Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AE7280

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-07-2001
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
30730 / HA ZA 00-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Rolnummer: 30730 / HA ZA 00-207

Uitspraak: 26 juli 2001

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

procureur: mr. J.H. Stam,

en

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

procureur: mr. J. Schep.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 22 februari 2000

- de conclusie van eis, tevens akte tot vermeerdering van eis

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens akteverzoek tot wijziging eis

- de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 27 december 1993 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [eiser] en [gedaagde] betrokken zijn geweest.

2.2 Ten tijde van het ongeval bestuurde [eiser] een motorrijtuig terwijl [gedaagde] op de fiets was.

2.3 [gedaagde] was ten tijde van het ongeluk 14 jaar oud.

2.4 [gedaagde] heeft erkend voor de helft van de schade aansprakelijk te zijn en heeft een deel van de schadeposten erkend, te weten:

- kleding schade ƒ 790,-

- verloren pen ƒ 100,-

- twee pyjama's ƒ 60,-

- bloemetjesgeld ƒ 437,50

- medische kosten apotheek ƒ 11,20

- rolstoelbus ƒ 25,-

- huur televisie ƒ 105,-

- totaal ƒ 1.528,70

[gedaagde] heeft tevens erkend een bedrag van ƒ 60.000 ter zake van smartengeld verschuldigd te zijn.

3. De vordering

3.1 [eiser] vordert -na vermeerdering en wijziging van eis- dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, zulks op te maken bij staat en volgens de wet te vereffenen, welke tot op heden begroot kan worden op

ƒ 206.208,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over de schadecomponenten vanaf 2 februari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening en hem te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 15.243,25, kosten rechtens.

3.2 [eiser] legt aan zijn vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

Op 27 december 1993 moest [eiser], rijdende over de [weg] te [woonplaats], welke weg een voorrangsweg is, plotseling uitwijken omdat [gedaagde] zonder voorrang te verlenen op een onverlichte fiets de [weg] overstak.

Door deze uitwijkmanoeuvre is [eiser] in een slip geraakt en de macht over het stuur kwijtgeraakt. Ten gevolge van dit ongeval heeft [eiser] schade geleden waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is.

4. Het verweer

4.1 [gedaagde] concludeert dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen met zijn uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 [gedaagde] voert de navolgende verweren aan.

[eiser] had de aanrijding kunnen voorkomen door zijn snelheid aan te passen aan de beperkte zichtomstandigheden, althans door zich te houden aan de geldende maximumsnelheid. [eiser] had kunnen stoppen in plaats van uit te wijken en heeft het ongeval derhalve mede aan zichzelf te wijten. Indien [eiser] tijdens het ongeval zijn veiligheidsgordel had gedragen had hij geen letsel gehad.

Deze omstandigheden brengen met zich dat [eiser] de helft van de schade zelf zal moeten dragen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre aan artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 en de in de rechtspraak ontwikkelde 50%-regel reflexwerking toekomt, dat wil zeggen in hoeverre deze bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn in het geval dat de eigenaar van een motorrijtuig de door hem geleden letselschade wil verhalen op een fietser die ook schuld heeft aan het ongeval en die op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Allereerst dient het beroep op overmacht dat [eiser] heeft gedaan, te worden beoordeeld. Dit beroep gaat slechts op als [eiser] aannemelijk maakt dat aan hem ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De fout van [gedaagde] is daarbij alleen van belang indien zijn verkeersgedrag voor [eiser] zo onwaarschijnlijk was dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden.

Ter onderbouwing van zijn beroep op overmacht heeft [eiser] gesteld dat op het moment dat [gedaagde] overstak hij niets anders kon doen dan uitwijken. Op het moment dat hij moest uitwijken was volgens [eiser] de afstand tussen hem en [gedaagde] hooguit 50 meter en gelet op de remweg, zelfs bij een snelheid van 70 km per uur, zou hij indien hij getracht zou hebben te remmen [gedaagde] geraakt hebben.

Nu [gedaagde] dit gemotiveerd heeft betwist zal [eiser] worden toegelaten tot bewijslevering van deze stellingen.

5.2 Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 4 mei 2001 heeft overwogen, kan overeenkomstige toepassing van de 100%- en 50%-regel in het geval aan de bestuurder letselschade is toegebracht niet op een breed maatschappelijk draagvlak rekenen, zeker als het gaat om bepaalde schadeposten waartegen de bestuurder niet is verzekerd, terwijl de aansprakelijkheidsverzekering van de fietser deze schade wel dekt. Derhalve zal steeds van geval tot geval eerst de door art. 6:101 lid 1 geëiste causaliteitsafweging moeten worden gemaakt, waarna de billijkheidscorrectie aan de orde kan komen.

Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid -gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken- een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, waaronder het al dan niet verzekerd zijn, van de bestuurder en de aansprakelijk gestelde fietser.

[gedaagde] heeft aangevoerd voor niet meer dan de helft van de schade aansprakelijk te zijn gelet op de toedracht van het ongeval en het niet dragen van de veiligheidsgordel door [eiser].

Nu [eiser] stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de volledige schade als gevolg van het door [gedaagde] veroorzaakte ongeval, rust op hem de bewijslast van de aansprakelijkheid van [gedaagde]. Hij zal derhalve tevens worden belast met het bewijs van de toedracht van het ongeval.

5.3 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

laat [eiser] toe tot bewijs van:

- feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat ten tijde van het onder 2.1 genoemde verkeersongeval sprake was van overmacht;

- de toedracht van het ongeval;

bepaalt dat, zo [eiser] het bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, getuigen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank, Martinetsingel 2, voor mr. S. van Lokven, op een nader te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de enquêterol van 9 augustus om partijen in de gelegenheid te stellen opgave te doen van het aantal -en voor zover mogelijk- de personalia van de te horen getuigen bij (tegen)getuigenverhoor alsmede om de verhinderdata over de periode 1 september 2001 tot 1 november 2001 over te leggen, voor welk overleggen geen uitstel zal worden verleend, derhalve ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Lokven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2001.

Lv/St