Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AD9389

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-02-2002
Datum publicatie
20-02-2002
Zaaknummer
38081 HA ZA 00-785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 34081 HA ZA 00-785

Uitspraak: 14 februari 2002

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eiseres],

echtgenote van [echtgenoot],

wonende te [woonplaats]

eisende partij,

procureur: mr. H. Grootjans,

en

[gedaagde], echtgenote van [echtgenoot]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. J.W.H.M. Koers te Doesburg.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ het vonnis van 4 januari 2001

­ het proces-verbaal van de op 28 maart 2001 gehouden comparitie van partijen;

­ de akte uitlating van de zijde van [gedaagde]

­ de conclusie van repliek tevens antwoordakte

­ de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 24 oktober 1997 heeft een handgemeen plaatsgevonden tussen [eiseres] en [gedaagde].

2.2 [gedaagde] is ter zake mishandeling van [eiseres] bij op tegenspraak gewezen en inmiddels in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter te Zutphen d.d. 28 april 1999 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot het betalen van een geldboete van

ƒ 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

[eiseres] is ter zake mishandeling van [gedaagde] door de politierechter te Zutphen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot het betalen van een geldboete van ƒ 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis. [eiseres] is in hoger beroep gegaan en door het Gerechtshof te Arnhem vrijgesproken van het tenlastegelegde.

2.3 In 1995 heeft [eiseres] een neuscorrectie ondergaan omdat zij verstoppingsklachten ondervond.

2.4 In het proces-verbaal van Politie [district] - met bijlagen -, mutatienummer PL 0642/97-681968, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 oktober 1997 gesloten en op ambtsbelofte ondertekend te [plaats] door [agent] van poltitieteam [team], staat onder meer als aangifte van [eiseres], echtgenote van [echtgenoot]:

"(…)

Gisteren middag op 24-10-97 waren mijn kinderen buiten op straat aan het spelen. Dit was omstreeks 16.30 uur. Ik heb gehoord van mijn kinderen dat het bezoek van de buren, wonende op perceel nummer 24, mijn dochter met een ijzeren stang hadden achterna gezeten.

(…)

Mijn zoon [zoon eiseres] heeft later, buiten op straat, met bladeren gegooid. Deze bladeren kwamen ook terrecht op een van de kinderen die bij de buren op bezoek waren. Ik was in de keuken bezig toen ik mijn twee kinderen hysterisch hoorde schreeuwen. Ik ben toen naar de voordeur gelopen en ik zag dat mijn kinderen naar binnen renden. Ik had de voordeur nog niet open en er werd al een schoen naar binnen gegooid. Ik heb gezien dat [dochter gedaagde], de dochter van de buurvrouw, die schoen had gegooid.

(…)

Ik ben op de uitrit tot de aanhangwagen gelopen, ik had de telefoon in de hand, want ik was met mijn man aan het bellen.

(…)

De buurvrouw en haar dochter kwamen op mij afstormen. Ik ben toen weer naar binnen gelopen, maar daar kreeg ik niet goed de kans voor. Binnen in de gang op de deurmat vlogen de buurvrouw en haar dochter mij aan. Zij hebben allebei mij bij de armen gepakt. Ik heb dat gezien en gevoeld. Dat deed geen pijn. Ik heb niet gezien met welke hand zij mij hebben vastgepakt, want het ging allemaal heel snel. Doordat zij mij hebben vastgepakt ben ik achterover gevallen en ben ik waarschijnlijk met mijn hoofd tegen de plint gevallen. Ik kan mij nog wel herinneren dat ik een felle pijn in mijn hoofd voelde toen ik met mijn hoofd tegen de plint was gevallen. De buurvrouw en haar dochter lagen boven op mij, want ik lag op de grond in de gang. Ik voelde dat zij met z'n tweeen aan mijn haren trokken, ik voelde daardoor een felle pijn.

Verder weet ik niet meer wat er is gebeurd.

