Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AA9924

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-01-2001
Datum publicatie
21-08-2001
Zaaknummer
00/1174 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brief waarin slechts wordt verzocht om een gesprek is niet aan te merken als bezwaarschrift, aangezien geen voorziening wordt gevraagd tegen een besluit van verweerder.

Afwijzing van verzoek van eiseres (Stichting Slachtoffers WVG) om een gesprek over het oproepen van een aantal mensen voor een medisch onderzoek in het kader van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Eiseres heeft bij brief van 4 november 2000 de rechtbank verzocht om verweerder te verplichten haar bezwaar in behandeling te nemen.

Rechtbank: De brief van eiseres van 4 november 2000 wordt aangemerkt als een beroepschrift als bedoeld in art. 6:4 Awb. Eiseres stelt zich kennelijk op het standpunt dat zij met haar brief van 20 september 2000 een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb heeft ingediend en dat verweerder met zijn brief van 4 oktober 2000 heeft geweigerd het bezwaar in behandeling te nemen en aldus heeft geweigerd een besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank acht dit standpunt onjuist. De brief van eiseres van 20 september 2000 kan niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb, aangezien met die brief geen bezwaar wordt gemaakt als bedoeld in art. 1:5, eerste lid Awb. In die brief wordt namelijk geen voorziening gevraagd tegen een besluit van verweerder, maar wordt slechts verzocht om een gesprek met verweerder over de in die brief vermelde kwestie.

Daar komt nog bij dat het door eiseres zo genoemde "collectieve bezwaar" niet is gericht tegen enig besluit van verweerder in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb. Het oproepen voor medisch onderzoek door een externe adviesinstantie is geen besluit van verweerder, terwijl ook de gedragslijn van verweerder om in individuele gevallen medisch advies in te winnen niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb.

Nu de brief van eiseres niet als een bezwaarschrift (als bedoeld in de Awb) kan worden aangemerkt, kan er ook geen sprake zijn van een weigering van verweerder om een besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen, verweerder.

mr. K. van Duyvendijk

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 00/1174 WVG

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Stichting Slachtoffers WVG, te Leiden, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen, verweerder.

1. Feiten en procesverloop

Bij brief van 20 september 2000 heeft eiseres zich tot verweerder gewend met een “collectief bezwaar” namens haar cliënten die woonachtig zijn in verweerders gemeente. Het “collectieve bezwaar” is gericht tegen het oproepen van een aantal mensen voor een medisch onderzoek in het kader van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV). Aan het slot van de brief wordt verzocht om een afspraak te maken voor een gesprek over deze kwestie met het voltallige college van burgemeester en wethouders.

Bij brief van 4 oktober 2000 heeft verweerder het verzoek van eiseres om een gesprek afgewezen, omdat de plaatselijke Stichting Platform Voorzieningen Gehandicapten als de enige gesprekspartner in kwesties als de onderhavige wordt beschouwd. Voorts heeft verweerder in deze brief inhoudelijk gereageerd op de brief van eiseres en daarbij onder meer uiteengezet dat hij in individuele gevallen zijn externe adviesinstantie verzoekt om (medisch) advies uit te brengen over de vraag of het CVV in die gevallen al dan niet een toereikende voorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) is. De adviseur roept dan in de meeste gevallen de betrokkene op voor een medisch onderzoek om tot een zorgvuldige advisering te kunnen komen.

Bij brief van 4 november 2000 heeft eiseres zich tot de rechtbank gewend met het verzoek om verweerder te verplichten haar bezwaar in behandeling te nemen.

2. Motivering

De brief van eiseres van 4 november 2000 wordt door de rechtbank aangemerkt als een beroepschrift als bedoeld in artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Inevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan bij de rechtbank beroep worden ingesteld tegen een besluit. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Uit artikel 6:2 in verbinding met artikel 8:1 van de Awb vloeit voort dat bij de rechtbank ook beroep kan worden ingesteld tegen de schriftelijke weigering een besluit te nemen.

Aldus kan beroep worden ingesteld tegen de schriftelijke weigering om een besluit op bezwaar te nemen. Van een weigering om een besluit op bezwaar te nemen kan alleen sprake zijn indien een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:4 van de Awb is ingediend, dat wil zeggen een geschrift waarmee bezwaar wordt gemaakt.

Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Eiseres stelt zich kennelijk op het standpunt dat zij met haar brief van 20 september 2000 een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb heeft ingediend en dat verweerder met zijn brief van 4 oktober 2000 heeft geweigerd het bezwaar in behandeling te nemen en aldus heeft geweigerd een besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank acht dit standpunt onjuist. De brief van eiseres van 20 september 2000 kan niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb, aangezien met die brief geen bezwaar wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de Awb.

In die brief wordt namelijk geen voorziening gevraagd tegen een besluit van verweerder, maar wordt slechts verzocht om een gesprek met verweerder over de in die vermelde kwestie. Daar komt nog bij dat het door eiseres zo genoemde “collectieve bezwaar” niet is gericht tegen enig besluit van verweerder in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het oproepen voor medisch onderzoek door een externe adviesinstantie is geen besluit van verweerder, terwijl ook de gedragslijn van verweerder om in individuele gevallen medisch advies in te winnen niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

De brief van eiseres kan slechts worden beschouwd als een brief waarin een klacht wordt geuit over een bepaalde gang van zaken in de gemeente Brummen en waarin wordt verzocht om een gesprek met verweerder over die klacht.

Nu de brief van eiseres niet als een bezwaarschrift (als bedoeld in de Awb) kan worden aangemerkt, kan er ook geen sprake zijn van een weigering van verweerder om een besluit op bezwaar te nemen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat tegen de wijze waarop verweerder de brief van eiseres van 20 september 2000 heeft afgehandeld - te weten: schriftelijke beantwoording en afwijzing van het verzoek om een gesprek - geen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank

De rechtbank dient zich derhalve onbevoegd te verklaren.

Aangezien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, wordt uitspraak gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb.

Beslist wordt derhalve als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart zich onbevoegd.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending verzet worden gedaan bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, Postbus 205, 7200 AE Zutphen.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

De indiener van het verzetschrift kan vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Vraagt hij dat niet dan kan van het horen worden afgezien.

Tegen een uitspraak op verzet kan geen hoger beroep worden ingesteld.