Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AD5911

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
01/194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet voorzieningen gehandicapten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: 01/1278 en 01/1279 WVG 58

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

A te B., verzoekster/eiseres, hierna: eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 september 2001.

2. Procesverloop

Verzoekster heeft bij brief van 28 september 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 oktober 2001, waar eiseres en haar echtgenoot zijn verschenen, bijgestaan door mevr. mr. L.H. Schipper, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Hofstede.

3. Motivering

3.1 Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

3.2 Eiseres, lijdende aan polyarthrosis, woont met haar echtgenoot in een eigen woning aan de […..] te B. Op 1 september 2000 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG).

Op 16 januari 2001 is door de GGD Regio IJssel Vecht een ergotherapeutisch advies met een zogeheten 'programma van eisen woningaanpassing' en 'globaal programma van eisen andere woning' aan verweerder uitgebracht, waaruit onder meer blijkt van de noodzaak tot het aanbrengen van een hellingbaan, traplift, verhoogd toilet met beugels op de begane grond, en het aanpassen van toilet en natte cel op de eerste verdieping in de eigen woning.

Bij besluit van 1 februari 2001 is eiseresses aanvraag door verweerder afgewezen aangezien de kosten van noodzakelijke aanpassingen globaal op f. 20.000,- zijn becijferd, en verhuizen naar een andere (koop- dan wel huur-)woning in dat geval valt aan te merken als de goedkoopste adequate voorziening. Verweerder heeft daarbij verwezen naar zijn Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Elburg (hierna: de verordening), waarin het primaat van de verhuizing met zoveel woorden is neergelegd.

Namens eiseres is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

3.3 Het gemeentebestuur van Elburg heeft ten aanzien van woonvoorzieningen in artikel 2.4 van zijn verordening het zogeheten primaat van de verhuizing neergelegd. Dit primaat brengt met zich mee dat een gehandicapte in beginsel slechts voor vergoeding van de kosten van woonaanpassingen in aanmerking komt, indien een voorziening in de vorm van een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten niet te realiseren is dan wel niet als de goedkoopst adequate oplossing valt aan te merken. In de bij de verordening behorende beleidsnota wordt op dit punt overwogen dat de verordening ingeval van een relatief dure aanpassing de mogelijkheid biedt om te bezien of een reeds aangepaste, of goedkoper aan te passen woning in de gemeente aanwezig is, in welk geval verhuizing naar die woning als woonvoorziening kan worden aangeboden. In de afwegingen die hierbij een rol spelen dient volgens deze beleidsnota uiteraard ook rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de gehandicapte.

Mede in het licht van voornoemde passage uit de beleidsnota, moet artikel 2.4 van de verordening naar dezerzijds oordeel aldus worden begrepen dat een vergoeding van noodzakelijke woonaanpassingen waarvan de kosten het (maximale) forfaitaire bedrag van f. 7500,- aan verhuis- en herinrichtingskosten zouden overschrijden, slechts kan plaatsvinden als sprake is van dusdanig zwaarwegende belangen aan de zijde van de betrokken gehandicapte dat een verhuizing niet (meer) als adequate oplossing kan worden aangemerkt.

3.4 Vooropgesteld wordt dat het aldus in de verordening neergelegde primaat van de verhuizing naar dezerzijds oordeel als zodanig niet strijdig is te achten met de uit de artikelen 2 en 3 van de WVG voortvloeiende zorgplicht om verantwoorde woonvoorzieningen voor gehandicapten aan te bieden. Hierbij is van belang dat in het stelsel van de verordening steeds als uitgangspunt heeft te gelden dat een voor de betrokken gehandicapte adequaat te achten oplossing voor zijn woonproblematiek tot stand komt, in welk verband zwaarwegende belangen aan de zijde van de betrokken gehandicapte tevens dienen te worden meegewogen.

3.5 Met inachtneming van het primaat van de verhuizing moet worden geoordeeld dat verweerder bij zijn besluitvorming geen, althans onvoldoende, oog heeft gehad voor de zeer hoge kosten welke met de verkoop van de eigen woning van eiseres (met een geschatte waarde van meer dan 1 miljoen gulden), en met een daaropvolgende aankoop van een nieuwe -in ergonomisch opzicht meer adequate- woning in diezelfde prijscategorie, gemoeid zouden zijn. Deze kosten zijn door verweerders vaste adviescommissie voor bezwaar - en beroep op meer dan 1 ton becijferd en hebben diezelfde commissie aanleiding gegeven te adviseren tot een gegrondverklaring van het bezwaar.

Naar dezerzijds oordeel heeft verweerder in het kader van de door hem te maken afweging, als bedoeld onder punt 3.4, in redelijkheid niet aan deze persoonlijke omstandigheden en zwaarwegende belangen van eiseres voorbij kunnen gaan.

3.6 Voorts is verweerders stelling, dat het zonder meer mogelijk moet zijn met de verkoopopbrengst van de eigen woning een adequate andere woning te verwerven, naar dezerzijds oordeel vooralsnog onvoldoende onderbouwd te achten. Van belang in dit verband is dat in de huidige woning reeds door eiseres zelf bekostigde aanpassingen aan keuken, electra en dergelijke aanwezig zijn.

Geenszins is komen vast te staan dat zodanige voorzieningen, als ook de overige door de GGD noodzakelijke geachte voorzieningen zoals neergelegd in het 'globaal programma van eisen andere woning', in het door verweerder ter adstructie overgelegde aanbod van koop- en huurwoningen reeds aanwezig zijn. Hierdoor is tevens niet komen vast te staan of, en zo ja: in hoeverre, een verhuizing naar een andere woning, naast het toekennen van een vergoeding wegens verhuis- en herinrichtingskosten, tevens zou noodzaken tot het vergoeden van aanpassingskosten op grond van de WVG.

3.7 Gelet op het voorgaande berust de ongegrondverklaring van eiseresses bezwaar op een ondeugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt om die reden, als strijdig met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder zal nader op het bezwaar van eiseres dienen te beslissen. In het kader van deze nadere besluitvorming zal verweerder zich tevens dienen te beraden omtrent het verzoek van eiseres de door verweerders onrechtmatige besluitvorming geleden schade te vergoeden.

3.8 Eiseres heeft verzocht om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat artikel 2.8 van de verordening niet aan haar zal worden tegengeworpen. Ingevolge voornoemd artikel wordt slechts een financiële tegemoetkoming verleend indien niet reeds een begin met de werkzaamheden is gemaakt zonder toestemming van verweerder.

Ter zitting is door eiseres aangegeven dat zij in plaats van de door de GGD voorgestelde aanpassingen aan de eigen woning inmiddels, gelet op het progressief verloop van haar aandoening, heeft besloten tot de aanbouw van een slaapkamer en natte cel op de begane grond. Voorts is een hellingbaan reeds op eigen kosten door haar echtgenoot en zoon aangelegd.

In aanmerking genomen dat verweerder zich niet heeft kunnen beraden over de medische noodzaak van de thans door eiseres gewenste aanbouw aan de eigen woning, er op dit punt evenmin een medisch advies aan verweerder is uitgebracht, en de gewenste verbouwing zich bovendien nog slechts in de fase van het opvragen van offertes bevindt, is er hangende verweerders nadere besluitvorming onvoldoende aanleiding om een voorlopige voorziening als verzocht te treffen.

3.9 In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt (zitting) toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder nader op het bezwaar van eiseres beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Elburg het gestorte griffierecht van f. 60,- aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van f. 710,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Elburg;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: