Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB2029

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/940 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Miskenning betekenis van voorbehoud bij positief welstandsadvies.

Vrijstelling (binnenplans) en bouwvergunning voor was- en toiletruimte ten behoeve van kampeerterrein. Tijdens de bezwaarprocedure is een tweede welstandsadvies gevraagd, omdat was gebleken dat het bouwwerk gedeeltelijk in afwijking van het ingediende bouwplan was gebouwd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat een positief welstandsadvies is gegeven. Het betreffende (tweede) welstandsadvies is een zogenaamd stempeladvies bij een foto van het inmiddels geplaatste bouwwerk. Volgens het advies bestaat geen bezwaar tegen het bouwwerk, onder de aantekening "mits donker uitgevoerd en uit het zicht geplaatst". Het gaat derhalve om een positief advies met een voorbehoud. Aangenomen moet worden dat dit voorbehoud juist is gemaakt om de reden dat uit de foto blijkt dat het bouwwerk voor een aanmerkelijk gedeelte in een (zeer) lichte kleur is uitgevoerd en voorts uit de foto niet kan worden afgeleid dat het bouwwerk "uit het zicht" is geplaatst. Verweerder heeft de betekenis van het voorbehoud miskend door zonder meer ervan uit te gaan dat een positief welstandsadvies is gegeven.

Onzorgvuldig voorbereid en geen deugdelijke motivering.

Vernietigt het bestreden besluit wat betreft de verlening van de bouwvergunning.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet, verweerder.

mr. K. van Duyvendijk

Wetsverwijzingen
Woningwet 48
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 00/940 WW44

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A en B, wonende te C, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet, verweerder,

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 augustus 2000.

2. Feiten

Eisers wonen op het perceel […] X te C, gemeente D.

Op het aangrenzende perceel […] Y wordt door E (hierna: E) een kleinschalig kampeerterrein geëxploiteerd, sedert het jaar 2000 met een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (Wolr) voor de plaatsing van maximaal vijf mobiele kampeermiddelen.

Bij besluit van 9 maart 2000, verzonden op 14 maart 2000, heeft verweerder aan E een planologische vrijstelling alsmede bouwvergunning verleend voor de plaatsing van een was- en toiletruimte op het perceel […] Y.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Verweerder heeft desverzocht nadere stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 februari 2001, waar eisers zijn verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R. Jager.

4. Motivering

In geschil is in de eerste plaats de verlening van een planologische vrijstelling voor de bouw van een was- en toiletruimte op het perceel […] Y. Verweerder heeft deze vrijstelling verleend met toepassing van artikel 6, vierde lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied”.

Het onderhavige perceel heeft de bestemming “Agrarisch gebied”. Binnen elk bouwperceel mogen gronden met die bestemming volgens artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften worden gebruikt als standplaats voor ten hoogste vijf mobiele kampeermiddelen, met uitzondering van de als “bufferzone” aangeduide gronden. Volgens artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften mag binnen elk bouwperceel op de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied” uitsluitend worden gebouwd de bij één agrarisch bedrijf behorende bebouwing.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, ten behoeve van het bouwen van gebouwen voor sanitaire ruimten ten dienste van het gebruik als bedoeld in artikel 4, derde lid. Voor het bouwen gelden de volgende eisen:

a. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mag binnen elk bouwperceel niet meer dan 20 m² bedragen;

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer dan 3 m en de hoogte niet meer dan 6 m bedragen.

Gelet op de beschikbare feitelijke gegevens stelt de rechtbank vast dat verweerder bevoegd is tot verlening van vrijstelling voor de bouw van het in geding zijnde sanitaire gebouw.

De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de vrijstellingverlening heeft kunnen komen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij bij uitspraak van 1 mei 2001, reg.nr. 00/938, ongegrond heeft verklaard het beroep van eisers terzake van de verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wolr voor de plaatsing van vijf mobiele kampeermiddelen op het in geding zijnde perceel. In die uitspraak is mede overwogen dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen die ontheffingverlening.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat op hun eigen perceel van de aanwezigheid van het sanitaire gebouw dan wel het gebruik daarvan een zodanige hinder wordt ondervonden, dat verweerder de vrijstelling in redelijkheid niet had mogen verlenen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vrijstellingverlening, in aanmerking komt voor vernietiging.

In de tweede plaats is de verlening van bouwvergunning in geschil.

Nu de verlening van vrijstelling in stand kan blijven, is er geen plaats voor het oordeel dat verweerder de bouwvergunning, gelet op artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, had moeten weigeren wegens strijd van het bouwwerk met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet, voor zover hier van belang, moet de bouwvergunning voorts worden geweigerd indien het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Op grond van artikel 48, eerste lid, van de Woningwet dienen burgemeester en wethouders terzake advies in te winnen bij een commissie van onafhankelijke deskundigen.

Eisers hebben omtrent de welstandsaspecten van het onderhavige bouwwerk grieven aangevoerd.

In het onderhavige geval is tijdens de bezwaarprocedure een tweede welstandsadvies gevraagd, omdat gebleken was dat bouwwerk gedeeltelijk in afwijking van het ingediende bouwplan was gebouwd. Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen - door overneming van de overwegingen van de commissie Bezwaar- en Beroepschriften - dat een positief welstandsadvies is gegeven.

Het betreffende (tweede) welstandsadvies, gedateerd 25 april 2000, is een zogenaamd stempeladvies bij een foto van het inmiddels geplaatste bouwwerk c.q. sanitaire gebouw.

Volgens het advies bestaat geen bezwaar tegen het bouwwerk, onder de aantekening “mits donker uitgevoerd en uit het zicht geplaatst”. Het gaat derhalve om een positief advies met een voorbehoud. Aangenomen moet worden dat dit voorbehoud juist is gemaakt om de reden dat uit de foto blijkt dat het bouwwerk voor een aanmerkelijk gedeelte in een (zeer) lichte kleur is uitgevoerd en voorts uit de foto niet kan worden afgeleid dat het bouwwerk “uit het zicht” is geplaatst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de betekenis van het voorbehoud miskend door zonder meer ervan uit te gaan dat een positief welstandsadvies is gegeven. Ter zitting is namens verweerder erkend dat aan het voorbehoud geen aandacht is geschonken.

Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de toetsing aan redelijke eisen van welstand niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust. Mitsdien kan dit besluit, voor zover het betrekking heeft op de verlening van een bouwvergunning, niet in stand blijven.

Voor het overige heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om het bestreden besluit voor wat betreft de bouwvergunningverlening voor onjuist te houden.

Van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is de rechtbank niet gebleken.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond voor wat betreft de verlening van vrijstelling;

verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de verlening van bouwvergunning;

vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak:

gelast verweerders gemeente aan eisers het betaalde griffierecht van f 225,- te vergoeden;

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: