Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB2835

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-07-2001
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
00/1123 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 00/1123 VEROR

UITSPRAAK

in het geding tussen:

B, wonende te X, eiser,

en

de huisvestingscommissie van de gemeente Putten, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 14 september 2000.

2. Feiten

Bij brief van 10 mei 2000 heeft verweerster eiser medegedeeld dat afwijzend is beslist op zijn verzoek om inschrijving voor een gemeentelijke woningbouwkavel.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Putten 1994, zoals gewijzigd op 7 oktober 1999.

3. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift aangevoerde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 maart 2000, waar eiser in persoon is verschenen.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Daudeij.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan door een belanghebbende beroep bij de rechtbank worden ingesteld tegen een besluit.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient - behoudens een aantal hier niet van belang zijnde uitzonderingen - bezwaar te worden gemaakt tegen een besluit alvorens beroep kan worden ingesteld.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.2. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of de weigering van verweerster om eiser in te schrijven als gegadigde voor een gemeentelijke woningbouwkavel kan worden aangemerkt als een besluit als vorenbedoeld. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

4.3. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingswet (Hvw) is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet te zamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Hvw worden onder woonruimte mede begrepen: een standplaats (voor een woonwagen) en een ligplaats (voor een woonschip).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Hvw - voor zover hier van belang - stelt de gemeenteraad een huisvestingsverordening vast indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II.

Hoofdstuk II van de Hvw draagt als titel: De huisvestingsvergunning.

Op grond van artikel 5 van de Hvw kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Hvw is het verboden zonder (huisvestings)vergunning van burgemeester en wethouders woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Hvw kan de gemeenteraad in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening bepalen dat door burgemeester en wethouders een register van woningzoekenden wordt bijgehouden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, ingeval toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening tevens bepaald welke woningzoekenden voor inschrijving in het register in aanmerking komen.

Ingevolge het derde lid worden bij de bepaling welke woningzoekenden voor inschrijving in het register in aanmerking komen, slechts criteria vastgesteld, die ingevolge de huisvestingsverordening bij de verlening van de huisvestingsvergunning overeenkomstig artikel 25 worden toegepast.

4.4. Hoofdstuk 2 van de Huisvestingsverordening gemeente Putten 1994 (hierna: Hvv) is getiteld: Verdeling van woonruimten en gemeentelijke woningbouwkavels.

Ingevolge artikel 2 (opgenomen in paragraaf 1, Werkingsgebied) is het bepaalde in dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing op:

a. woonruimten met een huurprijs niet hoger dan de (….) maximale huurprijsgrens ingevolge de Wet individuele huursubsidie;

b. woonruimten met een koopprijs niet hoger dan f 300.000,-.

c. door de gemeente uit te geven woningbouwkavels.

In paragraaf 2, artikelen 4, 5 en 6, van de Hvv zijn zogeheten toelatingscriteria opgenomen (leeftijdsgrens, vereiste van maatschappelijk of economische binding en vereiste van Nederlandse nationaliteit of beschikken over een geldige verblijfstitel).

Paragraaf 3 van de Hvv is getiteld: Inschrijving.

In artikel 7, eerste lid, is bepaald dat burgemeester en wethouders zorg dragen voor het aanleggen en bijhouden van een register van woningzoekenden.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden op hun verzoek als woningzoekenden ingeschreven de huishoudens, waarvan de aanvrager voldoet aan het bepaalde in paragraaf 2, artikelen 4, 5 en 6.

Ingevolge het vierde lid, onder c, van dit artikel wordt een verzoek om inschrijving voor een bouwkavel geweigerd als de aanvrager reeds beschikt of beschikte over een bouwkavel die hij van of via de gemeente heeft gekocht en hij deze vrijwillig wil of heeft verlaten of als dit verzoek wordt ingediend binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn nadat de aanvrager een koopwoning in de gemeente Putten heeft verworven.

Paragraaf 4 van de Hvv is getiteld: Huisvestingsvergunning.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, is het verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte, aangewezen c.q. [niet] uitgezonderd in de artikelen 2 en 3, in gebruik te nemen voor bewoning.

4.5. In artikel 2 van de Verordening Huisvestingscommissie gemeente Putten is bepaald dat de huisvestingcommissie c.q. verweerster alle bevoegdheden uitoefent die ingevolge de Hvw aan burgemeester en wethouders toekomen - behoudens een hier niet van belang zijnde uitzondering - en die ingevolge de Hvv aan burgemeester en wethouders zijn toegekend.

4.6. De rechtbank stelt vast dat hetgeen in hoofdstuk 2 van de Hvv is geregeld omtrent de verdeling van gemeentelijke woningbouwkavels c.q. de inschrijving in het register van woningzoekenden ten behoeve van de verkrijging van een bouwkavel, niet steunt op de Hvw, aangezien een bouwkavel niet kan worden aangemerkt als woonruimte als bedoeld in de Hvw. In het bijzonder steunt de regeling van de inschrijving voor een bouwkavel niet op artikel 14 van de Hvw, aangezien dit artikel uitsluitend betrekking heeft op inschrijving van woningzoekenden met het oog op de toewijzing van woonruimten c.q. de verlening van huisvestingsvergunningen voor het in het gebruik nemen van woonruimten.

4.7. De rechtbank stelt voorts vast dat voor het in gebruik nemen van een woning die op een door de gemeente uitgegeven bouwkavel wordt gebouwd, geen huisvestingsvergunning is vereist, aangezien de prijs van een dergelijke woning, dat wil zeggen de bouwkosten vermeerderd met de kosten van grondaankoop, in alle gevallen, zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, meer dan f 300.000,- zal bedragen. De weigering van inschrijving voor een bouwkavel kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een weigering op voorhand van een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van de (nog te bouwen) woning.

4.8. De inschrijving van een aanvrager voor een bouwkavel houdt in, zoals ter zitting nader is toegelicht, dat de betrokkene wordt geplaatst op een wachtlijst van gegadigden voor de aankoop van een door de gemeente uit te geven bouwkavel. De weigering van een inschrijving heeft dan ook geen andere betekenis dan dat de betrokkene niet in aanmerking kan komen voor het kopen van een bouwkavel van de gemeente. Voor zover al kan worden gezegd dat aan een inschrijving dan wel de weigering daarvan enig rechtsgevolg is verbonden, is dat rechtsgevolg naar het oordeel van de rechtbank privaatrechtelijk van aard.

Dit brengt met zich dat een inschrijving of een weigering daarvan voor een gemeentelijke woningbouwkavel niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Dat de gemeenteraad van Putten er voor heeft gekozen de inschrijving voor een gemeentelijke bouwkavel te regelen in de gemeentelijke huisvestingsverordening - zonder basis in de Huisvestingswet - geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire beslissing, waarbij het verzoek van eiser om inschrijving voor een bouwkavel is afgewezen, niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven. Doende hetgeen verweerster had behoren te doen, zal de rechtbank het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is de rechtbank niet gebleken.

4.10. Ter voorlichting van eiser wordt nog opgemerkt dat hij zich tot de civiele rechter zal moeten wenden indien hij de inschrijvingsweigering verder wil aanvechten.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

gelast de gemeente Putten aan eiser het betaalde griffierecht van f 225,- te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: