Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0722

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
99/841 BELEI 06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Oordeel van deskundige over causaal verband door verweerder onvoldoende gemotiveerd betwist. Rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Besluit op bezwaar, inhoudend dat verweerder aansprakelijkheid erkent voor de helft van de door eiser geleden schade als gevolg van de gehoorbeschadiging, zijnde dat deel dat een gevolg was van de blootstelling aan lawaai tijdens zijn werkzaamheden en niet met zekerheid valt vast te stellen in hoeverre de doofheid aan andere oorzaken moet worden toegeschreven.

In zijn brief van 8 augustus 2000 erkent de door eiser ingeschakelde deskundige dr. T.A. Tange, universitair hoofddocent oorheelkunde te Amsterdam, dat het gehoorverlies van betrokkene tweeërlei oorzaak heeft met de toevoeging dat hij geneigd is het aan de lawaaiblootstelling toe te rekenen deel van de slechthorendheid van betrokkene te stellen op 60 tot 75%, gezien het zeer forse perceptieve verlies. Nu verweerder in reactie op genoemde brief heeft volstaan met de niet nader geadstrueerde stelling dat het zeer forse perceptieve verlies niet genoeg houvast biedt voor een ander vergoedingspercentage dan het door hem gehanteerde, moet worden geoordeeld dat verweerder de opvatting van dr. Tange over de mate van causaal verband onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel brengt mee dat het beroep gegrond moet worden verklaard; het bestreden besluit, voorzover verweerder zich daarbij aansprakelijk heeft geacht voor de helft van de door betrokkene geleden schade, kan wegens strijd met art. 7:12 Awb niet in stand blijven.

De rechtbank vindt aanleiding om met toepassing van art. 8:72, vierde lid Awb zelf in de zaak te voorzien, daarbij in aanmerking nemend dat de voorhanden medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bevatten om verweerder volledig aansprakelijk te houden voor de door betrokkene geleden schade. Stelt vast dat verweerder voor 60% aansprakelijk is voor de schade.

De Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

mr. M.J. van Lee

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2001-02-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 99/841 BELEI 06

UITSPRAAK

in het geding tussen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van A (hierna: betrokkene), eisers,

en

de Staatssecretaris van Defensie te ’s-Gravenhage, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 juli 1999.

2. Feiten

Betrokkene, geboren op […] 1929, is van 1959 tot eind 1992 werkzaam geweest als onderhoudsmonteur bij de Dienst […]. In die hoedanigheid is hij vanaf 1983 dagelijks blootgesteld geweest aan lawaai. Zijn werkzaamheden lieten niet toe dat hij daarbij gehoorbeschermende middelen droeg.

Vanaf 1982 heeft hij gehoorstoornissen ondervonden die door zijn huisarts werden toegeschreven aan een tubaire dysfunctie. Begin 1993 is bij hem perceptiedoofheid aan beide oren gediagnosticeerd, in verband waarmee hem een gehoorapparaat aan het rechteroor is voorgeschreven. Namens betrokkene is verweerder aansprakelijk gesteld voor de materiele en immateriële schade voortvloeiend uit deze doofheid. Op […] 1997 is betrokkene overleden, waarna eisers de aansprakelijkstelling hebben gehandhaafd. Bij besluit van 1 april 1998 heeft verweerder geweigerd eisers schade te vergoeden omdat er naar het oordeel van verweerder geen causaal verband bestond tussen de blootstelling aan lawaai en het gehoorverlies. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en zijn besluit van 1 april 1998 herroepen in die zin dat hij alsnog aansprakelijkheid erkent voor dat deel van gehoorbeschadiging van betrokkene dat een gevolg was van de blootstelling aan lawaai tijdens zijn werkzaamheden. Nu niet met zekerheid valt vast te stellen in hoeverre de doofheid aan andere oorzaken moet worden toegeschreven is verweerder bereid om de helft van de door eiser geleden schade voor zijn rekening te nemen.

3. Procesverloop

Tegen het bestreden besluit is namens eiser beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden. Zijdens verweerder zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift en vervolgens nog enige nadere stukken. Van de zijde van eiser is nog een brief overgelegd van dr. T.A. Tange, universitair hoofddocent oorheelkunde te Amsterdam, van 8 augustus 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 november 2000, waar namens eisers is verschenen mr. M.J.M. Postma, advocaat te Woerden, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers, ambtenaar ten departemente.

4. Motivering

De rechtbank stelt voorop dat zijdens verweerder wordt erkend dat betrokkene in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Daarin ligt besloten dat hij is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht. Dat brengt mee - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad in civiele zaken (zie bijvoorbeeld JAR 1998/138) - dat, zoals namens eisers is gesteld, aangenomen moet worden dat er causaal verband bestaat tussen de gehoorstoornis van betrokkene en het niet nakomen van die zorgplicht, tenzij verweerder gemotiveerd zou hebben gesteld en bewezen dat dit causaal verband ontbreekt. Aangaande de vraag of verweerder in dat bewijs is geslaagd overweegt de rechtbank het volgende.

Ter ondersteuning van het verzoek om schadevergoeding heeft betrokkenes gemachtigde verweerder een ongedateerd rapport van dr. Tange voornoemd doen toekomen, toegelicht bij een aan het bezwaarschrift gehecht faxbericht van diens hand. Blijkens dat rapport heeft hij op een van de aan hem voorgelegde vragen geantwoord dat het gehoorverlies aan beide oren duidelijk vele malen erger is dan passend bij zijn leeftijd met de toevoeging dat het forse perceptieve gehoorverlies naar alle waarschijnlijkheid mede te danken is aan langdurige lawaai-invloeden uit het verleden. Verweerders medisch adviseur L.G. Koenen heeft daartegenover gesteld dat het in 1996 bij betrokkene gemaakte audiogram een verloop toont dat niet kenmerkend is voor lawaaidoofheid en er voorts op gewezen dat betrokkenes klachten eerst op latere leeftijd en ten dele eerst na zijn pensionering zijn opgetreden en toegenomen, zodat er kennelijk sprake was van een - niet te verwachten - verslechtering nadat de blootstelling aan lawaai was gestopt, hetgeen aannemelijk maakt dat de doofheid mede op een fysiologische component berust. Aangezien het naar de mening van verweerders medisch adviseur H.A.J. Smink niet goed mogelijk is om aan te geven welk deel van de gehoorstoornis aan lawaaiblootstelling kan worden toegeschreven, heeft verweerder dit deel arbitrair gesteld op 50%. In de onder 3 genoemde brief van dr. Tange van 8 augustus 2000 erkent deze dat het gehoorverlies van betrokkene tweeërlei oorzaak heeft met de toevoeging dat hij geneigd is het aan de lawaaiblootstelling toe te rekenen deel van de slechthorendheid van betrokkene te stellen op 60 tot 75%, gezien het zeer forse perceptieve verlies.

Nu verweerder in reactie op genoemde brief heeft volstaan met de niet nader geadstrueerde stelling dat het zeer forse perceptieve verlies niet genoeg houvast biedt voor een ander vergoedingspercentage dan het door hem gehanteerde, moet worden geoordeeld dat verweerder de opvatting van dr. Tange over de mate van causaal verband onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel brengt mee dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit, voorzover verweerder zich daarbij aansprakelijk heeft geacht voor de helft van de door betrokkene geleden schade, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. De rechtbank vindt aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op de hierna aan te geven wijze, daarbij in aanmerking nemend dat de voorhanden medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bevatten om verweerder volledig aansprakelijk te houden voor de door betrokkene geleden schade. Tot slot zijn er termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voorzover verweerder zich daarbij voor 50% aansprakelijk heeft geacht voor de door betrokkene in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade;

- stelt vast dat verweerder voor 60% aansprakelijk is voor de genoemde schade;

- bepaalt dat deze uitspraak inzoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder het betaalde griffierecht ad f 225,-- aan eisers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers begroot op f 1.420,-- terzake van verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de hiervoorgenoemde bedragen dient te voldoen.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2001 in

tegenwoordigheid van de griffier.