Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB2135

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
39785 KG ZA 01-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

uitspraak: 12 juni 2001

KG nummer: 39785 KGZA 01-177

V O N N I S inzake

de besloten vennootschap APPELS & ELIENS NOTARISPRAKTIJK B.V.

statutair gevestigd te Tilburg, kantoorhoudende te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. H.C. Bollekamp te Amsterdam

en

1. [gedaagde]

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde],

wonende [woonplaats]

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

procureur: mr. L. Hamaker,

advocaat: mr. W.H.F. van Veen te Arnhem.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Appels & Eliens respectievelijk de Erven.

1. Het verloop van de procedure

Appels & Eliens heeft -onder overlegging van produkties- geconcludeerd voor eis overeenkomstig de dagvaarding. De Erven hebben -eveneens onder overlegging van produkties- geconcludeerd voor antwoord tot afwijzing van de vordering. Vervolgens hebben de Erven een eis in reconventie ingesteld, tegen toewijzing waarvan Appels & Eliens verweer heeft gevoerd. Partijen hebben hun standpunten over en weer in conventie en reconventie nader toegelicht.

2. Vaststaande feiten:

2.1. De Erven zijn na het overlijden van hun moeder eigenares van alle aandelen in de besloten vennootschap B.V. Exploitatiemaatschappij VCH (hierna ook: VCH) geworden. Zij hebben de onroerende zaken van deze vennootschap verkocht, om zo het vermogen daarvan vrij te maken. Deze transactie resulteerde erin dat het vermogen van VCH op 22 december 2000 bestond uit

ƒ 2.874.070,39 aan liquide middelen. Voorts had deze verkoop tot gevolg dat VCH beschikte over een fiscale vervangingsreserve van ƒ 3.5 miljoen. In het geval weer voor een dergelijke waarde onroerende zaken in de vennootschap zouden worden ingebracht, zou VCH zich een bedrag van

ƒ 1.225.000,-- aan vennootschapsbelasting besparen. De mogelijkheid deze besparing te realiseren zou door de wijziging van het belastingstelsel per 1 januari 2001 komen te vervallen.

2.2. De Erven hebben een koper voor de aandelen VCH gezocht en gevonden in de persoon van Ostada Vastgoed II B.V. (hierna ook: Ostada Vastgoed)

Bij akte van 22 december 2000, verleden voor mr. J.A. Alferink, notaris te Bergen op Zoom, hebben de Erven de aandelen in VCH overgedragen aan Ostada Vastgoed tegen een per saldo te betalen koopsom van ƒ 1.952.993,-.

2.3. In deze akte zijn onder Garanties II de navolgende bepalingen opgenomen:

Koper garandeert jegens verkoper:

a. dat hij noch de statutaire zetel noch de feitelijke werkzaamheden van de vennootschap naar het buitenland zal brengen voordat aan alle juridische en fiscale verplichtingen , als vermeld in deze overeenkomst is voldaan (…)

d. dat de vennootschap voor een januari tweeduizend één het vervangingsvoornemen van de vennootschap zal uitvoeren en hiertoe zal overgaan tot vervanging van de hiervoor omschreven registergoederen door registergoederen met een soortgelijke economische functie, zoals verkoper uit hoofde van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 is gevrijwaard van elke aansprakelijkheid. De koop en verkoop en levering van de aandelen geschiedt onder de ontbindende voorwaarden, dat de hiervoor bedoelde vervanging door een onroerend goed met een investering van minimaal drie miljoen zevenhonderd duizend gulden (…) teneinde de volledige vervangingsreserve van drie miljoen zevenhonderd duizend gulden (….) te kunnen aanwenden op uiterlijk eenendertig december twee duizend heeft plaatsgevonden ten bewijze waarvan koper een kopie van de akte van levering aan verkoper zal overleggen. Indien bedoelde levering op uiterlijk eenendertig december twee duizend niet is gerealiseerd wordt de onderhavige koop, verkoop en levering van de aandelen ontbonden met alle daaraan verbonden consequenties en onverminderd het recht van de verkoper op schadevergoeding.

2.4. Door Ostada Vastgoed is in dit kader aan de Erven meegedeeld dat zij een in Vorden gelegen registergoed in VCH zal inbrengen om zo te voldoen aan deze verplichting uit de overeenkomst. Dit registergoed zou daaraan voorafgaande door de besloten vennootschap Nieuw Vennep Havenexploitatie Maatschappij B.V. (hierna ook: Nieuw Vennep) aan Ostada Vastgoed worden geleverd. Nieuw Vennep had op haar beurt zich jegens de eigenares van het registergoed verbonden dit op 28 december 2000 af te nemen.

2.5. Partijen spraken voorts af dat zij het voordeel door de besparing op de vennootschapsbelasting ad. ƒ 1.225.000,-- zouden delen.

2.6. De Erven hebben ingevolge deze aandelenoverdracht op 22 december 2000 de liquide middelen van VCH ad. ƒ 2.874.070,29 op de derdenrekening van de met de overdracht belaste notaris mr. Alferink gestort. Aan hen is de koopsom van

ƒ 1.952.993,-- overgemaakt.

2.7. Op diezelfde 22e december 2000 is van deze op de derdenrekening van notaris mr. Alferink gestorte liquide middelen van VCH een bedrag van ƒ 2.1 miljoen overgemaakt aan een derde, onder de vermelding "restitutie lening de [betrokkene]". Voorts is een bedrag van ƒ 571.077,30 overgemaakt aan Nieuw Vennep onder de vermelding: "aanbetaling Vorden” en een bedrag van

ƒ 250.000,-- naar Ostada Vastgoed B.V. onder vermelding van: “winstaandeel V.C.H.”.

2.8. Ostada Vastgoed heeft vervolgens op diezelfde 22e december 2000, eveneens ten overstaan van notaris mr. Alferink, de aandelen in VCH (door)verkocht aan een zekere [betrokkene 2] voor een bedrag van

ƒ 1.952.993,-. De hiervoor onder 2.3. weergegeven bepaling is ook in de betreffende leveringsakte opgenomen. Buiten medeweten van de raadsman van Ostada Vastgoed is VCH gevestigd op zijn kantooradres.

2.9. Op 28 december 2000 is aan notaris mr. Alferink meegedeeld dat [betrokkene 2] niet in staat zou zijn te voldoen aan zijn vervangingsreserveverplichting ingevolge de koopovereenkomst. Dit bericht is door de notaris direct doorgegeven aan Ostada Vastgoed.

2.10 Eveneens op 28 december 2000 is aan Nieuw Vennep het voornoemde registergoed, bestaande uit bedrijfsgebouwen en een dienstwoning te Vorden geleverd voor een koopsom van ƒ 2.480.000,-, waarvan een bedrag van

ƒ 400.000,-- betrekking heeft op de dienstwoning.

Nieuw Vennep heeft diezelfde dag nog deze dienstwoning voor een bedrag van ƒ1.5 miljoen verkocht en geleverd aan Appels & Eliens. De koopsom is voldaan door verrekening in rekening-courant. Het overige deel van het registergoed heeft Nieuw Vennep aan een derde verkocht en geleverd.

2.11 Als gevolg van de niet-nakoming van de bepaling terzake van de vervangings-reserve is de overeenkomst tussen [betrokkene 2] en Ostada Vastgoed ontbonden. Daardoor zijn de aandelen van VCH weer in handen van Ostada Vastgoed gekomen en is ook de verplichting terzake van de vervangingsreserve weer op Ostada Vastgoed komen te rusten. Omdat ook Ostada Vastgoed niet aan haar verplichting tot het inbrengen van vervangende onroerende goed heeft voldaan, is ook de overeenkomst tussen Ostada Vastgoed en de Erven ontbonden. De Erven zijn daardoor weer aandeelhouders van VCH geworden.

2.12 De aandelen van Ostada Vastgoed worden gehouden door Ostada Realty B.V., die ook enig bestuurder is. De aandelen van Ostada Realty B.V. worden gehouden door de [betrokkene], hierna ook: [betrokkene].

De aandelen in Appels & Eliens worden gehouden door Nieuw Vennep, die tevens enig bestuurder is. De aandelen in Nieuw Vennep worden eveneens gehouden door [betrokkene], tevens enig bestuurder. Bij al deze vennootschappen is niemand werkzaam. Zowel Ostada Vastgoed als Nieuw Vennep en Ostada Realty B.V. zijn gevestigd op het adres [---] te Amsterdam. Op dit adres bevindt zich een afgesloten garagebox. De telefoon is verbonden met een antwoordapparaat dat zich meldt als Nieuw-Vennep. [betrokkene] stelt woonachtig te zijn in Cannes, Frankrijk.

2.13 Na daartoe verlof te hebben gekregen hebben de Erven bij exploit van 31 januari 2001 conservatoir beslag gelegd ten laste van Appels & Eliens op de hiervoor onder 2.10 genoemde dienstwoning. Dit ter verzekering van verhaal van een door hen gestelde en op een bedrag van ƒ 1.750.000,-- begrote vordering op (onder meer) Appels & Eliens.

Zij hebben deze beslaglegging vervolgd onder meer door de betekening van een dagvaarding op 12 februari 2001 aan Ostada Vastgoed, Ostada Realty B.V., Nieuw Vennep, Appels & Eliens en [betrokkene]. Hoewel mr. Bollekamp aanvankelijk had ingestemd met het uitbrengen van de dagvaarding(-en) op zijn kantooradres, heeft hij dit nadien ten aanzien van Ostada Realty, Nieuw-Vennep, Appels & Eliens en [betrokkene] geweigerd. Op de eerstdienende dag, 25 april 2001, heeft mr. Bollekamp zich gesteld voor uitsluitend Ostada Vastgoed. Tegen de overige gedaagden is verstek verleend en de zaak is aangehouden. In deze procedure vorderen de Erven -samengevat- voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen hen en Ostada Vastgoed met betrekking tot de overdracht van de aandelen in VCH ongeldig is en dat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst in ieder geval is ontbonden. Voorts vorderen zij gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van

ƒ 1.596.577,39 bij wege van schadevergoeding en van ƒ 61.948,21 ter vergoeding van de door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten.

2.14 Bij beslaglegging op de door Nieuw-Vennep en Ostada Vastgoed aangehouden bankrekeningen bleek dat geen saldo van betekenis aanwezig was.

Vordering, grondslag en verweer

3. In conventie

3.1. De vordering van Appels & Eliens strekt tot opheffing van het door de Erven ten laste van haar gelegde beslag.

3.2. Zij baseert deze vordering op de vaststaande feiten en op de stelling dat aan het door de Erven ten laste van haar gelegde beslag geen deugdelijk vorderingsrecht ten grondslag ligt. Appels & Eliens kan niet aangesproken worden voor de vordering die de Erven stellen te hebben op Ostada Vastgoed. Zij heeft er recht op en belang bij dat het beslag zo spoedig mogelijk wordt opgeheven.

3.3. Op het verweer van de Erven zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

4. In reconventie

4.1. De Erven vorderen, samengevat, primair Appels & Eliens te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 921.077,39 aan haar en subsidiair tot betaling van een bedrag van ƒ 571.077,39 bij wijze van voorschot.

4.2. Zij baseren deze vordering op de vaststaande feiten en op het volgende.

[betrokkene] heeft hen via zijn vennootschappen Appels & Eliens, Nieuw Vennep, Ostada Vastgoed en Ostada Realty B.V. opgelicht. Hij heeft via Ostada Vastgoed enerzijds het liquide vermogen van VCH weggesluisd en anderzijds niet voldaan aan de verplichting tot inbreng van vervangend registergoed in de vennootschap. [betrokkene] heeft van meet af aan gehandeld met het oogmerk hen te benadelen. Dit ongeoorloofde oogmerk kan ook als het oogmerk van de door [betrokkene] beheerste rechtspersonen, waaronder Appels & Eliens, worden aangemerkt. Appels & Eliens kan daarom op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk worden aangesproken voor de vorderingen die de Erven op [betrokkene] en de met hem verbonden vennootschappen hebben. Dit ziet in ieder geval op betaling van een bedrag van ƒ 921.077,39 aan de Erven in verband met de op Ostada Vastgoed rustende ongedaanmakingsverplichting. Nieuw Vennep en Ostada Vastgoed bieden geen verhaal.

Appels & Eliens kan voorts verweten worden dat zij heeft geprofiteerd van de door Nieuw Vennep gepleegde wanprestatie jegens VCH/Ostada Vastgoed.

Een deel van het vermogen van VCH, te weten ƒ 571.077,39, heeft Ostada Vastgoed onmiddellijk na ontvangst aan Nieuw Vennep doorbetaald als aanbetaling Vorden. Het registergoed te Vorden is echter door Nieuw Vennep niet aan Ostada Vastgoed geleverd, maar (onder meer) aan Appels & Eliens. Deze vennootschap beschikt niet over enig vermogen en de woning is geleverd, zonder dat daar een concrete betaling van Appels & Eliens tegenover heeft gestaan. Het is evident dat de aankoop van de dienstwoning grotendeels is gefinancierd met geld van VCH. Door de levering van de dienstwoning aan haar heeft Appels & Eliens geprofiteerd van de wanprestatie van Nieuw Vennep, hetgeen onrechtmatig jegens VCH en de Erven is.

Zij hebben recht op en een spoedeisend belang bij betaling van een voorschot op de schade die zij als gevolg van het handelen van [betrokkene] en zijn vennootschappen hebben geleden.

4.3. Op het verweer van Appels & Eliens zal, voor zover van belang, hierna worden teruggekomen.

Beoordeling van de geschillen.

5. In conventie

5.1. Kernvraag bij de beoordeling van de deugdelijkheid van het door de Erven aan het beslag ten grondslag gelegde vorderingsrecht is of Appels & Eliens (mede) kan worden aangesproken voor de vorderingen die de Erven stellen op [betrokkene] en de door hem beheerste vennootschappen te hebben.

Appels & Eliens heeft deze vraag ontkennend beantwoord, de Erven bevestigend.

De Erven hebben daartoe aangevoerd dat [betrokkene] middelijk of onmiddellijk de betrokken vennootschappen beheerst en dat hij van deze vennootschappen gebruik heeft gemaakt met het oogmerk hen te benadelen. [betrokkene] heeft gebruik gemaakt van Appels & Eliens om vermogensbestanddelen aan het verhaal door de Erven te onttrekken. Daarnaast stellen zij dat Appels & Eliens aangesproken kan worden omdat zij profiteert van de wanprestatie van Nieuw Vennep, bestaande uit het feit dat Nieuw Vennep niet aan Ostada Vastgoed het registergoed te Vorden heeft geleverd, maar aan een derde en aan Appels & Eliens.

5.2. Summiere toetsing van de stellingen van partijen leidt tot het oordeel dat het door de Erven gestelde vorderingsrecht op Appels & Eliens niet op voorhand als ondeugdelijk kan worden aangemerkt. Dit oordeel berust op het volgende.

5.3. Vaststaat dat [betrokkene] middellijk danwel onmiddellijk enig aandeelhouder en bestuurder is van nagenoeg alle bij de transacties betrokken vennootschappen en dat hij ook steeds als enige is opgetreden voor deze vennootschappen, zodat gezegd kan worden dat hij de vennootschappen geheel beheerste.

Vaststaat ook dat [betrokkene], direct nadat hij (middellijk) de hoedanigheid van bestuurder en groot aandeelhouder van VCH had verworven, aanzienlijke bedragen van de rekening van VCH heeft laten overmaken naar de rekeningen van de eveneens door hem beheerste vennootschappen Nieuw Vennep en Ostada Vastgoed, alsmede naar zijn financier, om vervolgens de aandelen van VCH meteen door te leveren aan [betrokkene 2].

De Erven hebben aangevoerd dat dit een schijnhandeling betrof en daartoe gesteld dat enerzijds het (inmiddels al aanzienlijk geslonken) liquide vermogen van VCH niet aan [betrokkene 2] is overgedragen en anderzijds dat in strijd met de vermelding in de leveringsakte de koopsom voor de aandelen nooit door [betrokkene 2] aan Ostada Vastgoed is voldaan. Appels & Eliens heeft deze stellingen onvoldoende weersproken.

Maar wat er ook zij van de aard van de overeenkomst met [betrokkene 2], vaststaat dat [betrokkene 2] op 28 december 2000 aan de notaris heeft bericht dat hij niet zou kunnen voldoen aan de verplichtingen tot het inbrengen van vervangend registergoed en dat de notaris dit direct aan [betrokkene] heeft doorgegeven. Dit betekent dat het voor Ostada Vastgoed, in de persoon van [betrokkene], op die 28e december 2000 al duidelijk moest zijn dat de overeenkomst met [betrokkene 2] was ontbonden. [betrokkene] kon op dat moment voorzien dat de aandelen van VCH ingevolge de ongedaanmakingsverplichting weer eigendom van Ostada Vastgoed zouden worden, zodat ook op haar weer de verplichting zou komen te rusten, vervangend onroerend goed in te brengen.

5.4. Appels & Eliens heeft aangevoerd dat de mededeling van de notaris dat VCH haar respectievelijk [betrokkene 2] zijn verplichtingen niet zou nakomen tot gevolg had dat Nieuw Vennep zo snel mogelijk een nieuwe koper moest zoeken, om zo aan haar afnameverplichting jegens de eigenaar/verkoper van het perceel te kunnen voldoen. Omdat Nieuw Vennep het registergoed inmiddels aan anderen dan Ostada Vastgoed had verkocht, kon Ostada Vastgoed niet meer haar verplichtingen jegens de Erven nakomen, zo stelt zij.

Dit verweer treft geen doel.

Onweersproken is immers door de Erven aangevoerd dat niets Nieuw Vennep, in de persoon van [betrokkene], in de weg stond om op het moment dat het registergoed op 28 december 2000 eigendom van Nieuw Vennep werd, dit door te leveren aan Ostada Vastgoed/ [betrokkene], zodat alsnog voldaan kon worden aan de inbrengverplichting jegens de Erven. Appels & Eliens heeft geen bevredigende verklaring gegeven voor het feit dat Nieuw Vennep, in strijd met de met VCH/de Erven gesloten en weer herleefde overeenkomst, het registergoed niet aan VCH maar aan een derde en aan Appels & Eliens heeft verkocht en geleverd. Dit klemt temeer nu Appels & Eliens zelf aanvoert dat VCH terzake de onroerende zaken te Vorden al eerder een koopovereenkomst had gesloten met Nieuw Vennep, zodat niet begrijpelijk is waarom Nieuw Vennep Ostada Vastgoed/VCH toch gepasseerd heeft.

Aan het verweer van Appels & Eliens dat de bedrijfswoning geen onderdeel uitmaakte van het te leveren registergoed en dat het van meet af aan de bedoeling was dat deze woning aan haar geleverd zou worden, wordt voorbijgegaan. De Erven hebben ter onderbouwing van hun stelling dat de bedrijfswoning wel deel uitmaakte van het in VCH in te brengen registergoed een verklaring overgelegd van een van de bij de besprekingen tussen [betrokkene] en de Erven betrokken belastingadviseur waaruit blijkt dat gesproken werd over de koop van een bedrijfsruimte met een woning erbij. Appels & Eliens heeft hiertegenover haar verweer niet nader onderbouwd.

Het beroep op een gestelde financieringsprobleem gaat niet op. De Erven hebben immers onweersproken aangevoerd dat Ostada Vastgoed, in de persoon van [betrokkene], aangaf dat de aankoop van het registergoed uit eigen middelen gefinancierd zou worden.

5.5. Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken is het niet uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat [betrokkene] misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen de verschillende door hem beheerste vennootschappen, met het oogmerk de Erven te benadelen.

[betrokkene] kan immers verweten worden dat hij heeft bewerkstelligd dat de liquide middelen van VCH zijn weggesluisd naar zijn andere vennootschappen en ook verder zijn onttrokken aan verhaal, en dat de onroerende zaken niet aan VCH zijn geleverd.

Alle feiten en omstandigheden van het geval, en met name de vermogensverschuivingen die zich ten gunste van [betrokkene] hebben voorgedaan, doen op z’n minst het vermoeden rijzen dat [betrokkene] heeft gehandeld met de vooropgezette bedoeling misbruik te maken van verschillende vennootschappelijke identiteiten om zich ten nadele van de Erven/VCH te verrijken en nadien zich aan verhaal te onttrekken.

Het maken van zodanig misbruik moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot schadevergoeding. Deze verplichting tot schadevergoeding rust in de voorliggende situatie niet alleen op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens ook dient te worden aangemerkt als een oogmerk van henzelf. Dit brengt met zich dat voorlopig oordelend niet kan worden uitgesloten dat de Erven Appels & Eliens kunnen aanspreken tot vergoeding van de schade die zij door het handelen van [betrokkene] hebben geleden.

5.6. Zou hier al anders over gedacht worden, dan zou dit toch niet leiden tot de conclusie dat de Erven geen vordering jegens Appels & Eliens geldend kunnen maken. Met de Erven moet geoordeeld worden dat Appels & Eliens verweten kan worden dat zij door koop en levering van de dienstwoning aan haar misbruik heeft gemaakt van het feit dat Nieuw Vennep de onroerende zaak niet aan Ostada heeft geleverd, als gevolg waarvan Ostada haar verplichtingen jegens VCH niet is nagekomen. In dit verband is van belang dat uit het vermogen van VCH een bedrag van ƒ 571.077,-- aan Nieuw Vennep was overgemaakt als aanbetaling Vorden, dat Appels & Eliens daarvan op de hoogte was en dat Appels & Eliens bekend was met het feit dat Nieuw Vennep zich gebonden had de onroerende zaak op 28 december 2000 af te nemen en aan Ostada door te leveren met het oog op de inbreng daarvan in VCH. Aan Appels & Eliens was ook bekend dat VCH, en daarmee de Erven, een groot nadeel zou lijden in het geval Ostada niet aan haar leveringsverplichtingen zou (kunnen) voldoen. Daarnaast is van belang dat Appels & Eliens in de vorm van haar (middellijk) bestuurder en enig aandeelhouder invloed had kunnen uitoefenen op de beslissing van Nieuw Vennep om ondanks de voorliggende verplichtingen niet aan VCH, maar aan anderen te leveren, nu immers VCH, Nieuw Vennep, Ostada Vastgoed, Ostada Realty B.V. en Appels & Eliens middellijk of onmiddellijk allemaal vertegenwoordigd werden door dezelfde enig bestuurder en enig aandeelhouder [betrokkene].

Al deze bijkomende omstandigheden maken het handelen van Appels & Eliens onrechtmatig jegens VCH.

De stelling van Appels & Eliens dat zij door de transactie niet is verrijkt en dat zij een reële koopsom heeft betaald doet niet af aan het vorderingsrecht van VCH. Bij een vordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad is immers niet van belang of degene die onrechtmatig heeft gehandeld door die daad verrijkt is, maar of het slachtoffer door dat handelen schade heeft geleden, nog geheel daargelaten dat de Erven hebben betwist dat Appels & Eliens een reële prijs heeft betaald.

5.7. Nu op voorhand niet gezegd kan worden dat aan het door de Erven gelegde beslag een ondeugdelijk vorderingsrecht ten grondslag ligt, leidt een belangenafweging tot handhaving van het beslag. Met name in de onderhavige situatie, waar onweersproken is dat de overige door [betrokkene] beheerste vennootschappen geen enkel verhaal (meer) bieden, prevaleert het belang van de Erven bij handhaving van het beslag ter verzekering van verhaal van de door hen gestelde vordering boven de door Appels & Eliens gestelde maar overigens niet nader onderbouwde belang bij opheffing van het beslag.

5.8. Appels & Eliens zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6. In reconventie.

6.1. Hoewel hiervoor in conventie geconcludeerd is dat summierlijk niet gebleken is dat de vordering van de Erven op Appels & Eliens ondeugdelijk is, impliceert dit niet dat de vordering van de Erven tot betaling van een voorschot op de door hen geleden schade in deze procedure ook voor toewijzing vatbaar is.

Voor een veroordeling tot betaling van een geldsom als voorlopige voorziening bestaat onder meer slechts aanleiding als de gehoudenheid tot betaling nagenoeg vaststaat en er een groot en spoedeisend belang bestaat om vooruit te lopen op het oordeel van de bodemrechter. Die situatie doet zich hier niet voor.

De vordering van de Erven staat niet zodanig vast dat ze voor toewijzing in kort geding vatbaar is, terwijl het enkele feit dat de Erven thans niet over een bedrag van bijna een miljoen kunnen beschikken niet een zodanig spoedeisend belang oplevert dat het treffen van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is. Daarbij is van belang dat de Erven door het leggen van beslag maatregelen hebben getroffen ter verzekering van verhaal van zowel de hoofdsom als de verschenen rente en kosten. Zij zullen dan ook, in het geval zij in het gelijk worden gesteld, de vermogensschade die ze hebben geleden omdat zij niet over al hun gelden konden beschikken, in de vorm van verschenen wettelijke rente kunnen verhalen op Appels & Eliens.

6.2. De Erven zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslist:

In conventie:

Weigert de gevorderde voorziening;

Veroordeelt Appels & Eliens in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Erven gevallen en begroot op ƒ 1550,-- voor salaris procureur en ƒ 400,-- voor verschotten;

In reconventie

Weigert de gevorderde voorziening;

Veroordeelt de Erven in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Erven gevallen en begroot op ƒ 775,-- voor salaris procureur;

Aldus gewezen door mr. D. Vergunst, fungerend president, en op 12 juni 2001 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. A. Procee als griffier.

AP/Vg