Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AD8165

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
01/1399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Woningwet 52, geldigheid: 2002-01-14
Woningwet 56, geldigheid: 2002-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 27

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1399

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

X en 16 anderen, allen wonende te Y, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder,

alsmede de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Rijksgebouwendienst, directie-Oost), derde-partij.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 september 2001, met kenmerk 4266/2000.

2. Feiten en procesverloop

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan de derde-partij vergunning verleend voor het bouwen van een kantoortoren met een hoogte van 60 meter (toren H) op het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie G, nummer 4931 (ged.), plaatselijk bekend John F. Kennedylaan (terrein Walterbosch-complex).

Het voorliggende bouwplan is onderdeel van een integraal herhuisvestingsplan van de Belastingdienst. Het Walterbosch-complex zal met name worden gebruikt voor de huisvesting van het Belastingdienst Automatiseringscentrum (BAC).

Voorafgaand aan het verlenen van de bouwvergunning is op 28 februari 2001 door de Belastingdienst een melding gedaan krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet Milieubeheer met betrekking tot de bouw van de onderhavige kantoortoren en het veranderen van toren G en enkele installatieve wijzigingen (CV-installaties) aan gebouw F, welke melding verweerder bij besluit van 25 mei 2001 heeft geaccepteerd.

Mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Arnhem, heeft bij brief van 31 oktober 2001 namens verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 december 2001. Namens verzoekers is mr. Berenschot voornoemd verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema, mr. J. Schoneveld en R.A. Feber, ambtenaren der gemeente. Namens de derde-partij zijn mr. W.J.A. Vellekoop en ir. R.J.P. van Bottenburg verschenen.

Ter zitting hebben partijen er mee ingestemd dat eerst op het onderhavige verzoek wordt beslist na ontvangst van de beslissing van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Voorzitter) op het tegen het besluit tot acceptatie van de melding van 25 mei 2001 gerichte verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van 7 januari 2002 heeft de Voorzitter verweerders besluit van 25 mei 2001 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

In het bestreden besluit is de voorwaarde opgenomen dat de te bouwen kantoortoren eerst in gebruik mag worden genomen nadat een nog te bouwen parkeergarage (met een capaciteit van 504 parkeerplaatsen) volgens de bij het besluit overgelegde gegevens daadwerkelijk is gerealiseerd en in gebruik is genomen.

Met het stellen van deze voorwaarde heeft verweerder kennelijk beoogd te voorkomen dat de bouw van de kantoortoren, waarop de bouwvergunning betrekking heeft, tot gevolg zal hebben dat een met artikel 2.5.30, eerste lid van de in verweerders gemeente geldende bouwverordening strijdige situatie zal ontstaan. Genoemd artikellid luidt: indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge artikel 56, derde lid, van de Woningwet mogen aan een bouwvergunning slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen strekken, krachtens welke de bouwvergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.

De voorzieningenrechter stelt allereerst op grond van het verhandelde ter zitting vast dat verweerder met het in het bestreden besluit opnemen van de hier in geding zijnde voorwaarde, in afwijking van hetgeen in verweerders gemeente te doen gebruikelijk is, geen voorwaarde heeft verbonden aan de bouwvergunning als zodanig, doch louter aan de ingebruikneming van het vergunde bouwwerk. Naar voorlopig oordeel biedt echter noch artikel 56, derde lid, van de Woningwet, noch enige andere (wettelijke) bepaling een juridische grondslag voor het stellen van een dergelijke voorwaarde.

Bovendien moet worden betwijfeld of de onderhavige voorwaarde voldoende zeker stelt dat de parkeergarage ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd en in gebruik zal worden genomen, met name nu voorshands niet gebleken is dat de voor de bouw van deze parkeergarage vereiste bouwvergunning al is verleend. Gelet hierop is vooralsnog onvoldoende gewaarborgd dat de bouwvergunning in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de in verweerders gemeente geldende bouwverordening is verleend.

Tenslotte is de voorzieningenrechter er gelet op de in rubriek 2 genoemde uitspraak van de Voorzitter van 7 januari 2002 vooralsnog niet van overtuigd dat de aanvraag om de hier in geding zijnde bouwvergunning niet ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet had moeten worden aangehouden.

Onder deze omstandigheden moet worden gezegd dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, thans een voorlopige voorziening vereist als hierna te melden.

In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek hebben moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Derhalve wordt als volgt beslist.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

schorst de bestreden bouwvergunning;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 644,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Apeldoorn;

gelast dat de gemeente Apeldoorn het betaalde griffierecht van € 102,-- aan verzoekers vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: