Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AD8011

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
01/90 WAOCON
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AP2423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak vernietigd door Centrale Raad van Beroep; LJN AP2423

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 10:18
Gemeentewet 156
Gemeentewet 164
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 01/90 WAOCON

UITSPRAAK

in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, eiser,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door USZO BV, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 december 2000

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2000 heeft verweerder de WAO-uitkering van Z, werkzaam als ambtenaar bij de gemeente Apeldoorn, met ingang van 29 juni 2000 beëindigd.

Bij brief van 17 juli 2000 heeft eiser op eigen naam tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 augustus 2001, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. M. Lebbing en verweerder niet is verschenen.

3. Motivering

3.1. De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat eiser niet als belanghebbende bij het ten aanzien van de heer Z genomen WAO-besluit kan worden aangemerkt.

3.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Volgens het tweede lid van dit artikel worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

Ingevolge artikel 164, derde lid, van de Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de gemeente of aan het gemeentebestuur hetzij een recht van beroep, hetzij een recht om bezwaar te maken toekomt, spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar

ingetrokken, indien de raad de beslissing van het college van burgemeester en wethouders tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt.

Ingevolge artikel 156 van de Gemeentewet kan de raad aan het college van burgemeester en wethouders bevoegdheden van de raad overdragen.

3.3. Verweerder heeft erop gewezen dat een WAO-besluit als het onderhavige – in verband met het systeem van premiedifferentiatie volgens de Wet Pemba – de financiële belangen van de werkgever van de betrokkene raakt en dat de gemeente Apeldoorn de werkgever van de heer Z is. Verweerder is dan ook van mening dat de gemeente Apeldoorn in dit geval is aan te merken als belanghebbende en niet het college van burgemeester en wethouders, aangezien het onderhavige WAO-besluit niet een aan het college toevertrouwd belang als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb raakt.

Verweerder heeft voorts betoogd dat de regeling van artikel 164, derde en vierde lid, van de Gemeentewet en de mogelijkheid van delegatie ingevolge artikel 156 Gemeentewet enkel handelen over de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om zonder voorafgaande toestemming van de gemeenteraad te beslissen dat de gemeente beroep instelt of bezwaar maakt, maar niet met zich brengen dat de hoedanigheid van belanghebbende verschuift van de gemeente naar het college. In gevallen waarin de gemeente belanghebbende is en het college handelt krachtens artikel 164, derde lid, van de Gemeentewet dan wel krachtens delegatie door de raad, dient het college in de zienswijze van verweerder duidelijk kenbaar te maken dat gehandeld wordt namens de gemeente.

Verweerder is dan ook van mening dat eiser, door op eigen naam bezwaar te maken, zich ten onrechte een zelfstandig recht om bezwaar te maken heeft aangemeten.

3.4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier aan de orde zijnde financiële belang als een aan de gemeenteraad toevertrouwd belang kan worden beschouwd. Eiser heeft – onder overlegging van het raadsdelegatiebesluit van 18 november 1999 – erop gewezen dat de bevoegdheid tot het instellen van bezwaar, beroep en hoger beroep tegen bestuursrechtelijke besluiten door de raad aan hem is gedelegeerd. Eiser is daarom van mening dat hij in het onderhavige geval bevoegd was om op eigen naam bezwaar te maken.

3.5. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat niet het college van burgemeester en wethouders (dan wel de gemeenteraad), maar de gemeente Apeldoorn als belanghebbende bij het primaire besluit moet worden aangemerkt.

3.6. De rechtbank is echter, anders dan verweerder, van oordeel dat artikel 164, derde lid, van de Gemeentewet – gelet op de bewoordingen ervan – aldus moet worden uitgelegd dat hierin aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt toegekend, niet alleen om te beslissen dat beroep wordt ingesteld of bezwaar wordt gemaakt, maar ook om zelf (spoedshalve) zodanige proceshandelingen te verrichten. Het college oefent daarbij een eigen bevoegdheid uit en kan dan ook zelf als procespartij optreden. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen in het geval dat aan het gemeentebestuur het recht van bezwaar en beroep toekomt, maar ook in het geval dat dit recht aan de gemeente toekomt omdat deze belanghebbende is. De rechtbank wijst in dit verband op de bijdragen van J.F. de Groot in Gemeentestem 7073, blz. 189, en A.H.M. Dölle in JB-plus, 1999, aflevering 2, blz. 64, alsmede op de annotatie van N. Verheij (punt 4) in AB 2001/108.

3.7. In lijn met het voorgaande is de rechtbank voorts van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders eveneens over een eigen bevoegdheid tot het optreden als procespartij beschikt wanneer de bevoegdheid tot het maken van bezwaar en het instellen van beroep door de raad aan hem is overgedragen, ook in de gevallen waarin niet het gemeentebestuur maar de gemeente als belanghebbende is aan te merken. De rechtbank wijst hierbij op punt 5 in eerdergenoemde annotatie in AB 2001/108.

3.8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser, krachtens de in het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 18 november 1999 vervatte bevoegdheidsoverdracht, in het onderhavige geval bevoegd was om op eigen naam bezwaar te maken tegen verweerders besluit van 27 juni 2000.

3.9. Verweerder heeft het bezwaar van eiser derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder zal alsnog inhoudelijk moeten beslissen op het bezwaar.

3.10. Van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is niet gebleken.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van f 450,-- te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij deCentrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: