Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AD5141

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-11-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
41273 HA ZA 01-744
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Rolnummer: 41273 HA ZA 01-744

Uitspraak: 1 november 2001

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

USZO B.V.,

gevestigd te Heerlen,

eisende partij in hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

en

mr. [bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de WSNP-regeling van A. [saniet],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

procureur: mr. L. Hartogs,

advocaat: mr. [bewindvoerder] te [kantooradres].

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als USZO en [bewindvoerder]

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

· de conclusie van eis;

· de incidentele conclusie, tevens conclusie van antwoord met als produktie het proces-verbaal van de op 6 juni 2001 in bovengenoemde schuldsanerings-regeling gehouden verificatievergadering, waarop partijen door de rechter-commissaris zijn verwezen naar de rolzitting;

· de conclusie van antwoord in het incident;

· de akte houdende uitlating producties.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1 De rechtbank heeft geen stukken aangetroffen die aangeven wat de vordering in de hoofdzaak behelst.

3. De vordering in het incident

3.1 [bewindvoerder] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van het geschil tussen partijen kennis te nemen althans dat de rechtbank USZO niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze dient te ontzeggen met veroordeling van USZO in de kosten van de procedure.

3.2 [bewindvoerder] voert hiertoe het volgende aan.

In de conclusie van eis wordt geen burgerlijk recht of schuldvordering aan de vordering ten grondslag gelegd. USZO laat na in haar conclusie van eis iets te vorderen en de grondslagen daarvan aan te geven.

[bewindvoerder] heeft slechts zijdelings begrepen dat USZO [saniet] verwijt dat hij jarenlang ten onrechte een arbeidsongeschiktheids- en/of invaliditeitsuitkering heeft ontvangen. Het voren omschreven geschil betreft een bestuursrechtelijke kwestie, waarvoor geheel andere met alle waarborgen omklede procedureregels gelden.

4. Het verweer in het incident

4.1 USZO concludeert dat de rechtbank [bewindvoerder] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans hem deze dient te ontzeggen met veroordeling van [bewindvoerder] in de kosten van de incidentele procedure.

4.2 USZO voert de navolgende verweren aan.

Aan de vordering ligt een burgerlijk recht of schuldvordering ten grondslag. USZO heeft abusievelijk voor eis geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding. Het is [bewindvoerder] echter wel duidelijk waar de vordering van USZO op is gebaseerd. [saniet] heeft tijdens de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering als zelfstandige inkomsten genoten waardoor ten onrechte een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, verder te noemen WAO-uitkering, gedurende een langere periode werd verstrekt.

De bevoegdheid is gegeven doordat de vordering van USZO op [saniet] na betwisting door de rechter-commissaris is verwezen naar de terechtzitting van de rechtbank.

Dat de zaak mogelijk bestuursrechtelijke aspecten heeft is irrelevant. In de renvooiprocedure wordt louter gevraagd dat USZO zal worden toegelaten uit hoofde van de hiervoor omschreven vordering.

5. De beoordeling van het geschil in het incident

5.1 Aan de orde is de vraag of de burgerlijke rechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

5.2 In de conclusie van eis tot verificatie van de vordering dient summier aangegeven te worden, waarvan erkenning wordt gevorderd en op welke gronden (Hoge Raad 22 november 1912, NJ 1913, 83). In de beoordeling van de hoofdzaak zou aan de orde kunnen komen of USZO hieraan voldaan heeft. Echter voor de beoordeling van de bevoegdheid van de civiele rechter dient wel duidelijk te zijn wat de vordering inhoudt. De conclusie van eis, zoals genomen door USZO bevat geen vordering en ook geen bijbehorende gronden. USZO heeft bij conclusie van antwoord in het incident nader uiteengezet waarvan erkenning wordt gevorderd en op welke gronden. Partijen zijn het er over eens dat de vordering van USZO een - volgens USZO - ten onrechte ontvangen WAO-uitkering, betreft. Om te kunnen beoordelen of de burgerlijke rechter bevoegd is van bedoeld geschil kennis te nemen is voldoende duidelijk geworden wat de vordering inhoudt en wat de gronden van de vordering zijn. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat USZO concludeert tot toelating als schuldeiser in voornoemde schuldsaneringsregeling tot een bedrag van ƒ 92.278,16 uit hoofde van een ten onrechte ontvangen WAO-uitkering.

5.3 Tegen de terugvordering tot de reeds ontvangen WAO-uitkering, die ten grondslag ligt aan het onderhavige geschil, staat een administratieve rechtsgang open die met zodanige waarborgen is omkleed dat het geschil tussen partijen in deze zaak, voorzover dit betrekking heeft op de grondslagen en hoogte van de vordering, aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onttrokken.

5.4 De bewindvoerder dient vorderingen, waarvoor - bij geschil - een met voldoende waarborgen omringde administratieve rechtsgang is voorgeschreven, te erkennen zodat geen verwijzing plaatsvindt. Voornoemde erkenning van de opgave van te veel ontvangen WAO-uitkering laat de bevoegdheid van de bewindvoerder om tegen die opgave bezwaar aan te tekenen bij de administratieve rechter onverlet, immers houdt de erkenning van de schuld door de bewindvoerder in het faillissement in zodanig geval niet meer in dan dat hij het bestaan van de formele schuld overeenkomstig de gedane opgave erkent, terwijl een latere gegrondver-klaring van het bezwaar door de administratieve rechter ten gevolge zal hebben, dat de vordering wordt verminderd dan wel teniet gedaan.

5.5 In het systeem van de Faillissementswet kan de niet-erkenning ook geen redelijke zin hebben, daar hierop bij niet-vereniging van partijen verwijzing door de rechter-commissaris naar de terechtzitting van de rechtbank moet volgen, terwijl de rechtbank tot de beslissing van het daaraan ten grondslag liggende geschil niet bevoegd is (Hoge Raad 21 februari 1964, NJ 1964, 208).

5.6 De rechtbank zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de incidentele vordering van [bewindvoerder] toewijzen met veroordeling van USZO als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incident.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

In het incident

verklaart zich onbevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;

veroordeelt USZO in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [bewindvoerder] begroot op ƒ 860,00 voor salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.M. van der Kallen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2001.

BE/KA