Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AD5142

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-11-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
34683 / HA ZA 00-916
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 646
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Rolnummer: 34683 / HA ZA 00-916

Uitspraak: 1 november 2001

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak in hoger beroep tussen:

[Appellante]

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. S.A. Geerdink,

en

[Geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. A.J. Stokkers.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [appellante] en [geïntimeerde].

1. Het verloop van de procedure

In eerste aanleg

Dit verloop blijkt uit:

· het vonnis d.d. 7 juni 2000 van de kantonrechter te Apeldoorn, gewezen onder rolnummer 1015/99

In hoger beroep

Dit verloop blijkt uit:

· het exploot van dagvaarding d.d. 30 augustus 2000, waarbij [appellante] in hoger beroep is gekomen van vorenbedoeld vonnis van de kantonrechter

· de memorie van grieven

· de memorie van antwoord

· de akte uitlating producties, tevens akte houdende overlegging producties van de zijde van [appellante]

· de akte uitlating producties, tevens akte in het geding brengen productie van de zijde van [geïntimeerde]

· de akte uitlaten producties tevens akte in het geding brengen producties van de zijde van [appellante]

· de akte uitlating producties van de zijde van [geïntimeerde]

2. De ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig ingesteld en het vonnis waarvan beroep is daarvoor vatbaar, zodat [appellante] in zoverre in het hoger beroep kan worden ontvangen.

3. De vaststaande feiten in hoger beroep

In hoger beroep kunnen de volgende feiten worden vastgesteld:

3.1 [geïntimeerde] is met ingang van 1 augustus 1998 voor onbepaalde tijd benoemd tot lerares aan [school].

Tussen partijen is sprake van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht waarop de bepalingen van titel 10 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) en de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs 1998 -1999, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen die deze CAO ondergaat, (hierna: CAO-VO) van toepassing zijn.

3.2 In de periode van 17 april 1999 tot en met 7 augustus 1999 heeft [geïntimeerde] zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten.

3.3 [geïntimeerde] heeft niet in de zin van artikel 7:636 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ingestemd met het (deels) aanmerken van bovengenoemde periode als vakantie.

4. De vordering in hoger beroep

4.1 [appellante] vordert dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter te Apeldoorn van 7 juni 2000, gewezen onder rolnummer 1015/99, zal vernietigen voor wat betreft de verklaring voor recht dat [geïntimeerde] recht heeft om de vastgestelde vakantiedagen die samenvallen met het zwangerschaps- en bevallingsverlof en die niet kunnen worden aangemerkt als vakantiedagen buiten de vastgestelde schoolvakanties te genieten, alsmede voor wat betreft de veroordeling op straffe van een dwangsom tot vaststelling na overleg met [geïntimeerde] wanneer zij deze dagen zal genieten, en ten aanzien van het gevorderde opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog het door haar gevorderde zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.2 De grieven luiden als volgt:

I Ten onrechte stelt de kantonrechter dat er door samenloop van vakantieverlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof rechten (in casu acht weken vakantieverlof) verloren gaan en voorts dat aangezien verlof wegens bevalling zich uitsluitend voordoet bij vrouwen, vrouwen die zwangerschaps- en bevallingsverlof genieten ten opzichte van hun mannelijke collega’s door het ontbreken van een compensatieregeling worden benadeeld in hun arbeidsvoorwaardenpositie. De kantonrechter concludeert op basis hiervan ten onrechte, dat een en ander een direct onderscheid oplevert in de zin van de Wet Gelijke Behandeling (hierna: WGB) en de richtlijn 76/207EEG.

II Ten onrechte gaat de kantonrechter voorbij aan het feit dat de werkneemster bij samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met vakantieverlof afstand kan doen van haar bevallings- en zwangerschapsverlof. Dit, met uitzondering van ten minste twee weken die naar keuze vóór en/of na de bevalling worden opgenomen. Artikel 8, lid 2, van de richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992, inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie bevat immers minimumvoorschriften. De aanvangsdatum van deze twee weken kan door de lidstaten zelf worden bepaald. De richtlijn bevat geen discriminatieverbod.

III Ten onrechte is de kantonrechter voorbij gegaan aan de vraag of vanwege de gelijke behandeling van samenloop van zwangerschapsverlof met (school)vakantieverlof en ziekteverlof en (school)vakantieverlof noopt tot (volledige) compensatie, dan wel ten onrechte heeft de kantonrechter geconcludeerd dat (volledige) compensatie wegens directe discriminatie noodzakelijk is.

[appellante] ligt haar grieven als volgt toe.

Vakantieverlof van onderwijzend personeel is geen vakantie in de zin van het BW. Vakantiedagen in het onderwijs worden vanwege de afwezigheid van leerlinggebonden activiteiten beschouwd als vakantieverlofdagen. Vanwege het specifieke karakter van deze dagen kan niet worden gesteld dat [geïntimeerde] rechten worden ontnomen. [geïntimeerde] behoudt immers aanspraak op het in artikel I-C4, lid 2, Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (hierna: RPBO) genoemde wettelijk minimum aan vakantiedagen. [geïntimeerde] is vanwege haar zwangerschap ook vrijgesteld van de niet-leerlinggebonden werkzaamheden die gedurende de schoolvakanties dienen plaats te vinden. [geïntimeerde] wordt in haar arbeidsvoorwaardenpositie niet benadeeld en zij verliest geen rechten zodat de samenloop van vakantieverlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof niet noopt tot compensatie. Het ontbreken van een compensatieregeling is niet in strijd met de WGB of richtlijn 76/207/EEG, zodat de CAO-VO met betrekking tot dit ontbreken niet buiten toepassing hoeft te blijven.

[geïntimeerde] heeft een bevallings- en zwangerschapsverlof genoten dat langer heeft geduurd dan de minimaal verplichte twee weken. Doordat zij geen (gedeeltelijke) afstand heeft gedaan van dit verlof is samenloop opgetreden met dagen waarop zij werd geacht vakantieverlof in de zin van schoolvakantieverlof te genieten. Het gemeenschapsrecht voorziet niet in een compensatieregeling bij samenloop.

Vrouwen die zwangerschapsverlof genieten bevinden zich in een specifieke situatie die niet gelijk gesteld kan worden met de situatie van een man of een niet zwangere vrouw, zodat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.

De aard van de werkzaamheden van onderwijsgevend personeel rechtvaardigt dat alleen tijdens schoolvakanties verlof kan worden opgenomen.

Naast de aard van de werkzaamheden bestaan voor het ontbreken van een compensatieregeling nog andere objectieve rechtvaardigingsgronden, zoals het grote aantal resterende verlofdagen in het onderwijs, de wijze van financiering van het onderwijs en het feit dat een werkneemster een volledig zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten en niet alleen de twee weken die op grond van het gemeenschapsrecht minimaal verplicht zijn.

Toekenning van compensatie veroorzaakt positieve discriminatie waarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat.

5. Het verweer in hoger beroep

5.1 [geïntimeerde] concludeert dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter te Apeldoorn d.d. 7 juni 2000, gewezen onder rolnummer 1015/99, zal bevestigen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

5.2 [geïntimeerde] licht haar standpunt als volgt toe.

De CAO-VO kent een recht toe op vakantie in een bepaalde periode en regelt tevens het aantal vakantiedagen waarop het onderwijzend personeel aanspraak kan maken. Ingeval van samenloop tussen zwangerschaps- en bevallingsverlof met vakantieverlof is sprake van het verlies van vakantierechten nu een compensatieregeling ontbreekt.

Nu verlof wegens zwangerschap en bevalling zich uitsluitend bij vrouwen voordoet brengt het ontbreken van een compensatieregeling met zich mee dat vrouwen die dit verlof genieten in omvang minder aanspraak hebben op vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s. Bij vrouwen vervallen ingeval van samenloop vakantiedagen terwijl dit bij hun mannelijke collega’s niet het geval is.

Het niet kunnen opnemen van vakantiedagen buiten de vastgestelde vakantieperioden is in strijd met het verbod tot het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden, de EG-zwangerschapsrichtlijn en de jurisprudentie.

Het feit dat de EG-zwangerschapsrichtlijn werkneemsters de mogelijkheid biedt om afstand te doen van hun recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof is niet relevant, nu vaststaat dat [geïntimeerde] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Volgens de richtlijn heeft [geïntimeerde] minstens recht op veertien weken zwangerschapsverlof.

6. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1 [appellante] beoogt met haar grieven het gehele geschil tussen partijen aan de rechtbank voor te leggen. Daarom zullen de grieven gezamenlijk worden behandeld.

6.2 Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel en in de Wet betreffende aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel.

Nu het onderhavige geschil ziet op vakantieverlof en bovengenoemd Besluit en Wet met name zien op de aanspraak op bezoldiging in geval van afwezigheid wegens ziekte en de in dit kader gelijkgestelde afwezigheid in verband met zwangerschap en bevalling, zal nadere bespreking hiervan thans achterwege blijven.

6.3 Op 1 augustus 1996 is het Kaderbesluit rechtspositie Voortgezet Onderwijs (hierna: Kaderbesluit), dat haar grondslag vindt in artikel 38a Wet op het Voortgezet Onderwijs, in werking is getreden.

Hiermee is beoogd om de regelgeving op arbeidsvoorwaardelijk terrein in het voortgezet onderwijs te decentraliseren en de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, in plaats van een uitsluitende verantwoordelijkheid van de centrale overheid, een zaak te maken van het bevoegd gezag.

De gedetailleerde rechtspositieregeling, zoals opgenomen in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RPBO), vindt ingevolge artikel 14 Kaderbesluit in het voortgezet onderwijs geen toepassing meer. Door middel van het Kaderbesluit is sindsdien nog slechts sprake van globale sturing van de zijde van de centrale overheid. In het Kaderbesluit zijn slechts die onderwerpen terug te vinden, waarvoor het wenselijk wordt geacht een regeling op centraal niveau te treffen. De vaststelling van de overige arbeidsvoorwaarden vindt plaats op decentraal niveau en is een zaak van de (verenigingen van) werkgevers en werknemers, resulterend in de totstandkoming van collectieve arbeidsovereenkomsten. Aldus is ook de CAO-VO 1998-1999 tot standgekomen, die blijkens de akte van benoeming van [geïntimeerde], op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst van toepassing is, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen, die deze CAO zal ondergaan.

Artikel 2 van het Kaderbesluit stelt de algemene arbeidsduur vast, welke in een normbetrekking geldt. Daarbij is aanvankelijk, zo blijkt uit de toelichting op dit artikel, “uitgegaan van een werkweek van 38 uur (inmiddels verlaagd naar 36,86 uur), een gemiddeld aantal algemene en christelijke feestdagen over een periode van zeven jaar, en een gemiddelde vakantieduur zoals die geldt bij de rijksoverheid. Verder is ermee rekening gehouden dat er in deze sector feitelijk een sterke beperking is in de vrijheid van opname van vakantie-dagen”.

De CAO-VO bepaalt in artikel H1: “Tenzij anders is bepaald geniet de werknemer behorend tot de functiecategorieën directie of leraren gedurende de schoolvakanties vakantieverlof met behoud van bezoldiging”. Uit de toelichting op deze bepaling uit de CAO blijkt dat partijen de bedoeling hebben gehad de vakantieregeling van het RPBO ook na 1 augustus 1996 te continueren. Gezien deze uitdrukkelijke bedoeling, is het van belang vast te stellen hoe die in het RPBO geregelde vakantieregeling, ten aanzien van het punt dat partijen verdeeld uit, dient te worden verstaan.

6.4 Ingevolge artikel I-C2, eerste lid, van het RPBO geniet onderwijsgevend personeel, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedurende de schoolvakanties, dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

Deze regeling voorziet niet in toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. In het belang van het onderwijs is voorzien in een specifieke, los van de omvang en van de duur van de betrekking staande, regeling die inhoudt dat in bepaalde, nader -deels door de Minister van Onderwijs, deels door de betreffende instelling- omschreven periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven, vakantieverlof wordt genoten. Dit betekent niet alleen dat in het onderwijs als regel meer vakantieverlof wordt genoten dan voor werknemers en ambtenaren in het algemeen gebruikelijk is, maar ook dat het in het onderwijs in beginsel niet mogelijk is vakantie op te nemen en te genieten buiten de genoemde perioden; de schoolvakanties. Het vakantierecht waarop onderwijsgevend personeel aanspraak kan maken bestaat dan ook niet uit een vastgesteld aantal vakantiedagen, maar uit het genieten van verlof gedurende de schoolvakanties. Bij de vaststelling van de algemene arbeidsduur in een normbetrekking is met dit gegeven blijkens de toelichting bij het Kaderbesluit ook rekening gehouden.

6.5 De in de CAO-VO opgenomen vakantieregeling, welke CAO door partijen op hun arbeidsverhouding van toepassing is verklaard, wijkt mitsdien, anders dan [geïntimeerde] betoogt, in tal van opzichten principieel af van de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, overigens ook in die zin dat het in artikel 7:634 BW gegarandeerde minimum aantal vakantiedagen meer dan ruimschoots wordt overschreden. De facto brengt de in de CAO-VO opgenomen regeling immers mee dat onderwijsgevend personeel 60 verlofdagen per jaar heeft, terwijl het wettelijke minimum neerkomt op slechts 20 dagen bij een volledig dienstverband. [geïntimeerde] komt dan ook in beginsel geen beroep toe op de bepalingen uit afdeling 3, titel 10 van boek 7 BW.

Voor zover [geïntimeerde] zich er op beroept dat het hier deels dwingendrechtelijke bepalingen betreft, ten aanzien waarvan artikel 7:645 BW bepaalt dat daarvan niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken, miskent zij dat de [appellante] zich op grond van artikel 3:40 BW op deze betreffende CAO-bepalingen kan blijven beroepen, zolang deze niet zijn vernietigd. Nu enerzijds gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] zich heeft bediend van een buitengerechtelijke verklaring in de zin van artikel 3:49 en 50 BW en zij anderzijds ten processe heeft nagelaten zich op zodanige vernietigingsgrond te beroepen, wordt het geschil tussen partijen beheerst door de overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Ten overvloede zij hierbij nog overwogen dat er, gezien de eigen aard van de overeengekomen vakantieregeling, in het onderhavige geval overigens ook geen sprake van is dat er door de [appellante] dagen waarop [geïntimeerde] de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschap en/of bevalling als vakantie heeft aangemerkt.

6.6 Aldus resteert de vraag of het in de CAO-VO ontbreken van een compensatieregeling ingeval van samenloop van vakantieverlof met verlof uit andere hoofde, zoals zwangerschaps- en bevallingsverlof, in strijd is met EG-recht en de Wet Gelijke Behandeling (hierna: WGB)

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in de zaak 00/2598 AW van 17 mei 2001 wordt het navolgende overwogen.

Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (Pb. EG. 1992, L 348/1) bevat minimumvoorschriften ter bevordering van de gezondheid van werkneemsters tijdens zwangerschap, waaronder het recht op ten minste veertien aaneengesloten weken zwangerschapsverlof vóór en/of na de bevalling. Artikel 11, tweede lid, van deze richtlijn bepaalt voorts dat tijdens het zwangerschapsverlof in ieder geval moeten worden gewaarborgd de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werkneemsters en het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering, welke uitkering ten minste het bedrag van een ziekte-uitkering dient te bedragen. Deze verwijzing naar de hoogte van de uitkering bij ziekte betreft een technisch referentiepunt waarin is voorzien in artikel 2, vierde lid, van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel. Deze bepaling is hiermee in overeenstemming zodat met betrekking tot zwangerschaps- en bevallingsverlof voor onderwijsgevend personeel geen sprake is van strijd met deze richtlijn.

6.7 Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (Pb. EG 1976, L 39/40) beoogt in artikel 1, eerste lid, onder meer ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen, hetgeen ingevolge artikel 2, eerste lid, inhoudt dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect. Artikel 5, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt dat de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden inhoudt dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden zonder discriminatie op grond van geslacht. Artikel 2, derde lid, van Richtlijn 76/207 bepaalt dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat betreft zwangerschap en moederschap. Dergelijke bepalingen zijn neergelegd in Richtlijn 92/85/EEG.

6.8 Voor zover [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat rechtspositionele regels in verband met arbeidsongeschiktheid die voor mannen en vrouwen op gelijke wijze worden toegepast, ook als arbeidsongeschiktheid verband houdt met zwangerschap in strijd zijn met richtlijn 92/85, omdat arbeidsongeschiktheid vanwege zwangerschap als een ander geval beoordeeld dient te worden dan andersoortige arbeidsongeschiktheid wordt het navolgende overwogen.

In de op artikel I-C2, eerste lid, RPBO geënte verlofbepaling H1 uit de CAO-VO is geen sprake van gelijkstelling van zwangerschapsverlof met ziekte. De bepaling geeft slechts aan dat verlof tijdens de schoolvakanties wordt genoten. Aan de enkele omstandigheid dat de bezoldiging van de werkneemster die zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet plaatsvindt conform de bezoldiging bij afwezigheid wegens ziekte, kan niet de conclusie worden verbonden dat het ontbreken van een compensatieregeling bij samenloop van schoolvakantie met zwangerschapverlof het gevolg is van gelijkstelling van zwangerschapsverlof met ziekte. Bij toepassing van deze bepaling is dan ook geen sprake van een gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Hierbij wordt overwogen dat richtlijn 92/85 geen discriminatieverbod bevat, maar ziet op de bescherming van de gezondheid van werkneemsters bij zwangerschap en bevalling en het behoud van rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst.

6.9 Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) in de zaak Boyle (zaak C-411/96, Jur EG 1998, blz. I-6401) kan worden afgeleid dat het zwangerschapsverlof weliswaar kan worden opgeschort bij samenloop met ziekteverlof -en binnen de minimumduur van veertien weken weer mag worden voortgezet indien het ziekteverlof is beëindigd- maar niet dat het gegarandeerde zwangerschapsverlof van veertien weken wordt verlengd met de periode van opschorting zoals in onderhavig geval wordt nagestreefd. In deze uitspraak is immers uitdrukkelijk vermeld dat de periode van veertien weken wordt berekend vanaf de aanvangsdatum van het zwangerschapsverlof. Deze uitleg is conform het doel en de strekking richtlijn 92/85. Deze richtlijn beoogt immers de bijzondere bescherming van de vrouw bij zwangerschap en bevalling gedurende een bepaalde minimumperiode. De werkneemster heeft recht op een zwangerschapsverlof van een periode van veertien aaneengesloten weken met de bedoeling om de vrouw te garanderen dat zij zich in de weken na de bevalling aan haar kind kan wijden. De samenloop met vakantieverlof maakt geen inbreuk op deze periode van tenminste veertien aaneengesloten weken, waardoor samenloop niet kan leiden tot strijd met deze richtlijn. Richtlijn 92/85/EEG verplicht er niet toe om in geval van samenloop van vakantieverlof met zwangerschapsverlof dit laatste verlof op te schorten en de werkneemster het recht te geven om na afloop van de schoolvakantie de resterende duur van het zwangerschapsverlof op te nemen.

6.10 Met betrekking tot richtlijn 92/85 kan, daar waar het ontbreken van iedere compensatieregeling het uitgangspunt is in de rechtsbetrekking tussen [appellante] en [geïntimeerde], van verlies van rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst in geval van zwangerschap als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van deze richtlijn geen sprake zijn.

De afwezigheid van een mogelijkheid tot compensatie ingeval van samenloop van zwangerschapsverlof met andere soorten verlof, is slechts onverenigbaar met Richtlijn 92/85/EEG indien de mogelijkheid van compensatie in geval van samenloop van verschillende soorten verlof een recht is dat aan de arbeidsovereenkomst is verbonden. Indien compensatie niet (tevens) in geval van zwangerschap zou zijn toegestaan, gaat een recht verbonden aan de arbeidsovereenkomst verloren. Nu de CAO-VO in het geheel geen compensatierecht geeft is er met betrekking tot het ontbreken van een compensatieregeling in geval van samenloop van zwangerschapsverlof met vakantieverlof, geen sprake van onverenigbaarheid met deze richtlijn.

Zoals reeds overwogen is niet aan de orde een ongeclausuleerd recht op een bepaald aantal vakantiedagen. De specifieke verlofregeling in het onderwijs stelt [geïntimeerde] immers “slechts” vrij van werkzaamheden tijdens schoolvakanties met behoud van bezoldiging. Dat recht blijft behouden, ook al geniet de zwangere werkneemster (reeds) op andere gronden verlof met behoud van bezoldiging en zou kunnen worden gesteld dat zij niet in staat is het vakantieverlof te consumeren. Tot de conclusie dat van verslechtering van arbeidsvoorwaarden sprake is in geval van samenloop als hier in geding, kan dan ook niet worden gekomen.

6.11 Voor zover gesteld is dat het ontbreken van een compensatieregeling in strijd is met de WGB van mannen en vrouwen en de richtlijn 76/207, omdat verlies van vakantiedagen in geval van samenloop van vakantieverlof met bevallingsverlof zich alleen kan voordoen bij vrouwen, zodat zij in een nadeliger arbeidsvoorwaardenpositie verkeren dan mannen, wordt het navolgende overwogen.

De bepaling van artikel H1 CAO-VO is neutraal geformuleerd, zodat niet valt in te zien hoe van directe discriminatie sprake kan zijn. Hooguit zou sprake kunnen zijn van indirecte discriminatie. Van indirecte discriminatie is volgens het HvJEG sprake indien het gaat om verschillen die voortvloeien uit een schijnbaar neutraal criterium, dat echter tot resultaat heeft dat een groep werknemers wordt benadeeld die overwegend uit hetzelfde geslacht is samengesteld. Van indirecte discriminatie is slechts sprake indien een aanzienlijk percentage van het ene geslacht wordt benadeeld ten opzichte van het andere geslacht.

Zoals eerder overwogen met betrekking tot het specifieke karakter van de vakantieregeling in het onderwijs is van verlies van rechten bij samenloop van vakantieverlof met bevallings- en zwangerschapsverlof geen sprake, maar heeft onderwijsgevend personeel recht op het genieten van verlof tijdens de schoolvakanties. Deze regeling impliceert dat buiten de vastgestelde schoolvakanties geen vrij opneembaar extra vakantieverlof kan worden opgenomen. Deze omstandigheid maakt een onlosmakelijk deel uit van het geheel van de regeling en dus van de arbeidsvoorwaarden van onderwijsgevenden. Voor zover deze omstandigheid als een nadeel kan worden bestempeld, moet worden vastgesteld dat dit nadeel zich niet voordoet als gevolg van zwangerschap, maar inherent is aan de rechtsbetrekking in het onderwijs en niet is terug te voeren op onderscheid op grond van een verboden criterium.

Ter uitvoering van richtlijn 76/207/EEG is op 1 juli 1989 in werking getreden de Wet van 1 maart 1980, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan richtlijn 76/207/EEG, kortweg WGB. Nu de WGB naar vaste rechtspraak conform de communautaire regels en beginselen dient te worden uitgelegd, is, gelet op het voorgaande, van strijd met de WGB geen sprake.

6.12 Terecht heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat het ontbreken van een compensatieregeling bij samenloop van schoolvakantie met bevallings- en zwangerschapsverlof, veeleer geduid moet worden als het ontbreken van een bepaald voordeel. Het ontbreken van een voordeel is niet op één lijn te stellen met het optreden van nadeel. De omstandigheid dat, in het geval de beoogde compensatieregeling wel zou hebben bestaan, dit met name voor zwangere vrouwen een voordeel zou kunnen opleveren, kan niet betekenen dat het ontbreken van dat voordeel een onderscheid oplevert dat op grond van de richtlijnen en de daarop gebaseerde nationale wetgeving verboden is.

6.13 Aan het debat van partijen met betrekking tot de vraag of sprake is van eventuele rechtvaardigingsgronden wordt, gelet op het vorenoverwogene, niet meer toegekomen.

6.14 [geïntimeerde] zal als de in het ongelijke gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

De rechtbank rechtdoende in hoger beroep,

vernietigt het tussen partijen onder rolnummer 1015/99 op 7 juni 2000 door de kantonrechter te Apeldoorn gewezen vonnis;

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] gevallen en in eerste aanleg begroot op

ƒ 1.000,- (C 453,78) aan salaris voor de gemachtigde en in hoger beroep begroot op ƒ 477,67 (C 216,76) aan verschotten en op ƒ 1.290,- (C 585,38) aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Vergunst, M. Engelbert-Clarenbeek en

S. van Lokven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2001.

Lv/ Ec/Vg