(…)"

2.5 In het proces-verbaal - met bijlagen -, mutatienummer PL 0642/97-681968 in de wettelijke vorm opgemaakt en op 26 oktober 1997 gesloten en op ambtseed ondertekend te [plaats] door [hoofdagent] van poltitieteam [team], staat onder meer als verklaring van [getuige]:

"(…)

Ik was aan het eten koken en had voor die tijd vanuit mijn woonkamer al gezien dat een vijftal turkse kinderen op straat aan het spelen waren. De kinderen van [echtgenoot] liepen er ook tussen, maar waren erg vervelend.

Ik zag dat [gedaagde] de moeder van dat 2 jarige turkse meisje naar buiten kwam en [eiseres] hierover aansprak. Ik zag dat de moeder van [gedaagde] voor haar eigen tuin bleef staan. Ik kon zien dat daar wat harde woorden vielen. [gedaagde] waarschuwde [eiseres] dat het afgelopen moest zijn. Daarna gingen ze allemaal weer naar binnen. Alleen de turkse kinderen bleven op straat spelen.

Zoals [eiseres] mij later die dag heeft verteld, heeft zij binnen haar zoontje [zoon eiseres] opgestookt en gezegd: "Ga maar op je eigen grond staan. Als dat kleine ding er aan komt sla je haar er maar van af", of in dit soort bewoordingen.

Ik zag dat even later [zoon eiseres] (9 jaar) en [dochter eiseres] (6 jaar) weer naar buiten kwamen. Ik zag hoe [zoon eiseres] naar dat 2 jarig turks meisje liep en haar een klap gaf. Dat gebeurde wel vaker.

Zoals ik al zei wordt hij steeds opgejut door zijn moeder. Na dit hele voorval heeft zij mij 's avonds laat nog gezegd dat zij de greep in de schuur had staan, om als het onkruid daar kwam van hun grond te kunnen slaan. Met onkruid bedoelde ze die turkse kinderen mee. Ze doet wel vaker van dat soort uitlatingen richting haar turkse buren en schreeuwt dan tegen hen alsof ze illegalen zijn. Dit nemen haar kinderen [zoon eiseres] en [dochter eiseres] vanzelfsprekend over. Die reageren namelijk al net zo.

Nadat [zoon eiseres] dat kleine meisje had geslagen zag ik hoe [gedaagde] vanuit de voordeur met haar moeder naar buiten vloog. Ze hadden kennelijk gezien dat [zoon eiseres] haar had geslagen. Ik kon nog net zien dat [gedaagde] een witte slipper in de richting van [eiseres] gooide, die tegen de ruit in de voordeur knalde. Ik hoorde een hoop geschreeuw en ben direct vanuit de woonkamer naar de voordeur gelopen om te kijken wat daar allemaal gebeurde.

(…)

Daarna wilde ik weer terug gegaan naar [eiseres]. Die stond inmiddels weer op de benen. Ik kreeg toen de indruk dat ze mij verweet dat ik het voor die turkse mensen had opgenomen, terwijl ik alleen maar heb ingegrepen om erger te voorkomen. Ik weet verder ook niet wat mij bezielde om in te grijpen. Het gebeurde voor ik er erg in had. Later ben ik om dit recht te zetten nog naar [eiseres] gegaan om te zeggen waarom ik dit had gedaan. Ik hoorde toen dat er uit haar achterhoofd een grote pluk haar was getrokken. Toen ik dat stukje haar zag werd ik echt even onpasselijk. Verder had zij diverse kneuzingen opgelopen. [eiseres] vertelde mij toen dat [gedaagde] met haar moeder aan de deur was gekomen en dat zij zelf een schop had gegeven in de buik van de moeder en [gedaagde] een schop tegen haar mond en gezicht had gegeven. Dat vertelde ze tenminste, dat ze die ook een schop had gegeven, voordat ze haar te pakken namen. Dat kon ik ook wel zien want de onderlip van [gedaagde] bloedde. Wie van hen nu was begonnen met schoppen en slaan heb ik niet gezien of gehoord.

(…)"

2.6 In dat proces-verbaal - met bijlagen -, staat onder meer als verklaring van [getuige] gehoord op 28 oktober 1997:

"(…)

De eerste keer dat het kind van mijn dochter geslagen was, is mijn dochter naar de moeder daarvan gegaan en heeft gezegd, dat haar kind haar dochter had geslagen. Die vrouw heeft zich daar niets van aangetrokken en zei alleen maar dat als die geslagen had, dan zou dat wel zo zijn. Mijn dochter [gedaagde] is daarna thuisgekomen en wilde net de politie bellen. Net op dat moment, werd mijn kleinkind opnieuw geslagen. Ik zag dat dat kind op de grond terecht kwam. Mijn dochter legde de telefoon neer en ging direct naar buiten.

Daarop is mijn dochter weer naar die vrouw gegaan en heeft daar aangebeld. Zij zei dat het alweer was gebeurd dat haar kind was geslagen door haar kind. Ze was net klaar met haar zin toen ze een schop tegen haar gezicht kreeg van die vrouw. Ik zag dat [gedaagde] op de grond viel. Die vrouw ging boven op haar zitten en greep haar bij de keel. Ik zag dat gebeuren en ben naar mijn dochter toegelopen met de bedoeling om die twee uit elkaar te halen. Toen ik daar net was aangekomen, kreeg ik een schop van die vrouw tegen mijn borst en viel achterover. Terwijl ik op de grond lag, ben ik overeind gekomen en heb ik mijn dochter geholpen om ook overeind te komen. Ondertussen werd ik door die vrouw bekrabt en geslagen in mijn gezicht.

(…)

Ik heb haar met geen vinger aangeraakt, niet met een. Ik heb ook niet gezien dat [gedaagde] haar geslagen heeft. Ik kan me dat niet voorstellen, want [gedaagde] lag daar op de grond, terwijl die buurvrouw bezig was om met tweehanden haar keel dicht te knijpen.

Ik heb gezien dat de buurvrouw [gedaagde] een schop gaf voordat [gedaagde] op de grond viel. Daarna ging ze bovenop haar zitten. Zoals gezegd ben ik toen naar hun toe gelopen.

(…)"

2.7 In dat proces-verbaal - met bijlagen - staat onder meer als verklaring van [gedaagde] gehoord op 28 oktober 1997:

"(…)

Vrijdag 24 oktober 1997, omstreeks 17.00 uur, was ik op bezoek bij mijn moeder. (...)

Mijn neefjes kwamen op een gegeven moment naar binnen en vertelden dat de buurkinderen de hele tijd zand naar hun gooiden.

(…)

Ik zag dat de moeder van [zoon eiseres], [eiseres] [echtgenoot], inmiddels ook naar buiten was gekomen. Ik ben naar haar toegelopen en heb haar gezegd dat ze op haar kinderen moest oppassen. Zij zei gelijk, je moet wegwezen en donder op. Daarbij duwde ze mij tegen de schouder en zei nog: "Dan moet je de politie maar gaan bellen".

(…)

Ik had de telefoon gepakt en wilde bellen, maar kon het nummer niet zo gauw vinden. Toen hoorde ik mijn dochtertje ineens hard huilen. Ik heb de telefoon aan de kant gegooid en ben gelijk naar buiten gerend.

(…)

Mijn moeder liep achter mij aan. Ik rende als eerste. Ik zag nog net dat [zoon eiseres] mijn dochtertje tegen de rug schopte en daarna hard naar binnen rende. Ik zag dat [dochter eiseres] ook naar binnen rende en dat [eiseres] vlak bij de deur stond. Ik heb niet gegooid met een slipper. Ik wilde zeggen dat zij nu moest oppassen.

Ik zag dat zij zich omdraaide en in een beweging met haar linkervoet in een grote zwaai tegen mijn mond schopte. Ik voelde een felle pijn tegen mijn onderlip. Ik voelde en zag dat deze direct begon te bloeden. Ik voelde dat zij mij direct daarop bij de hals greep. Zij greep mij met een hand bij de hals, terwijl ze mij met haar andere hand aan de haren begon te trekken. Ze wilde mij mee naar binnen trekken, maar ik kon dat grotendeels voorkomen. Ik probeerde haar van mij af te duwen. Ik heb haar toen ook bij haar haar vast gepakt en heb daar hard aan getrokken. Ik kan mij niet meer herinneren of ik daarbij een pluk haar heb losgetrokken.

Het deed mij zelf in ieder geval vreselijk veel pijn. We zijn toen allebei gevallen op de grond. We lagen toen voor in het halletje direct bij de voordeur. Ik lag half over [eiseres]. Ik lag op de grond en kon niet meer opstaan, omdat ik een felle pijn voelde in mijn rug. Mijn moeder wilde mij helpen op te staan, maar kreeg op dat moment van [eiseres] een schop in haar buik. Ik zag dat [eiseres] mijn moeder ook nog een stomp wilde geven in het gezicht, maar de muur raakte. Anders had mijn moeder nu het gezicht ook kapot gehad. Mijn moeder is van 1949, dus 58 jaar oud. Mijn moeder heeft mij opgepakt en wilde mij meenemen naar huis.

Het klopt niet dat [getuige] zegt dat zij mijn moeder en mij van [eiseres] heeft afgetrokken. Wij waren er toen reeds mee opgehouden. [getuige] heb ik wel zien staan, maar zag dat zij gewoon in de deuropening bleef tot dat wij weer opstonden. [getuige] heeft mij wel verteld dat ik de politie moest bellen en alles netjes moest vertellen. Ik ben met haar naar haar woning gegaan om daar de politie te bellen. Mijn moeder is gelijk naar haar eigen huis gelopen. De politie is een kwartiertje later inderdaad gekomen.

(…)

Wij zijn begonnen met vechten, buiten voor de voordeur. [eiseres] trok mij met zich mee naar binnen. Anders was ik haar nooit achter na gegaan. Ik ben haar dus pertinent niet achterna gegaan om haar in haar eigen huis in elkaar te slaan. Ik ben daar dus niet zonder toestemming naar binnen gegaan en heb geen huisvredebreuk gepleegd. Ik moest immers wel met haar mee naar binnen, daar zij mij met zich meesleurde. Ik werd door haar aan de haren meegesleurd de woning in.

(…)

Ik ben dan wel als verdachte gehoord maar doe hierbij tevens aangifte van mishandeling en voel mij daarom meer slachtoffer dan dader.

(…)"

2.8 In het proces-verbaal - met bijlagen -, mutatienummer PL 0642/97-402276, staat onder meer als ambtelijk verslag:

"(…)

Uit het bedrijfs Processen Systeem dat in gebruik is bij de politieregio [regio] waaronder dit team [team] ook ressorteert bleek dat in het verleden vaker politiebemoeienis was gevraagd en verleend op voornoemde locaties.

Herhaaldelijk bleken de kinderen van de familie [echtgenoot], [zoon eiseres] (9 jaar) en [dochter eiseres] (6 jaar) zich minder sociaal te gedragen ten opzichte van met name turkse kinderen die daar op straat speelden.

Dit leidde er veelal toe dat naaste buren danwel buurtbewoners verder uit de straat, hierover met hen ruzie kregen en bedreigingen werden geuit door- en tegen de familie [echtgenoot] [eiseres].

Uit het buurtonderzoek kwam duidelijk naar voren dat men de indruk had dat de beide ouders [echtgenoot], hun kinderen aanspoorden tot geweld en racisme zodra een (turks) kind zich op hun inrit vervoegde. Dit wordt ook bevestigd in de getuigenverklaring van [getuige].

Tevens bleek uit de nazorg gesprekken die wij verbalisanten, alsmede ook de medewerkers van buro Slachtofferzorg en Maatschappelijk werk [medewerkers], met de familie [echtgenoot]/[eiseres] hadden, dat men ongenuanceerd en racistisch denkt en meent te kunnen handelen richting allochtone bevolkingsgroepen.

(…)

Uit het B.P.S. systeem bleek dat de broer van [eiseres], [broer eiseres], de familie [gedaagde] later diezelfde dag op een bedreigende manier had benaderd en daarbij met zijn vlakke hand een snijbeweging onder zijn kin had gemaakt, alsof er 'koppen gingen rollen'.

Ook zou hun moeder [eiseres], direct na het voorval in de woning van de familie [gedaagde] zijn binnengedrongen en daar de nodige bedreigingen hebben geuit.

Toen vader [eiseres], op 24 oktober 1997 omstreeks 20.00 uur, in de woning van zijn dochter, aan de voordeur werd bedreigd door vermoedelijk de man van verdachte/benadeelde [gedaagde], heeft hij hiervan aangifte gedaan. Doordat deze man werd tegengehouden door twee secundanten waren er geen feitelijkheden voorgevallen en is deze zaak niet verder onderzocht en ter kennisgeving aangenomen.

(…)"

3 De vordering

3.1 [eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen om aan [eiseres] tegen afgifte van een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag groot ƒ 10.100,95, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van ƒ 8.769,63 vanaf 2 mei 2000 en de wettelijke rente over het bedrag van ƒ 2.777,28 vanaf 16 mei 2000 tot de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2 [eiseres] legt aan haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

Op 24 oktober 1997 heeft [gedaagde] [eiseres] in haar woning mishandeld. [eiseres] heeft hierdoor letselschade en materiële schade geleden. [gedaagde] dient de door [eiseres] geleden schade te vergoeden, nu deze schade een gevolg is van het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. [eiseres] vordert vergoeding van immateriële en materiële schade tot een bedrag van ƒ 10.100,95. Een deel van voornoemd schadebedrag groot ƒ 5.000,00 vormt de vergoeding van immateriële schade.

Het gevorderde bedrag ter zake materiële schade bestaat uit:

- gezinshulp periode oktober 1997- april 1998 ƒ 440,00

- 3 x ziekenhuisbezoek Doetinchem ƒ 36,00

- 1 x ziekenhuisbezoek Radboud Nijmegen ƒ 46,40

- 1 x bezoek Haarlem lasertherapie-onderzoek

voor herstel kale plek op hoofd ƒ 120,00

- onbetaald verlof echtgenoot ƒ 2.102,28

- kapot getrokken shawl ƒ 14,95

- opname ziekenhuis zomer 1999, 5 dagen begrote kosten

gezinshulp + reizen ƒ 500,00

- kosten voor rechtsbijstand ƒ 510,00

- 9 maal bezoek ziekenhuis Nijmegen à 120 km is

1080 km à ƒ 0,60 is ƒ 648,00

- parkeergeld ƒ 27,00

- door echtgenoot opgenomen snipperuren m.b.t. tot

ziekenhuisbezoek en opvang huishouding

102 ½ uur à ƒ 20,51 bruto ƒ 2.102,28

4. Het verweer

4.1 [gedaagde] concludeert dat de rechtbank de vordering van [eiseres] zal afwijzen, althans [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

4.2 [gedaagde] voert de navolgende verweren aan.

[gedaagde] betwist een onrechtmatige daad gepleegd te hebben. [gedaagde] is wel aanwezig geweest bij een handgemeen, waarbij [eiseres] betrokken is geweest, maar ze heeft niet een zodanig handelende rol gespeeld als door [eiseres] wordt aangegeven. [gedaagde] betwist met name dat zij [eiseres] zodanig aan de haren zou hebben getrokken, dat [eiseres] een bloedende hoofdverwonding zou hebben opgelopen.

Er is sprake van medeschuld c.q. eigen schuld van [eiseres]. [eiseres] is zelf de burenruzie aangegaan en heeft zelf actief fysiek geweld toegepast.

[gedaagde] betwist dat het door [eiseres] gestelde letsel het gevolg zou zijn van onrechtmatig handelen van de kant van [gedaagde]. [gedaagde] betwist tevens dat de materiële schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van haar zijde.

De immateriële schadevergoeding dient te worden afgewezen omdat sprake is van medeschuld c.q. eigen schuld, dan wel risicoaanvaarding aan de zijde van [eiseres]. De gestelde neusscheefstand heeft geen relatie met het trauma maar betreft een oude scheefstand. De gevorderde schadevergoeding verband houdende met voornoemde scheefstand dient te worden afgewezen. De pijnlijke rechterhand van [eiseres] komt doordat zij zelf met kracht tegen de muur heeft geslagen. De gezinshulp die [eiseres] heeft genomen, omdat zij zich bezeerd heeft is dan ook geheel voor eigen rekening en risico.

[gedaagde] betwist tevens de hoogte van de schade. De loonderving door de echtgenoot van [eiseres] is geen schadecomponent waarop door [eiseres] aanspraak kan worden gemaakt, nu dit geen door [eiseres] zelf geleden schade vormt.

[gedaagde] merkt op dat ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde kilometervergoeding, de verzekeringsmaatschappijen in schadekwesties doorgaans ƒ 0,40 per kilometer hanteren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vooropgesteld wordt dat een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit.

5.2 Nu vaststaat dat [gedaagde] door de politierechter in Zutphen bij een op tegenspraak gewezen en inmiddels in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld ter zake mishandeling van [eiseres] is door [eiseres] dwingend bewijs geleverd van de mishandeling van [eiseres] door [gedaagde] op 24 oktober 1997.

5.3 [gedaagde] betwist een onrechtmatige daad gepleegd te hebben en met name dat zij [eiseres] zodanig hard aan de haren heeft getrokken dat [eiseres] daar een bloedende hoofdwond aan heeft overgehouden. Vervolgens heeft [eiseres] haar stellingen op dit punt nader gemotiveerd. In het licht van deze nadere onderbouwing is de rechtbank van oordeel dat van [gedaagde] verwacht mocht worden dat zij haar betwisting nader zou motiveren. Zij heeft dit echter in onvoldoende mate gedaan. De betwisting ten aanzien van de hoofdwond doet niet ter zake nu [eiseres] ook niet heeft gesteld dat zij een bloedende hoofdwond aan de mishandeling door [eiseres] heeft overgehouden. Nu [gedaagde] heeft nagelaten haar betwisting nader te motiveren komt de rechtbank niet toe aan het door haar gedane - algemene - bewijsaanbod en zal [gedaagde] niet in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs. Derhalve dient te worden aangenomen dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

5.4 [eiseres] vraagt vergoeding van de door haar geleden letsel-/immateriële schade en de door haar geleden materiële schade. [gedaagde] betwist dat het door [eiseres] gestelde letsel het gevolg zou zijn van onrechtmatig handelen van de kant van [gedaagde]. [gedaagde] betwist tevens dat de materiële schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van haar zijde. Er is sprake van medeschuld c.q. eigen schuld van [eiseres]. [eiseres] is zelf de burenruzie aangegaan en heeft zelf actief fysiek geweld toegepast.

Uitgangspunt is dat de benadeelde moet stellen en zo nodig aannemelijk moet maken dat de schade in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat de schade aan de schuldenaar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de schadevergoedingsplicht in beginsel verminderd. Van belang is daarbij of de benadeelde zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen.

5.5 [eiseres] betwist dat sprake is van eigen schuld. Zij voert daartoe aan dat het gerechtshof tot de conclusie is gekomen dat [eiseres] de haar tenlastegelegde feiten niet heeft begaan en dat aan de uitspraak van het gerechtshof op grond van artikel 188 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) dwingend rechtelijke bewijskracht dient te worden toegekend. Artikel 188 Rv. bepaalt echter dat een vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan dwingend bewijs oplevert van dat feit. Nu dit derhalve niet geldt voor een vrijspraak, gaat het verweer van [eiseres] op dit punt niet op.

5.6 Uit de op ambtseed/-belofte opgemaakte processen-verbaal, zoals opgenomen onder 2.4 tot en met 2.8, volgt dat [eiseres] zelf het handgemeen heeft uitgelokt door haar zoon aan te zetten het dochtertje van gedaagde aan te pakken. Uit voornoemd proces-verbaal volgt tevens dat ook uit het buurtonderzoek naar voren is gekomen dat [eiseres] haar kinderen aan heeft gespoord tot geweld en racisme zodra een (turks) kind zich op hun inrit vervoegde. Uit de verklaringen opgenomen in de processen-verbaal, die door de getuigen ondertekend zijn, valt niet op te maken wie de eerste klap/schop heeft uitgedeeld, wel is duidelijk geworden dat [eiseres] zelf eveneens geweld heeft toegepast, dat zij [gedaagde] heeft mishandeld en dat zij het handgemeen heeft uitgelokt via haar zoon. Vaststaat daarbij dat het aandeel van [eiseres] in het handgemeen in ieder geval niet minder is geweest dan dat van [gedaagde] en tevens dat [eiseres] zelf zeer bepalend betrokken is geweest bij het handgemeen.

Nu het aandeel eigen schuld van [eiseres] in ieder geval niet minder is dan het aandeel schuld van [gedaagde] kan vastgesteld worden dat de eigen schade in belangrijke mate een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiseres] zelf kan worden toegerekend. Tevens van belang is dat beide partijen elkaar bij het handgemeen hevige pijn hebben bezorgd, doch dientengevolge niet aantoonbaar duurzame letsels (van betekenis) hebben opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat de billijkheid in het onderhavige geval eist dat, rekening houdend met de relevante omstandigheden zoals de ernst van de gedragingen en van de daardoor geschonden norm en de mate waarin de gedragingen [eiseres] verweten kunnen worden, de vergoedingsplicht volledig dient te vervallen.

5.7 Nu de vergoedingsplicht van [gedaagde] volledig dient te vervallen kan in het midden blijven of de scheefstand van de neus van [eiseres] en de operatie die [eiseres] heeft moeten ondergaan een gevolg is geweest van mishandeling door [gedaagde]. Ook kan in het midden blijven of de pijnlijke rechterhand van [eiseres] komt doordat zij zelf met kracht tegen de muur heeft geslagen of doordat zij steun probeerde te vinden aan de muur omdat zij door [gedaagde] en haar moeder zou zijn omver geworpen.

5.8 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de gevorderde schadevergoeding verband houdende met de ziekenhuisbezoeken niet voor toewijzing in aanmerking gekomen zouden zijn nu niet gebleken is dat sprake is van redelijkerwijs noodzakelijk gemaakte kosten. Hetzelfde geldt voor de opgevoerde kosten voor gezinshulp en opvang in de huishouding

5.9 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

wijst de vordering van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op H 215,55 aan verschotten en op H 1.159,41 aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.M. van der Kallen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2002.

BE/KA

KOSTENSTAAT:

Verschotten:

dagvaarding: ¦ 00,00

vastrecht: ¦ 475,00

---------------

Totaal: ¦ 475,00 = H 215,55

Salaris Procureur:

Tarief: ƒ 730,00

Waardering van de verrichte werkzaamheden in punten: 3,5

punten: 3,5 x tarief: ƒ 730,00 = ƒ 2.555,00 = H 1.159,41

***************************************************************

Opmerkingen: de door gedaagde genomen akte heb ik als een akte met bijzondere inhoud mee laten tellen. Het is toch aan eiseres te wijten (gedaagde heeft de conclusie van eis niet ontvangen) dat gedaagde die akte diende te nemen.