binnen het maatschappelijke bestel, zonder weer in aanraking te komen met Justitie of terug te vallen in het eerdere ongewenste gedrag. [derde partij] is geen penitentiaire inrichting. In een penitentiaire inrichting worden vrijheidsbenemende straffen ten uitvoer gelegd. Voorts worden daarin jongeren opgesloten in het kader van preventieve hechtenis. Deze tenuitvoerlegging vindt plaats in daartoe speciaal door het Ministerie van Justitie aangewezen en ingerichte voorzieningen: genaamd: opvanginrichtingen. [derde partij] heeft deze status niet.

Van de zijde van [derde partij] is ter zitting verklaard dat [derde partij] zowel een open als een gesloten inrichting is. De jongeren worden in deze inrichting geplaatst onder de noemers van 'ondertoezichtstelling', 'voogdij' of 'plaatsing in een jeugdinrichting (PIJ).

Het gebruik als sociaal-maatschappelijke hulpverlening is in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan "Buitengebied" niet nader omschreven. Ook in de toelichting op het bestemmingsplan wordt niet omschreven wat onder de doeleindenomschrijving sociaal-maatschappelijke hulpverlening dient te worden verstaan.

De rechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de jeugdinrichting van [derde partij] (uitsluitend) fungeert als een inrichting voor sociaal-maatschappelijke hulpverlening. Doorslaggevend voor dit oordeel is dat de PIJ-maatregel een strafmaatregel is, welke mede gericht is op vrijheidsbeneming. De omstandigheid dat met de PIJ-maatregel ook beoogd wordt een weer aanvaardbare persoonlijke en maatschappelijke leefstijl bij de jeugdigen te ontwikkelen maakt dit niet anders. Nu de inrichting naar voorlopig oordeel niet aangemerkt kan worden als een inrichting voor sociaal-maatschappelijke hulpverlening, kan niet anders worden geoordeeld dan dat het in geding zijnde sportgebouw in strijd is met de bestemming "bijzondere instelling".

Gelet op het vorenstaande is de rechter van oordeel dat de bouwvergunning bij de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet niet in stand kan worden gelaten.

Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve voor inwilliging in aanmerking.

In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

- schorst het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ter zake van verleende rechtsbijstand tot een bedrag van s 644,--, te betalen door de gemeente [Y];

- gelast dat de gemeente [Y] het betaalde griffierecht van s 109,-- aan verzoeker vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: