Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0717

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
26-06-2003
Zaaknummer
00/1368 en 00/1372
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

VVV is niet als belanghebbende aan te merken bij besluit inzake plaatsing GSM opstelpunt op enige afstand van toeristische fietsroute.

Bezwaren van onder meer de VVV Vorden tegen met toepassing van de anticipatieprocedure verleende bouwvergunning voor het plaatsen van een GSM opstelpunt ongegrond verklaard.

In art. 2, eerste lid, van de statuten van de VVV Vorden is bepaald dat de vereniging tot doel heeft het bevorderen van een voor de verschillende geledingen van de samenleving zo goed mogelijk gebruik van de toeristische en recreatieve mogelijkheden in het werkgebied van de vereniging. De President is van oordeel dat het belang van de VVV Vorden gelet op voornoemde doelstelling niet rechtstreeks betrokken is bij de oprichting van de GSM-mast. Niet valt in te zien dat door de plaatsing van de mast, op, naar ter zitting door verweerder is verklaard, een afstand van ongeveer 200/300 meter van een toeristische fietsroute (binnen het werkgebied van VVV Vorden), het doel van de VVV wordt geschaad.

Verweerder heeft derhalve de VVV Vorden ten onrechte aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 1:2, derde lid, van de Awb.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vorden, verweerder.

mr. M.J. van Lee (president)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2001-02-01
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2001-02-01
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28, geldigheid: 2001-02-01
Wet op de Ruimtelijke Ordening 56b, geldigheid: 2001-02-01
Woningwet 44, geldigheid: 2001-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: 00/1368 en 00/1372

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

A, B, C,

Vereniging voor Vreemdelingenverkeer Vorden (hierna: VVV Vorden) en de Werkgroep

Particuliere (NSW) Landgoederen in de Graafschap (hierna: de Werkgroep),

verzoekers/eisers, hierna: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vorden, verweerder.

Derde partij: KPN Mobiel Nederland BV, gevestigd te ’s-Gravenhage.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 november 2000, strekkende tot ongegrondverklaring van de bezwaren van eisers gericht tegen zijn besluit van 24 februari 2000, waarbij met gebruikmaking van de door Gedeputeerde Staten van Gelderland (GS) afgegeven verklaringen van geen bezwaar, aan KPN Vastgoed & Facilities BV (thans KPN Mobiel Nederland BV) vrijstelling is verleend van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan en bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een GSM opstelpunt op het perceel Ruurloseweg ongenummerd, ter hoogte van kilometerpaal 17,3. Tevens heeft verweerder bij voornoemd besluit van 28 november 2000, in verband met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “GSM communicatiemast Ruurloseweg” met ingang van 21 augustus 2000, de bouwvergunning van 24 februari 2000 gehandhaafd, met dien verstande, dat in de kennisgeving daarvan de alinea “met vrijstelling ex. artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van het bestemmingsplan “Buitengebied 1982” en met toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet” vervalt.

2. Procesverloop

Eiser A heeft bij schrijven van 13 december 2000 voor zichzelf en namens de andere eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens hebben eisers bij schrijven van 13 december 2000 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder tegen de gehandhaafde bouwvergunning, welk bezwaarschrift door verweerder bij schrijven van 21 december 2000 met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroepschrift is doorgezonden aan de rechtbank.

Bij schrijven van eveneens 13 december 2000 hebben eisers verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Bij schrijven van 16 januari 2001 heeft verweerder een afzonderlijk namens de Werkgroep bij schrijven van 2 januari 2001 bij verweerder ingediend bezwaarschrift tegen de gehandhaafde bouwvergunning doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 26 januari 2001.

Namens eisers is ter zitting verschenen mr. F.F. Scheffer. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door H.W. Annevelink, ambtenaar bij de gemeente Vorden.

Namens KPN Mobiel Nederland B.V. is verschenen T.P. van ’t Hof.

3. Motivering

Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Allereerst is de president van oordeel dat verweerder terecht de bezwaarschriften van eisers van 13 december 2000 en 2 januari 2001, gericht tegen de bij de beslissing op bezwaar op grond van artikel 44 van de Woningwet gehandhaafde bouwvergunning, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als beroepschrift heeft doorgezonden aan de rechtbank. De stelling van eisers dat deze bouwvergunning dient te worden aangemerkt als een primair besluit waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend kan de president niet volgen. Slechts indien er vergunning is verleend voor een ander bouwplan kan er sprake zijn van een nieuw primair besluit. Door het voorafgaande aan de beslissing op bezwaar op grond van artikel 28, zevende lid, van de WRO, in werking treden van het bestemmingsplan “GSM Communicatiemast Ruurloseweg” is het bouwplan niet gewijzigd.

Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of verweerder de bezwaren van eisers gericht tegen het primaire besluit van 24 februari 2000 terecht ongegrond heeft verklaard. In artikel 2, eerste lid, van de statuten van de VVV Vorden is bepaald dat de vereniging tot doel heeft het bevorderen van een voor de verschillende geledingen van de samenleving zo goed mogelijk gebruik van de toeristische en recreatieve mogelijkheden in het werkgebied van de vereniging.

De president is van oordeel dat het belang van de VVV Vorden gelet op voornoemde doelstelling niet rechtstreeks betrokken is bij de oprichting van de GSM-mast. Niet valt in te zien dat door de plaatsing van de mast, op, naar ter zitting door verweerder is verklaard, een afstand van ongeveer 200/300 meter van een toeristische fietsroute (binnen het werkgebied van VVV Vorden), het doel van de VVV wordt geschaad. Verweerder heeft derhalve de VVV Vorden ten onrechte aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Daaruit volgt dat het beroep van VVV Vorden gegrond is en dat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De president ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, zelf in de zaak te voorzien.

Het vorenstaande geldt ook voor de Werkgroep, nu ter zitting is verklaard dat zij geen rechtspersoonlijkheid heeft.

De overige eisers (allen leden van de Werkgroep) zijn naar het oordeel van president gelet op de afstand van ongeveer 25 meter tussen de grens van hun landgoederen en de in geding zijnde GSM-mast wel terecht aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Niettemin is de president van oordeel dat verweerder ook de overige eisers ten onrechte in hun bezwaren heeft ontvangen voor zover deze waren gericht tegen de vrijstelling ex artikel 19 WRO van het bestemmingsplan “Buitengebied 1982”. Daartoe is als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 28, zevende lid, van de WRO treedt een besluit van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

Ingevolge artikel 56b, eerste lid, van de WRO - voor zover hier van belang - wordt de werking van een goedkeuringsbesluit indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot dit besluit bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) een verzoek om een voorlopige is gedaan opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

Het bestemmingsplan waarop werd geanticipeerd is op 13 juni 2000 door GS goedgekeurd.

Op 5 juli 2000 heeft verweerder de ter inzage legging van het goedgekeurde bestemmingsplan via de vereiste publicaties bekend gemaakt. Bij deze publicaties is tevens de beroepsmogelijkheid tegen het goedkeuringsbesluit aangegeven en de mogelijkheid om binnen de beroepstermijn een voorlopige voorziening te vragen bij de voorzitter van de ABRS. Hierbij is medegedeeld dat het goedkeuringsbesluit in werking treedt daags na afloop van de termijn van ter inzage legging, tenzij om een voorlopige voorziening is gevraagd. Van 10 juli tot maandag 21 augustus 2000 heeft het plan ter inzage gelegen. Eisers hebben bij schrijven van 15 augustus 2000, aangevuld bij schrijven van 12 september 2000, beroep ingesteld bij de ABRS. Bij schrijven van 13 december 2000 hebben eisers de Voorzitter van de ABRS verzocht om ter zake een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 25 januari 2001, reg.nr.200003627/2, heeft de Voorzitter het goedkeuringsbesluit van 13 juni 2000 geschorst.

Uit het vorenstaande blijkt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar het bestemmingsplan “GSM Communicatiemast Ruurloseweg” (nog) van kracht was. Een anticipatieprocedure was op dat moment derhalve niet meer vereist. De aanvraag om bouwvergunning diende uitsluitend nog te worden getoetst aan artikel 44 van de Woningwet. De president is dan ook van oordeel dat eisers geen procesbelang meer hadden bij de beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden de anticipatieprocedure gevolgd heeft. Naar het oordeel van de president had verweerder eisers in verband daarmee niet-ontvankelijk dienen te verklaren in hun bezwaren tegen de verleende vrijstelling. Dat brengt mee dat ook het beroep van de overige eisers gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit ook in zoverre dient te worden vernietigd. Ook hier ziet de president aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Eisers hebben onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 21 december 1999, reg.nr. H01.99.0245, betoogd dat verweerder met het nemen van de beslissing op bezwaar had moeten wachten totdat de Voorzitter van de ABRS uitspraak zou hebben gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het goedkeuringsbesluit van GS van 13 juni 2000. De president kan eisers hierin niet volgen.

In deze uitspraak is door de ABRS het volgende overwogen:

“In de periode tussen de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan en de vernietiging van de goedkeuring daarvan vormt in beginsel het nieuwe plan het toetsingskader voor de beslissing omtrent het verlenen van een bouwvergunning. Wordt tegen deze beslissing bezwaar gemaakt, dan volgt uit artikel 7:11 van de Awb dat bij de beslissing op bezwaar het alsdan geldende recht wordt toegepast. Bij een beslissing op bezwaar die na de vernietiging van het goedkeuringsbesluit wordt genomen, dient het bouwplan derhalve (alsnog) getoetst te worden aan het oude bestemmingsplan. Is de beslissing op bezwaar evenwel onder vigeur van het nieuwe plan genomen dan behoort daarop in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter niet te worden teruggekomen.

Naast de rechtszekerheid van de houder van de bouwvergunning en de voorspelbaarheid van het toepasselijke recht voor het beslissende bestuursorgaan, moet evenzeer betekenis worden gehecht aan de rechtszekerheid van belanghebbenden die tegen de bouwvergunning willen opkomen. Indien na de inwerkingtreding van het nieuwe - nog niet in rechte onaantastbare - bestemmingsplan een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend of ingewilligd, moet aan deze belanghebbenden een behoorlijke en praktische bruikbare mogelijkheid worden geboden om het nieuwe bestemmingsplan alsnog door de Voorzitter van de ABRS buiten werking te doen stellen. Daartoe dient aansluiting te worden gezocht bij het in artikel 28.8 WRO (oud) neergelegde systeem. Indien de bedoelde belanghebbende, tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift tegen de bouwvergunning bij burgemeester en wethouders een verzoek om schorsing van de goedkeuring van het nieuwe bestemmingsplan indient bij de Voorzitter van de ABRS, ligt het in de rede dat burgemeester en wethouders niet beslissen alvorens de Voorzitter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. Voorts kan alsdan het peilmoment voor het toepasselijke recht niet worden gelegd op een vroeger tijdstip dan dat waarop de Voorzitter omtrent de schorsing van het goedkeuringsbesluit heeft beslist. Schorst de Voorzitter (alsnog) het besluit, dan geldt bij de beslissing op bezwaar het oude plan als toetsingskader. Is de beslissing op bezwaar reeds genomen, dan zal de bestuursrechter in dit geval - anders dan in het algemeen, toch aan het oude plan moeten toetsen.”

In het onderhavige geval hebben eisers ten tijde van het indienen van hun beroep tegen het goedkeuringsbesluit nagelaten om schorsing te vragen aan de Voorzitter van de ABRS. Pas na de beslissing op bezwaar hebben eisers daartoe aanleiding gezien. In de publicatie van het goedkeuringsbesluit, zoals eerder in deze uitspraak is aangehaald, zijn eisers er op gewezen dat het goedkeuringsbesluit in werking treedt daags na afloop van de termijn van ter inzage legging, tenzij om voorlopige voorziening is gevraagd. Het had naar het oordeel van de president op de weg van eisers gelegen om gelijktijdig met het instellen van beroep bij de ABRS een voorlopige voorziening te vragen aan de Voorzitter van de ABRS.

Beoordeeld dient vervolgens te worden of verweerder gelet op artikel 44 van de Woningwet verplicht was de bouwvergunning te verlenen.

Het bouwplan is in overeenstemming met het bestemmingsplan “GSM Communicatiemast Ruurloseweg” en is door de welstandscommissie het Gelders Genootschap d.d. 22 februari 2000 positief beoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat de bouwvergunning, gelet op hetgeen overigens in artikel 44 van de Woningwet is bepaald, niet verleend had mogen worden.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van eisers voor het overige ongegrond.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten wordt aanleiding gezien, nu verweerder eisers ten dele ten onrechte heeft ontvangen in hun bezwaren.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 1 (verschijnen ter zitting) punt toegekend, waarbij een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) wordt gehanteerd.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep van VVV Vorden en de Werkgroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder VVV Vorden en de Werkgroep ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaren;

verklaart VVV Vorden en de Werkgroep alsnog niet-ontvankelijk in hun bezwaren gericht tegen het besluit van 24 februari 2000;

verklaart het beroep van de overige eisers gericht tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaren tegen de vrijstelling ex artikel 19 WRO van het bestemmingsplan “Buitengebied 1982” gegrond;

vernietigt het besluit in zoverre;

verklaart de overige eisers alsnog niet-ontvankelijk in hun bezwaren gericht tegen de vrijstelling ex artikel 19 WRO;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

verklaart het beroep gericht tegen de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde bouwvergunning ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van fl. 710,-- onder aanwijzing van de gemeente Vorden als rechtspersoon die dit bedrag aan eisers dient te vergoeden.

gelast dat de gemeente Vorden aan eisers het door hen betaalde griffierecht, zijnde fl. 450,-vergoedt;.

Tegen deze uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending

hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken

op 1 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: