Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB2031

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-05-2001
Datum publicatie
11-06-2001
Zaaknummer
00/501 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 00/501 WAO

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Hencon B.V. te Ulft, eiseres,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door GAK Nederland bv, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 april 2000

2. Feiten

Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerder het voor eiseres geldende gedifferentieerde premiepercentage ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2000 vastgesteld. Verweerder heeft die vaststelling mede gebaseerd op de in 1998 aan (ex-) werknemers van eiseres betaalde WAO-uitkeringen. Daarbij gaat het om uitkeringen waarvan de ingangsdata zijn gelegen in respectievelijk 1993, 1994 en 1998. Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar gemaakt, dat bij het thans bestreden besluit ongegrond is verklaard.

3. Procesverloop

Tegen het bestreden besluit is namens eiseres beroep ingesteld bij beroepschrift van 24 mei 2000 op de gronden uiteengezet in een aanvullend beroepschrift met bijlagen. Zijdens verweerder zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift.

Het beroep is - gevoegd met het beroep van eiseres geregistreerd onder 99/715 WAO - behandeld ter zitting van 8 maart 2001. Aldaar heeft eiseres zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.C. van Dongen, sociaal-juridisch medewerker van de Metaalunie te Nieuwegein, en verweerder door mr. D.B.D van Beek, werkzaam bij GAK Nederland B.V..

4. Motivering

Op 1 januari 1998 is de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschikt-heidsverzekeringen (Stb. 1997, 175; hierna: de Wet Pemba) in werking getreden. Doel van deze wet is onder meer het stimuleren van de werkgever tot het voeren van een adequaat preventie- en reïntegratiebeleid ten aanzien van arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Door de wetgever is er met het oog daarop voor gekozen om de door de werkgever te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk te maken van de aan (voormalige) werknemers in een bepaald jaar uitbetaalde WAO-uitkeringen. Daartoe bepaalt artikel 76a van de WAO dat de premie die de werkgever verschuldigd is, bestaat uit een basispremie alsmede uit een gedifferentieerde premie waarop de artikelen 76b en 78 van de WAO van toepassing zijn. In laatstgenoemd artikel is (onder meer) bepaald dat de gedifferentieerde premie wordt geheven naar een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage waarbij verweerder jaarlijks per 1 januari voor elke werkgever een opslag of korting vaststelt waarmee voor die werkgever het hiervoor genoemde rekenpercentage wordt verhoogd of verlaagd. In artikel 4 van het (op artikel 78, zesde lid, van de WAO steunende) Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: het Besluit) is, voorzover hier van belang, bepaald dat de gedifferentieerde premie is gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in het tweede kalenderjaar voor het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot de betreffende werkgever.

Namens eiseres is in het aanvullend beroepschrift betoogd dat de aan haar (voormalige) werknemers in 1998 betaalde WAO-uitkeringen door verweerder bij de berekening van de te harer laste komende gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2000 buiten beschouwing moeten worden gelaten primair op de grond dat bij de toekenning van WAO-uitkeringen in het algemeen wordt gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en voorts omdat haar door de wetgever zowel voor als na 1 januari 1998 de (reële) mogelijkheid werd/wordt onthouden om de juistheid van de bij de onderhavige premievaststelling in aanmerking genomen, aan haar (voormalige) werknemers toegekende (en voortgezette) WAO-uitkeringen in rechte aan te vechten en wel noch in het kader van het onderhavige beroep noch in het kader van een beroep tegen de toekenning (of voortzetting na die datum) van die uitkeringen, dit laatste onder verwijzing naar de bepalingen van paragraaf 2 van hoofdstuk VII van de WAO. Deze beperking van haar beroepsrecht verdraagt zich naar haar mening niet met haar in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van haar zaak. Ingevolge dat artikellid komt haar dat recht toe zowel bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen als bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen haar ingestelde vervolging.

De rechtbank onderschrijft dit betoog inzoverre dat ook zij, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 februari 1995, gepubliceerd in RSV 1996/214, van oordeel is dat genoemd artikelonderdeel van toepassing is op het onderhavige geding en wel omdat de vaststelling van de door eiseres over het jaar 2000 verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie betrekking heeft op “the determination of (haar) civil rights and obligations” in de zin van deze bepaling.

Eveneens onder verwijzing naar die uitspraak is ook de rechtbank van oordeel dat er bij die vaststelling geen sprake is van een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat de vaststelling van een gedifferentieerde WAO-premie kan worden gekarakteriseerd als een bijdrage van de werkgever in de kosten van de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Deze bijdrage heeft meerdere doelstellingen, waarvan één inhoudt het op een bepaalde (meer directe) wijze verdelen van de lasten van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een andere het beïnvloeden van het gedrag van de werkgever, ertoe strekkende dat hij een positieve bijdrage levert aan het verminderen van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Voor een niet verwaarloosbaar aantal gevallen heeft de werkgever part noch deel aan het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, bijvoorbeeld in het geval de arbeidsongeschiktheid volledig in de privé-sfeer van de werknemer is ontstaan (“risque social”), zodat in die gevallen de werkgever ook voor hem niet te vermijden risico’s draagt.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat in essentie niet gesproken kan worden van “overtreding” van enige norm die een punitief karakter zou hebben. De bijdrage van de werkgever in de kosten van de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers kan evenmin geduid worden als een sanctie.

Aan eiseres kan voorts worden toegegeven dat haar als (voormalig) werkgever op grond van de voor de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en van de Wet Pemba geldende wettelijke bepalingen geen beroepsrecht krachtens de Beroepswet respectievelijk de Awb toekwam terzake van de toekenning van een WAO-uitkering aan haar (voormalige) werknemers en evenzeer dat ingevolge die laatste wet sedert 1 januari 1998 in artikel 87e van de WAO is bepaald dat het bezwaar of beroep van de werkgever tegen de in artikel 78 bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheids-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Een en ander levert naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen grond op om in het onderhavige geding artikel 87e voornoemd buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Daarbij heeft de rechtbank allereerst in aanmerking genomen dat inmiddels ook de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 12 februari 2001, gepubliceerd in NJb aflevering 12 van 23 maart 2001, als zijn oordeel te kennen heeft gegeven dat een niet eigen risico dragende werkgever als eiseres ingaande 1 januari 1998 belanghebbende is bij een besluit tot toekenning van een WAO-uitkering aan (een van) zijn (voormalige) werknemers. Datzelfde moet naar het oordeel van de rechtbank gelden waar het gaat om een besluit tot herziening van een WAO-uitkering met ingang van een na 31 december 1997 gelegen datum.

Voorts is in dit verband van belang dat de rechtbank reeds eerder (bij haar uitspraak van 29 augustus 2000 onder nummers 00/277 t/m 281 WAO) heeft uitgesproken dat het voor werkgevers zoals eiseres mogelijk is om ook terzake van vóór 1 januari 1998 toegekende en in dat jaar voortgezette WAO-uitkeringen (alsnog) besluiten van verweerder uit te lokken door middel van een verzoek om het recht op of de hoogte van die uitkeringen ingaande 1 januari 1998 opnieuw te beoordelen, tegen welke besluiten desgewenst rechtsmiddelen zijn aan te wenden.

In het vorenstaande ligt, zo merkt de rechtbank ter voorlichting van partijen nog op, besloten dat in die gevallen waarin verweerder omtrent het recht op of de hoogte van de WAO-uitkering op enige in dat jaar gelegen datum nog niet eerder een (ook) aan de werkgever bekend gemaakt besluit heeft genomen, de afwijzing van een zodanig verzoek niet kan worden aangemerkt als een weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Dat brengt mee dat die afwijzing, zo deze na bezwaar wordt gehandhaafd, aan een volle rechterlijke toets is onderworpen.

Wat het verloop van de rechtsgang tegen (alsnog te nemen) besluiten als hiervoor bedoeld betreft, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van heden in het onder 3 vermelde geding onder nummer 99/715 WAO. Daaruit blijkt dat die rechtsgang, hoewel deze in de door de wetgever voorgeschreven vorm naar het oordeel van de rechtbank in bepaalde opzichten niet voldoet aan de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voortvloeiende vereisten, niettemin zodanig kan worden ingericht dat aan die eisen zoveel mogelijk kan worden tegemoetgekomen, zonder in een te vergaande mate afbreuk te doen aan het recht van de werknemer op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

Uitsluitend in het kader van die rechtsgang - en derhalve niet in dit geding - kan mede aan de orde worden gesteld of een ten aanzien van een (voormalige) werknemer genomen besluit tot toekenning (en voortzetting) van een WAO-uitkering strijd oplevert met het verbod van willekeur. Of dat verbod is geschonden kan overigens, zo merkt de rechtbank nog op, niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid - wat daarvan overigens ook zij - dat er bij de uitvoering van de WAO in het algemeen sprake is van willekeur.

Gezien het vorenoverwogene is er geen aanleiding om thans niet uit te gaan van de juistheid van de aan de (voormalige) werknemers van eiseres in 1998 betaalde WAO-uitkeringen.

Daaruit volgt dat verweerder niet gehouden is om in het kader van dit beroep inzicht te verschaffen in stukken van medische en/of arbeidskundige aard welke aan de uitbetaling van die WAO-uitkeringen ten grondslag liggen. Voorzover nodig verdient nog opmerking dat de wetgever in artikel 6 van het Besluit een voorziening heeft getroffen voor het geval (in de toekomst) mocht blijken dat een bij de berekening van de verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie in aanmerking genomen uitkering geheel of ten dele ten onrechte is toegekend (dan wel voortgezet). De rechtbank realiseert zich dat toepassing van deze bepaling niet altijd tot een lagere premievaststelling zal leiden in het kalenderjaar waarin dat blijkt, doch alsdan bestaat de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van de schade die is geleden ten gevolge van de onrechtmatig gebleken toekenning of voortzetting van de uitkering.

Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met enige bepaling van (inter- of supra)nationaal recht kan dat besluit in rechte standhouden. Derhalve zijn er geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

Beslist moet dan ook worden zoals hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en

Mr. J.A.M. Smulders, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2001

in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: