Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB1548

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
reg.nr.: 01/481
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 01/481

UITSPRAAK

inzake het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

Slotboom Juwelier-Horloger B.V., te Zutphen, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van 29 maart 2001, waarbij verweerder verzoekster heeft aangezegd de aan het pand Nieuwstad 64 te Zutphen aangebrachte handelsreclames binnen vier weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen, onder oplegging van een dwangsom van f 250,-- per overtreding per dag met een maximum van f. 15.000,--.

2. Procesverloop

Namens verzoekster heeft mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, bij brief van 11 april 2001 bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 26 april 2001 heeft de president het bestreden besluit bij wijze van voorlopige ordemaatregel geschorst.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 3 mei 2001, waar namens verzoekster is verschenen mr. Lubben voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.E.W. de Rouw en mevrouw ing. A. Koster-de Lange.

3. Motivering

3.1. Thans moet worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat de getroffen voorlopige voorziening wordt gehandhaafd of gewijzigd. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Op 25 december 1998 is de door de gemeenteraad van Zutphen op 17 december 1998 vastgestelde Verordening op het Stads- en landschapsschoon 1998 (hierna te noemen: de verordening) in werking getreden en is de voorheen geldende Verordening op het Stads- en landschapsschoon uit 1991 komen te vervallen. Eveneens op 25 december 1998 zijn in werking getreden de door verweerder op grond van artikel 5, tweede lid, van de verordening vastgestelde nadere regels inzake de beoordeling van aanvragen om vergunning ingevolge de verordening (hierna: de nadere regels).

De verordening en de nadere regels bevatten verscherpte criteria voor (onder meer) het aanbrengen van handelsreclame op onroerende zaken. Hiermee wordt beoogd de historische (beeld)kwaliteit van met name de binnenstad te herstellen. In verband met deze doelstelling bevat artikel 22 van de verordening een aantal overgangsbepalingen.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald, voor zover hier van belang, dat handelsreclame-uitingen, die voordat de verordening in werking is getreden zijn aangebracht met een vergunning voor onbepaalde tijd, maar die op grond van de nadere regels niet meer voldoen, uiterlijk binnen drie jaar na vaststelling van de verordening dienen te worden verwijderd.

In het vijfde lid is bepaald dat handelsreclame-uitingen, die voordat de verordening in werking is getreden zijn aangebracht zonder de vereiste vergunning en waarvoor op grond van de verordening geen vergunning kan worden verleend, onmiddellijk dienen te worden verwijderd.

3.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster in overtreding is van het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de verordening, aangezien de thans (nog) aanwezige handelsreclame-uitingen c.q. lichtbakken op het winkelpand van verzoekster destijds zonder de vereiste vergunningen zijn aangebracht en voor deze lichtbakken op grond van de verordening geen vergunning kan worden verleend.

3.4. Het pand van verzoekster is gelegen in een gebied waarvoor een aanwijzing als beschermd stadsgezicht geldt. In een dergelijk gebied zijn lichtbakken als de onderhavige volgens artikel 4 van de nadere regels niet toegestaan. Voor afwijking van de nadere regels of van de bepalingen van de verordening op grond van artikel 16 van de nadere regels respectievelijk artikel 21 van de verordening is geen plaats, omdat niet valt in te zien dat terzake van handelsreclame op het pand van verzoekster redelijkerwijs niet aan de nadere regels dan wel de bepalingen van de verordening kan worden voldaan. Met verweerder moet dan ook worden geoordeeld dat voor de aanwezige lichtbakken geen vergunning kan worden verleend op grond van de verordening.

3.5. Verzoekster heeft gesteld dat voor de aanwezige lichtbakken, met uitzondering van de lichtbak met opschrift “Le Chic”, in het verleden wel vergunning is verleend en heeft daartoe gewezen op de in 1968, 1981 en 1983 voor onbepaalde tijd verleende vergunningen voor diverse lichtreclames op haar pand.

3.6. Gelet op de gedingstukken, waaronder afschriften van bedoelde vergunningen met bijbehorende tekeningen, alsmede de ter zitting getoonde foto’s, moet worden vastgesteld dat geen van de thans aanwezige lichtbakken overeenkomt met de reclame-uitingen waarvoor destijds vergunningen zijn verleend en die nadien zijn verwijderd c.q. vervangen door de thans aanwezige lichtbakken. Met verweerder moet dan ook worden geoordeeld dat de thans op het pand aanwezige lichtbakken alle zonder de vereiste vergunning zijn aangebracht. Verweerder kan in dit verband worden gevolgd in zijn opvatting dat bij vervanging van een reclame-uiting door een andere welke daarvan voor wat betreft vorm, omvang, kleurstelling, tekst of anderszins in relevante mate afwijkt, opnieuw een vergunning is vereist. Er zijn zodanige relevante verschillen aan te wijzen tussen de vroegere en de thans op het pand van verzoekster aanwezige lichtbakken, dat niet kan worden gezegd dat deze laatste krachtens de in 1968, 1981 en 1983 verleende vergunningen zijn aangebracht.

3.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit geval sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de verordening. Verweerder is derhalve, gelet op artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Awb, bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom.

3.8.

Behoudens bijzondere omstandigheden is het onjuist noch onredelijk te achten dat een bestuursorgaan in een geval waarin is gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift en deze handeling niet kan worden gelegaliseerd, in het belang van de handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking besluit tot het aanzeggen van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom.

3.9. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in het onderhavige geval had behoren af te zien van handhaving, is niet gebleken.

Als een zodanige bijzondere omstandigheid kan met name niet worden aangemerkt dat de winkel van verzoekster is gevestigd op een zogenoemde B-locatie en zonder de huidige lichtreclames minder opvalt waardoor, naar verzoekster vreest, potentiële kopers de winkel niet zo snel zullen bezoeken. In dit verband moet mede in aanmerking worden genomen dat verzoekster, evenals de andere winkeliers in Zutphen, tijdig is geïnformeerd omtrent de nieuwe regelgeving en het verscherpte handhavingsbeleid, en voorts dat verweerder verzoekster bij brief van 31 augustus 1999 in kennis heeft gesteld van zijn bevinding dat voor geen van de thans aanwezige handelsreclames vergunning is verleend. Verzoekster heeft dan ook ruim de tijd gehad om in te spelen op de nieuwe situatie waarin lichtreclames als de thans aanwezige niet meer zijn toegestaan.

3.10. Ook overigens zijn geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het bestreden besluit bij de beslissing op bezwaar niet kan worden gehandhaafd. Er is daarom geen plaats voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat de getroffen voorlopige voorziening wordt gehandhaafd of gewijzigd.

3.11. De schorsing van het bestreden besluit zal daarom worden opgeheven met inachtneming van een redelijk te achten termijn. Voor een veroordeling in proceskosten zijn geen termen aanwezig.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

- heft de schorsing van het bestreden besluit op met ingang van 18 mei 2001.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: