Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AA9540

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
27841 HAZA 99-941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Rolnummer: 27841 HAZA 99-941

Uitspraak: 18 januari 2001

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

de naamloze vennootschap REESINK N.V.,

gevestigd te Zutphen,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. F.H.A.M. Thunnissen te ’s-Gravenhage,

en

de gemeente APELDOORN,

zetelende te Apeldoorn,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procureur: mr. G.H.W.J. de Koning,

advocaat: mr. D.M.C. Schuurmans te ’s-Gravenhage.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Reesink en de Gemeente.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

de stukken met betrekking tot het door Reesink ten laste van de Gemeente gelegde conservatoir beslag op onroerende zaken,

de dagvaarding d.d. 17 september 1999,

de conclusie van eis in conventie, tevens houdende akte overlegging producties,

de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

het vonnis van 4 mei 2000,

de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende wijziging van eis/ conclusie van antwoord in reconventie,

de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie,

de akte depot van stukken van 28 november 2000,

de op 30 november 2000 gehouden pleidooien, waarbij over en weer pleitnotities in het geding zijn gebracht en beide partijen een akte overlegging producties hebben genomen.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

2.1 Op of omstreeks 12 maart 1997 is onder de naam van “intentie-overeenkomst” door partijen een contract ondertekend over de verwerving door Reesink van een bedrijfsterrein, gelegen ten oosten van Apeldoorn aan de spoorlijn Zutphen-Apeldoorn en bij de A1 en A50, ter grootte van ongeveer 12 ha. Aan de overeenkomst is een (concept)koopakte gehecht.

2.2 In de considerans van deze overeenkomst hebben partijen overwogen:

1. dat Reesink en de met haar verbonden ondernemingen voornamelijk actief zijn op het terrein van de technische groothandel en de daaraan verwante en daarvan afgeleide terreinen;

2. dat Reesink met het oog op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van haar ondernemingen besloten heeft om een nieuwe locatie voor haar bedrijf te kiezen met het oogmerk om het accent voor wat betreft de bedrijvigheid op deze locatie te leggen;

3. (...)

4. dat de Gemeente mede met het oog op de mogelijke komst van Reesink naar Apeldoorn bezig is met de verwerving van (agrarische) percelen grond in een gebied (...) hierna te noemen “het Terrein”;

5. dat de Gemeente, mede in verband met de werkgelegenheid die Reesink heeft aangegeven te zullen genereren en mede met het oogmerk om Reesink voor de regio te behouden, belang hecht aan de komst van Reesink naar Apeldoorn en dat partijen om die reden in overleg zijn getreden over de verwerving door Reesink van een perceel grond, gelegen binnen het vorenomschreven Terrein (...), hierna te noemen “het Perceel”;

6. dat de Gemeente bereid is om voor het Terrein (...) mede ten behoeve van de beoogde nieuwe vestiging van Reesink op de vorenaangeduide locatie, een noodzakelijke herziening van het bestemmingsplan in procedure te brengen

-met name ten behoeve van de vestiging van grootschalige bedrijven- één en ander zoals nader in deze overeenkomst omschreven;

7. (....)

8. dat partijen in deze intentie-overeenkomst hun gezamenlijke hoofddoelstelling, te weten de realisering van de nieuwe vestiging van Reesink op vorenomschreven locatie, wensen vast te leggen alsmede de wijze waarop zij zullen samenwerken om die doelstelling te bereiken, zowel stedebouwkundig, gericht op de totstandkoming van het benodigde nieuwe bestemmingsplan, als bedrijfsmatig, gericht op de daadwerkelijke nieuwbouw van Reesink;

9. dat het overleg over de grondverwerving inmiddels zover is gevorderd, dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, en dat het partijen ook om die reden wenselijk voorkomt hun in het kader van deze overeenstemming gemaakte afspraken thans vast te leggen en daarbij tevens nadere afspraken te maken over het verdere onderhandelings- en uitvoeringsproces ten behoeve van de nieuwe vestiging van Reesink.

2.3 Na deze overwegingen vooraf zijn partijen het navolgende -voor zover hier van belang- overeengekomen:

Artikel 1 - Hoofddoelstelling

1.1. Reesink beoogt de bestaande bedrijfsonderdelen met uitzondering van het staalcentrum(...) in overwegende mate te verplaatsen naar het Perceel.(...)

1.2. Partijen zullen de hoofddoelstelling nastreven overeenkomstig een door de Gemeente op te stellen en in procedure te brengen herziening van het bestemmingsplan, waarin de stedebouwkundige uitgangspunten en verdere elementen voor de herinrichting van het Terrein worden vastgelegd en waarbij in onderling overleg rekening wordt gehouden met het door of vanwege Reesink op te stellen nieuwbouwplan.

1.3. De Gemeente en Reesink zullen op nader overeen te komen tijdstip en voorwaarden een overeenkomst van grondver-/ aankoop aangaan, op basis waarvan Reesink het door haar voor de beoogde nieuwe vestiging benodigde perceel, zoals in de considerans omschreven, van de Gemeente in eigendom verwerft. De tussen partijen hieromtrent inmiddels op de hoofdlijnen bereikte beginsel-overeenstemming wordt hierna in artikel 5 uitgewerkt.

Artikel 2 - Bestemmingsplanprocedure

2.1. De Gemeente zal, ten behoeve van het Terrein, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften, een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan in procedure brengen. (..)

2.2. Ten behoeve van de beoogde nieuwe vestiging van Reesink zal bij het in lid 1 van dit artikel bedoeld in procedure te brengen bestemmingsplan rekening worden gehouden met de bouwplannen, voorgenomen terreininrichting en voorgenomen grondgebruik van Reesink; Reesink verbindt zich om met de Gemeente daarover overleg te plegen. (...)

2.3. (…)

Artikel 3 - Vergunningen

3.1. Door of vanwege Reesink zullen zo spoedig mogelijk de benodigde plannen en onderzoeken ten behoeve van de locatie voor de vestiging van Reesink worden opgesteld respectievelijk worden verricht ten behoeve van de vergunningverleningen door de daartoe bevoegde/competente overheidsorganen.

3.2. Voor partijen is uitgangspunt dat uiterlijk op 1 juni 1997 door het binnen de Gemeente Apeldoorn functionerend welstandscollege een definitieve beoordeling van het bouwplan heeft plaatsgevonden. Zoveel als mogelijk zal, vooruitlopend op deze definitieve beoordeling door het welstandscollege, met dit college vooroverleg plaatshebben.

3.3. De Gemeente zal, met inachtneming van de ter zake geldende regelgeving, meewerken aan een zogeheten artikel 19 procedure. Partijen gaan ervan uit dat de benodigde stedebouwkundige grondslag voor afgifte van de bouwvergunning per 1 januari 1998 haalbaar is, indien ten aanzien van de artikel 19 procedure uiterlijk 1 juni 1997 het bouwplan door Welstand beoordeeld is ten behoeve van de ter visielegging, terwijl er per laatstgenoemde datum eveneens zicht zal moeten zijn op de tijdige afgifte van een milieuvergunning.

Artikel 4 - publiekrechtelijke verantwoordelijkheden Gemeente

4.1. Reesink is zich bewust van de bijzondere positie van de Gemeente als overheid en de daaraan verbonden publiekrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gemeente. De in het kader van de op grond van deze intentie-overeenkomst in procedure te brengen herziening van het bestemmingsplan en/of anticipatieprocedure(s) ingebrachte zienswijzen of bezwaren zullen door de Gemeente worden beoordeeld waarbij ten aanzien van het aan haar in eigendom over te dragen perceel ook Reesink zal worden gehoord. Indien ten gevolge van de bezwarenbehandeling een Reesink rakend onderdeel van het (voor)ontwerp-bestemmingsplan wordt aangepast zal overleg plaatsvinden met Reesink over een aanvaardbare oplossing, zo mogelijk binnen of in aansluiting op de alsdan reeds gemaakte afspraken. Mocht zulks niet naar genoegen van een of beide partijen slagen, dan is het bepaalde in artikel 9 van toepassing. Voorzover de totstandkoming van het ruimtelijk kader zoals beoogd in deze intentie-overeenkomst afhankelijk is van de medewerking van andere overheden, zal de Gemeente zich ervoor inspannen dat deze medewerking wordt verleend.

4.2. De Gemeente is niet aansprakelijk voor schade van Reesink die voortvloeit uit de op basis van deze intentie-overeenkomst in procedure te brengen bestemmingsplanherziening en eventuele anticipatieprocedures, noch voor vertraging in de ruimtelijke ordeningsprocedures, tenzij dit te wijten is aan ernstige nalatigheid c.q. schuld van de Gemeente, danwel hernieuwde nalatigheid van de Gemeente ondanks ingebrekestelling door Reesink. De Gemeente is evenmin aansprakelijk indien andere overheden respectievelijk hogere overheidsorganen de voor de totstandkoming van de uit deze intentie-overeenkomst voortvloeiende bestemmingsplanherziening vereiste goedkeuringen niet (tijdig) verlenen (...). Partijen verbinden zich om in de hierboven bedoelde gevallen overleg te plegen omtrent de maatregelen die kunnen strekken tot beperking van de daaruit voortvloeiende vertraging en schade.

Artikel 5 - Grondtransactie

5.1. Ter realisering van de beoogde nieuwbouwvestiging van Reesink op het Terrein zullen de Gemeente en Reesink op nader overeen te komen tijdstip en voorwaarden een overeenkomst van grondver-/ resp. aankoop aangaan.(...)

5.2. Tussen partijen zijn met betrekking tot de hier bedoelde grondver- /aankoop inmiddels op hoofdlijnen de navolgende beginsel-afspraken gemaakt:

A.

a. de grondprijs bedraagt negenennegentig gulden (…) per vierkante meter exclusief omzetbelasting;

b. de afname door Reesink van de grond zal plaatshebben in twee fasen van in totaal 12 hectare.

De eerste fase omvat circa zes hectare per 1 januari 1998 mits:

1. voor die fase ten behoeve van de daarop te realiseren bebouwing de vereiste (bouw)vergunningen afgegeven zijn en, indien met betrekking tot de afgegeven (bouw)vergunningen nog bezwaar- of beroepsprocedures lopen, redelijkerwijs valt te verwachten dat de betreffende vergunningen ongewijzigd in stand zullen blijven; en

2. naar het oordeel van Reesink voldoende zeker is dat de tweede fase planologisch de beoogde mogelijkheden van bebouwing, inrichting en gebruik biedt als bedoeld in de artikelen 1.2. en 2.2. Genoemd oordeel van Reesink zal voldoen aan de toets van de redelijkheid.

c. vervolgens zal de tweede fase van de grond door Reesink worden afgenomen op 1 oktober 1999 of zoveel eerder of later als de eerste fase voor respectievelijk na 1 januari 1998 wordt afgenomen.

d. de betaling van Reesink zal steeds ten tijde van de levering plaatsvinden. (...)

e. de betreffende grond zal door de Gemeente bouwrijp worden geleverd, waaronder ten deze wordt verstaan:

(...)

B. (…)

C. Terzake van de verkoop en koop geldt het in aangehechte (geparafeerde) koopakte bepaalde (…)

Artikel 7 -Aansluiting spoor Apeldoorn-Zutphen

7.1. Partijen hebben het voornemen om het Terrein aan te doen sluiten op de spoorlijn Apeldoorn-Zutphen indien de Nederlandse Spoorwegen N.V. (NS) daaraan zullen willen meewerken en daartoe voldoende belangstelling bestaat van de ondernemers/bedrijven, die zich zullen vestigen op het betreffende bedrijventerrein. (...)

7.2. In verband met de hiervoor in lid 1 van dit artikel bedoelde aansluiting zal over het gehele Terrein een strook grond langs de spoorbaan in planologische zin en voor zover eigendom van de Gemeente ook wat betreft de eigendom beschikbaar worden gehouden voor de aansluiting/aanleg op het hiervoor bedoelde spoor. De betreffende strook heeft een breedte van circa vijftien meter gerekend vanuit het hart van het bestaande spoor. De juiste ligging zal in onderling overleg worden vastgesteld. (..)

Artikel 9 - Einde overeenkomst

Deze intentie-overeenkomst eindigt:

9.1. door voortijdige beëindiging, wanneer beide partijen van mening zijn dat het verder nastreven van de beoogde hoofddoelstelling zinloos is geworden zoals bijvoorbeeld vanwege het feit dat is komen vast te staan dat geen bouwvergunning kan worden verkregen voor de beoogde bebouwing;

9.2. door opzegging door de ene partij jegens de andere partij:

- in het geval van ook na ingebrekestelling ernstig tekortschieten door de andere partij in de nakoming van het in deze intentie-overeenkomst bepaalde;

(...)

9.4. Ontbindende voorwaarde(n):

1. Deze intentie-overeenkomst wordt aangegaan onder de bij niet-vervulling ontbindende voorwaarde dat een onherroepelijke bouwvergunning wordt verleend voor fase 1.

2. Deze intentie-overeenkomst wordt aangegaan onder de bij niet-vervulling ontbindende voorwaarde dat op 31 december 1997 een bouwvergunning is verleend voor fase 1.

(..)

9.5. De ontbindende voorwaarde(n) bedoeld in artikel 9.4. leden 1, 2 (…) treden niet van rechtswege in werking maar uitsluitend Reesink kan daarop een beroep doen binnen 30 dagen nadat is komen vast te staan dat geen onherroepelijke bouwvergunning wordt verleend voor fase 1 (...) Reesink heeft geen beroep op de ontbindende voorwaarde indien zij geen redelijke inspanning levert om tijdig de benodigde bouwvergunning te verkrijgen. (...)

2.4 In de aan de overeenkomst gehechte en geparafeerde koopakte is onder 5.1. opgenomen, voor zover hier van belang:

De feitelijke levering van de grond door de verkoper zal geschieden in bouwrijpe staat, d.w.z.:

(…)

ontsloten door middel van een 7 meter brede toegangsweg die geschikt is voor vrachtverkeer tussen de dichtstbijzijnde openbare weg die geschikt is voor vrachtverkeer en een in onderling overleg te bepalen plaats op de grens van het verkochte (…).

2.5 Op 29 mei 1997 heeft de Gemeente een voorbereidingsbesluit genomen in de zin van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

2.6 Na de totstandkoming van de intentieovereenkomst is voor de begeleiding van de bouwplannen een coördinatiegroep, het zogenaamde bouwteam Reesink, in het leven geroepen, bestaande uit ambtenaren van de Gemeente en medewerkers van het door de Gemeente in de arm genomen Bureau Zandvoort A en O, vertegenwoordigers van Reesink en medewerkers van de door Reesink ingehuurde Ariëns-Groep. Dit bouwteam is in de periode tussen april 1997 en april 1998 veelvuldig bijeen geweest en van deze bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt.

2.7 Bij brief van 30 mei 1997 heeft Reesink de Gemeente het volgende meegedeeld:

(…)

Zoals in de tussen de gemeente Apeldoorn en Reesink N.V. aangegane intentie-overeenkomst is vastgelegd, dient de definitieve beoordeling door de Welstandscommissie van de bouwplannen uiterlijk 1 juni 1997 plaats te vinden. Omdat daarvan tot op heden geen sprake is, deel ik U het navolgende mede.

Sedert 24 april jl. is onze adviseur -de Ariënsgroep- in afwachting van een aantal zaken, welke ik kortheidshalve maar schaar onder de vlag van het stedebouwkundige plan aangaande het tot ontwikkeling te brengen bedrijventerrein waarop wij ons gaan vestigen. De omstandigheid dat sedertdien het stedebouwkundig plan zich nog niet heeft uitgekristalliseerd leidde er toe, dat de plannen betreffende onze nieuwbouw niet ingericht konden worden op een wijze die een succesvolle presentatie aan de welstandcommissie mogelijk maakt. Desondanks is er getracht tot vooroverleg met de Welstandscommissie te komen, waartoe voor 20 mei jl. een afspraak werd vastgelegd. Deze afspraak werd helaas door U afgezegd. Vervolgens heeft er op 27 mei nog (informeel) overleg plaatsgevonden met (een lid van) de Welstandscommissie, waarbij duidelijk werd dat we zonder een “inbedden” van ons bouwplan in de nog steeds niet beschikbare stedebouwkundige visie geen stap verder komen.

Naar ik heb begrepen komt de bovenbedoelde stedebouwkundige visie binnenkort beschikbaar en wordt er naar gestreefd de definitieve beoordeling door de Welstandscommissie alsnog in de loop van juni te laten plaatsvinden. Reesink kan daar mee leven, mits er vervolgens zodanig versneld kan worden dat de fatale datum van 2 september aanstaande alsnog gehaald kan worden.

Naast het bovenstaande leg ik hier tevens vast, dat de aan de zijde van Reesink betrokkenen samen met onze adviseur vraagtekens zetten bij de wijze waarop de ontwikkeling van de stedebouwkundige visie haar beslag krijgt. Zo acht men de bebouwingsgraad, welke de ontwikkelaars van de stedebouwkundige visie voor ogen lijkt te staan, niet verenigbaar met de bebouwingsgraad, welke tussen uw gemeente en Reesink werd overeengekomen (…).

De Gemeente heeft hierop als volgt gereageerd bij brief van 4 juni 1997: “Ook in het bouwteam Reesink is geconstateerd dat 1 juni niet haalbaar is. Desalniettemin zijn allen het er over eens dat met een gezamenlijke inzet, van gemeente, bureau Zandvoort, Ariëns Groep en Reesink nv, de datum van 2 september aanstaande t.b.v. de artikel 19 procedure moet en kan worden gehaald zodat op 1 januari 1998 toch een bouwvergunning kan worden verleend. Voor wat betreft het bebouwingspercentage kan ik u mededelen dat het percentage dat om in de intentieovereenkomst staat maatgevend is voor het bouwplan. Door middel van deze brief heb ik u op de hoogte willen stellen van het feit dat de datum van 1 juni welstandsaccoord niet is gehaald. Ik heb echter alle vertrouwen dat Reesink nv alle zeilen zal bijzetten om in juni 1997 alsnog de bouwplannen aan welstand voor te leggen teneinde een definitief welstandsaccoord te verkrijgen.”

2.8 De Welstandscommissie heeft bij brieven van 16 juli, 4 augustus, en 20 augustus 1997 aan de Gemeente, het bouwplan van Reesink afgewezen, waarbij zij onder meer heeft geadviseerd om het bouwplan 180° te draaien. Op 8 september 1997 heeft de Welstandscommissie geoordeeld dat het aan dit advies aangepaste bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet.

2.9 Van 27 oktober 1997 tot en met 10 november 1997 heeft in het kader van de anticipatieprocedure ex artikel 19 WRO het bouwplan van Reesink met het daarbij behorende verzoek om toepassing van artikel 19 WRO ter visie gelegen in verband met het verzoek om vrijstelling. Tegen het voornemen vrijstelling te verlenen zijn zes bedenkingen geuit. Deze bedenkingen hebben het College van Burgemeester en wethouders noch de Raad van de Gemeente kunnen overtuigen dat moest worden afgezien van de voortzetting van de anticipatieprocedure. Door de Gemeente werd besloten de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar aan het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland te verzenden, zodra aan Reesink een milieuvergunning zou zijn verstrekt voor het oprichten en inwerking hebben van een distributiecentrum.

2.10 Op 19 november 1997 is een aan de gewijzigde oriëntatie van het bouwplan aangepaste aanvraag voor een milieuvergunning ingediend. Deze milieuvergunning is op 13 mei 1998 verleend. Reesink heeft bij brief van 18 juni 1998 beroep ingesteld tegen één van de voorschriften. Dit voorschrift is bij beslissing van 16 december 1999 door de raad van State vernietigd.

2.11 Op 15 december 1997 is het voorontwerp bestemmingsplan voor het Terrein ter visie gelegd.

2.12 Bij brief van 13 februari 1998 heeft (de directeur van) Reesink aan de Gemeente meegedeeld:

(..) Onze adviseur belast met het begeleiden van onze plannen tot nieuwbouw in de gemeente Apeldoorn, de te Wijchen gevestigde Ariënsgroep, begint te lijden aan ernstige vermoeidheidsverschijnselen. Men geeft aan moedeloos te worden van de wijze waarop aan de zijde van uw gemeente gewerkt wordt en merkt daarbij op, dat Apeldoorn zich in sterk negatieve zin onderscheidt van de andere gemeenten waarmee men ervaringen op deed.

De Ariënsgroep is de stellige overtuiging toegedaan, dat door de wijze waarop de milieuvergunning alsmede het bestemmingsplan ingericht lijken te gaan worden ernstige inbreuk wordt gemaakt op de tussen ons gesloten overeenkomst alsmede op datgene wat in redelijkheid van de onderneming verlangd kan worden.

Ik houd het er vooralsnog op dat er geen sprake is van kwaadwilligheid, maar daarentegen van tekortkomingen die zijn terug te voeren op een onvolkomen wetenschap van de direct betrokken ambtenaren. Daarbij verzoek ik U met klem om te bewerkstelligen dat milieuvergunning en bestemmingsplan géén inbreuk -ook niet op onderdelen- zullen maken op hetgeen wij contractueel overeenkwamen, terwijl invulling wordt gegeven aan de afspraken die nader in het overleg met het terzake ingestelde bouwteam werden gemaakt.(..)

2.13 De Gemeente heeft hierop bij schrijven 23 april 1998 als volgt gereageerd:

(…) Bijna een jaar geleden is na het sluiten van de intentie-overeenkomst een bouwteam Reesink nv in het leven geroepen. (…) Tot op heden is de ervaring dat constructief wordt samengewerkt. Bij de ondertekening van de overeenkomst hebben wij allen beseft dat alles niet vlekkeloos kon verlopen. Het bouwplan moest immers ontwikkeld worden terwijl er nog geen stedenbouwkundigplan en bestemmingsplan aanwezig waren. Uiteraard komen er nu zaken aan het licht met betrekking tot de ontwikkeling van het bestemmingsplan en duurzaamheidsaspecten, die ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst absoluut nog niet bekend waren. In het bouwteam is daar de ruimte voor om, over een weer, eventuele noodzakelijkheden aan te passen. Vanzelfsprekend is de intentie-overenekomst hierin bepalend. Dat de Ariëns Groep, zoals u schrijft, nu al aan ernstige vermoeidheidsverschijnselen lijdt verbaast ons. In bouwteamverband is ons hiervan niets gebleken. Ons inziens zijn er maar weinig gemeenten die op de wijze zoals hierboven beschreven een bedrijf tegemoet komen.

Wij delen dan ook absoluut niet uw mening dat de intentie-overeenkomst te kort gedaan wordt als gevolg van de invulling van de milieuvergunning en het bestemmingsplan. Zoals u reeds in de brief van 20 januari j.l. is vermeld vindt binnen het bouwteam overleg plaats over de punten in de intentie-overeenkomst die eventueel niet overeenstemmen met het voorontwerpbestemmingsplan. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de intentie-overeenkomst een gegeven is. Naar onze mening worden de geschillen op correcte wijze in bouwteamverband bediscussieerd en afgehandeld. Mocht desondanks een meningsverschil blijven bestaan die niet in het bouwteam kan worden opgelost dan zal de projectmanager ons college en naar wij aannemen uw adviseurs u, terstond op de hoogte brengen. Alsdan zullen wij ons gezamenlijk moeten beraden. Voorshands zijn wij evenwel van mening dat een direct overleg tussen u en ons niet aan de orde is. (…)

2.14 Bij schrijven van 16 maart 1998 heeft Reesink uitvoerig commentaar geleverd op het voorontwerp bestemmingsplan. De bezwaren van Reesink zijn in de loop van 1998 door haar naar voren gebracht in de vergaderingen van het bouwteam. Steeds is door haar benadrukt dat het bestemmingsplan geen belemmering mocht opleveren voor de realisering van haar bouwplannen, voor zover zij daarop volgens de overeenkomst van 12 maart 1997 aanspraak mocht maken.

2.15 Op 17 februari 1999 heeft de Gemeente Gedeputeerde Staten verzocht om afgifte van verklaringen van geen bezwaar. De verklaringen zijn op 27 april 1999 verleend.

2.16 Op 8 maart 1999 is het ontwerp bestemmingsplan voor het Terrein ter visie gelegd.

Bij brief van 10 maart 1999 heeft Reesink daarover aan de Gemeente het volgende bericht: “Uw College heeft thans, zonder zich te storen aan de door de Ariëns Groep en ons bij diverse gelegenheden concreet geduide punten van bezwaar, het bestemmingsplan ter visie gelegd. Dit plan is strijdig met de tussen uw gemeente en ons gesloten overeenkomst. Wij zijn al geruime tijd intensief bezig met onze bouwplannen. Uw gemeente maakt het ons echter door haar handelwijze volkomen onmogelijk om te komen tot een aanvraag van een bouwvergunning. Een en ander leidt tot aanmerkelijke kosten en schade voor onze onderneming. Wij geven een eenvoudig voorbeeld. De bebouwing zal uiteraard moeten zijn afgestemd op de verplaatsing naar Apeldoorn, door U nota bene zelf verlangd, van de diverse bedrijfsonderdelen. Deze beschikken thans reeds over circa 9000 m² kantooroppervlakte. Wij hebben er meermalen op gewezen dat wij die ruimte ook in Apeldoorn nodig hebben. Zonder dat aantal m² kunnen wij bovendien geen invulling geven aan de afspraken ter zake van te bieden werkgelegenheid. Het ontwerpbestemmingsplan blijft echter een maximum van 3000 m² vermelden. Het aanvragen van een bouwvergunning in strijd met het ontwerp-bestemmingsplan is zodoende een zinloze zaak.

Het vorenstaande is slechts één van de vele voorbeelden. Met het alleen maar aanpassen van bovenbedoeld aantal m² zijn we er dus nog lang niet, vele punten houden ons nog verdeeld. Wij verwijzen wat dat laatste betreft naar de brief van de Ariëns-Groep van 15 december jl. en alle andere opmerkingen die dezerzijds omtrent het (toen nog) concept-bestemmingsplan zijn gemaakt.

Wij constateren dat de gemeente Apeldoorn onze commentaren en opmerkingen stelselmatig negeert en zich gedraagt alsof er met Reesink geen overeenkomst bestaat. Wij verwijzen daarbij mede naar onze brief van 21 december jl. Hierbij stellen wij de gemeente Apeldoorn dan ook in gebreke en sommeren de gemeente het ontwerp-bestemmingsplan terug te nemen, teneinde alsnog in overleg met Reesink te komen tot een ontwerp-bestemmingsplan dat aan de gesloten overeenkomst voldoet. (…)

2.17 Bij brief van 12 maart 1999 heeft (het college van Burgemeester en Wethouders van) de Gemeente Reesink onder meer het volgende meegedeeld:

(...) Blijkens het contract is het uitdrukkelijk de bedoeling geweest dat de anticipatieprocedure per 1 juni 1997 in gang zou zijn gezet en dat Reesink daartoe de benodigde bouwplannen en gegevens zou aandragen. (...) In het met u gevormde bouwteam is er bij herhaling door de gemeentelijke vertegenwoordigers bij Reesink op aangedrongen de vereiste gegevens te verschaffen, opdat daadwerkelijk de artikel 19-procedure in gang zou kunnen worden gezet en partijen aldus conform het bepaalde in de overeenkomst zouden handelen. (...) Wij zijn van mening dat de lijn die partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben uitgezet nog steeds moet worden gevolgd. Dit betekent dat partijen met inzet moeten streven naar realisering van de hoofddoelstelling, te weten de vestiging van Reesink op het betreffende terrein. Wij dringen er dan ook met klem op aan dat Reesink er onverwijld toe overgaat de gegevens te verschaffen die voor het in gang zetten van de artikel 19-procedure nodig zijn. Het gaat hierbij om de officiële aanvraag voor de bouwvergunning en de daarbij behorende tekeningen. Wij gaan er vanuit dat een dergelijke aanvraag binnen drie weken na heden kan en zal zijn ingediend. Er zij op gewezen dat de omstandigheid dat de verleende milieuvergunning nog geen rechtskracht heeft gekregen (doordat u daartegen beroep heeft ingesteld) als zodanig geen grond oplevert om af te zien van het in gang zetten van de artikel 19-procedure. (...)

Door het ontbreken van uw medewerking voor het volgen van de art. 19- procedure ligt de beoogde datum van overdracht van de eerste zes hectares thans meer dan een jaar in het verleden. Bij de prijsvorming is de gemeente uitgegaan van overdracht en betaling van deze grond per 1 januari 1998. (..) Nu de uitvoering achterwege is gebleven lijdt de Gemeente een renteverlies van circa f 392.000,-- op jaarbasis. Wij vinden dit niet aanvaardbaar en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan ook niet van de Gemeente worden verlangd deze situatie te laten voortduren. Zulks temeer niet, nu tengevolge van het door u ingestelde beroep tegen de milieuvergunning de bouwvergunningverlening moet worden opgeschort en het dus onduidelijk is wanneer de van de bouwvergunning afhankelijk gestelde grondoverdracht zal plaatsvinden. Wij zijn van mening dat u onder de gegeven omstandigheden gehouden bent mee te werken aan een beperking van dit financiële nadeel. (...) Wij stellen dan ook voor dat thans nader wordt overeengekomen dat u ingaande 1 april 1999 een rentevergoeding zult betalen van f 32.667,-- per maand, vermeerderd met omzetbelasting en bij vooruitbetaling te voldoen. Dit bedrag is berekend op basis van het rentepercentage van 6.6% (..).”

2.18 Reesink heeft bij brief van 16 maart 1999 hierop als volgt gereageerd: “(...) dat het in gang zetten van een artikel 19-procedure, door het indienen van een aanvraag voor een bouwvergunning, geen enkele zin heeft nu uw gemeente bij het inrichten van het ontwerp-bestemmingsplan, anders dan U in uw brief van 12 maart 1999 schrijft, niet nauwgezet rekening heeft gehouden met plannen en inzichten van Reesink, die wel degelijk uitdrukkelijk en bij herhaling aan U kenbaar zijn gemaakt. (...) Gelet op het bovenstaande zal het U niet verbazen, dat aan het verzoek zoals verwoord in uw brief van 12 maart 1999 dezerzijds niet zal worden voldaan.(…)”

2.19 Bij brief van 20 juli 1999 heeft de Gemeente aan Reesink meegedeeld van oordeel te zijn dat er nog geen definitieve overeenkomst tot stand is gekomen. Zij schrijft voorts:

“(...) Aan de beginselafspraak dat de afname van de eerste fase per 1 januari 1998 plaatsvindt is geen gevolg gegeven. Dit brengt met zich dat partijen bij de definitieve overeenkomst een andere afnamedatum zullen moeten overeenkomen, ervan uitgaande dat partijen de beoogde koop en verkoop nog wensen.

Door de samenhang van prijs en leveringsdatum zal ook een andere koopsom moeten worden overeengekomen. (...) Voor de hand ligt dat het daaromtrent bepaalde in artikel 5.2. achter A sub f van de intentie-overeenkomst hier wordt toegepast en mitsdien de prijs voor de eerste fase wordt verhoogd met 7% op jaarbasis voor de periode van 1 januari 1998 tot de datum van afname.(...)”

De Gemeente heeft daarbij voorts voorgesteld de afname datum voor de eerste tranche op 1 oktober 1999 te stellen en die van de tweede tranche op 1 juli 2000, dit alles onder de aanzegging dat in het geval Reesink niet aan dit verzoek zou voldoen, de Gemeente tot de conclusie zou moeten komen dat er geen definitieve overeenkomst tot stand zal kunnen komen. In dat geval zou de Gemeente de overeenkomst opzeggen en als ontbonden beschouwen, wegens het voortdurend ernstig tekortschieten van Reesink in de nakoming van het in de overeenkomst bepaalde.

Reesink heeft bij brieven van 21 en 26 juli 1999 ook dit voorstel van de hand gewezen en de Gemeente onder meer gesommeerd de brief van 20 juli 1999 in te trekken.

2.20 Bij brief van 23 augustus 1999 heeft de Gemeente aan Reesink de intentie-overeenkomst opgezegd en ontbonden, omdat naar haar mening -kort gezegd- Reesink niet was nagekomen hetgeen was afgesproken, te weten afname van de eerste fase per 1 januari 1998.

2.21 Op 23 september 1999 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan voor het Terrein, inmiddels geheten de Ecofactorij, vastgesteld. De gemeenteraad is daarbij op een aantal door Reesink als essentieel geduide punten, te weten de hoogte van de lichtmasten, het aantal m² kantooroppervlak, de spoorbestemming en het zwevend bouwen langs het spoor, tegemoet gekomen aan de bedenkingen die Reesink had tegen het voorontwerp. Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 14 maart 2000 het bestemmingsplan -behoudens enkele hier niet van belang zijnde onderdelen- goedgekeurd.

2.22 Bij brief van 8 oktober 1999 heeft de Gemeente Reesink uitgenodigd binnen drie weken schriftelijk aan haar kenbaar te maken dat zij tot aankoop van de grond zal overgaan conform de brief van de Gemeente van 20 juli 1999, met dien verstande dat als afnamedata gelden 1 november 1999 en 1 augustus 2000, terwijl de grondprijs voor de eerste fase per 1 november 1999 ¦ 112,11 per m² bedraagt.

Reesink heeft in haar reactie van 13 oktober 1999 hierop meegedeeld dat zij staat op onverkorte nakoming van de overeenkomst van 12 maart 1997.

2.23 Na daartoe verlof te hebben gekregen, heeft Reesink op 6 september 1999 conservatoir beslag doen leggen ten laste van de Gemeente op het Terrein.

3. De vordering in conventie

3.1 Reesink vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht zal verklaren dat de Gemeente gehouden is de tussen partijen gesloten overeenkomst van 12 maart 1997 onverkort en ongewijzigd na te komen;

2a. de Gemeente zal veroordelen de in de overeenkomst van 12 maart 1997 bedoelde eerste fase aan Reesink in eigendom te leveren tegen ¦ 99,-- exclusief BTW per m², zodra voor die fase ten behoeve van de daarop te realiseren bebouwing de vereiste (bouw)vergunning afgegeven zijn, zulks conform artikel 5.2.A van die overeenkomst en de aan die overeenkomst gehechte koopakte, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom door de Gemeente aan Reesink van ¦ 500.000,-- voor iedere dag dat de Gemeente na afloop van 14 dagen na ontvangst van een oproep om aan die eigendomsoverdracht mee te werken in gebreke blijft aan de inhoud van dit vonnis te voldoen;

2b. althans de Gemeente zal veroordelen de in de overeenkomst van 12 maart 1997 bedoelde fase 1 aan Reesink in eigendom te leveren voor een bedrag van ¦ 99,-- per m² conform de artikelen 2 e.v. van de koopakte die aan die overeenkomst is gehecht binnen een door deze rechtbank te bepalen termijn nadat de bouwvergunning voor de bebouwing van die fase 1 aan Reesink is afgegeven, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsom als hierboven in het petitum sub 2a vermeld;

2c. althans de Gemeente zal veroordelen binnen 14 dagen na dit vonnis met Reesink overeen te komen dat de Gemeente eerdergenoemde fase 1 aan Reesink in eigendom zal leveren voor ¦ 99,-- per m² zodra de bouwvergunning voor de bebouwing van die fase is afgegeven zulks op de voorwaarden als aangegeven in de artikelen 2 e.v. van de koopovereenkomst die gehecht is aan de overeenkomst van 12 maart 1997 alsmede de Gemeente zal veroordelen die overeenkomst na het sluiten daarvan na te komen, zulks op straffe van verbeurte van dwangsom als in het petitum hierboven sub 2a vermeld;

waarbij ten aanzien van het sub 2a, b en c gevorderde ten aanzien van de ontsluitingsweg steeds het hierna sub 3 gevorderde zal gelden;

3. de Gemeente zal veroordelen onmiddellijk na dit vonnis alle handelingen te verrichten teneinde te komen tot een zo spoedig mogelijke aanvang van de aanleg van de ontsluitingsweg bedoeld in artikel 5.1. van de bij de intentie-overeenkomst van 12 maart 1997 gevoegde koopakte en de Gemeente zal veroordelen deze aanleg na de aanvang daarvan voortvarend te voltooien met veroordeling van de Gemeente om tot de voltooiing van die ontsluitingsweg aan Reesink over gemeentegrond toegang te verlenen tot de ingevolge het petitum sub 2 te leveren grond, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom als in dit petitum sub 2a aangegeven;

4. de Gemeente zal veroordelen aan Reesink te betalen een bedrag ten titel van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 september 1999 tot aan die der algehele voldoening;

5. de Gemeente zal veroordelen in de kosten van dit geding, de kosten van het gelegde beslag daaronder begrepen.

3.2 Reesink legt aan haar vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

De Gemeente is ook na in gebreke te zijn gesteld haar verplichtingen uit de overeenkomst van 12 maart 1997 niet nagekomen. Allereerst door een voorontwerp bestemmingsplan ter visie te leggen waarvan de inhoud in strijd was met de overeenkomst met Reesink en daarna door te weigeren conform de overeenkomst aan haar te leveren. Nu de Gemeente te kennen heeft gegeven de overeenkomst niet te zullen en willen nakomen, vordert Reesink een verklaring voor recht dat de Gemeente gehouden is de overeenkomst na te komen en een veroordeling van de Gemeente het gekochte aan haar te leveren.

Door pas op 23 september 1999 het bestemmingsplan (vrijwel) in overeenstemming te brengen met de overeenkomst heeft de Gemeente een vertraging in de uitvoering van de overeenkomst veroorzaakt van 1½ jaar. Door na 23 september 1999 te weigeren conform de overeenkomst tot levering van fase 1 over te gaan heeft de Gemeente verdere vertraging veroorzaakt die voortduurt. Ook door het in gebreke blijven tijdig de nodige eigendommen te verwerven om de ontsluitingsweg en de aansluiting van deze weg op de Zutphensestraat te realiseren wordt vertraging veroorzaakt. Reesink heeft als gevolg van deze vertragingen schade geleden, welke nog dagelijks toeneemt. De Gemeente dient haar die schade te vergoeden.

4 Het verweer in conventie

4.1 De Gemeente concludeert dat de rechtbank Reesink niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen met haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 De Gemeente voert de navolgende verweren aan.

Tussen partijen is geen definitieve koopovereenkomst tot stand gekomen omdat Reesink na kennis genomen te hebben van het voorontwerp bestemmingsplan weigerde zich verder die inspanningen te getroosten waartoe zij zich bij de intentie-overeenkomst had verbonden en tevens weigerde de beoogde koopovereenkomst te sluiten.

De Gemeente heeft bij brief van 23 augustus 1999 conform haar eerdere aanzegging de overeenkomst met Reesink opgezegd en ontbonden.

De Gemeente betwist dat ze met het ontwerpen, in procedure brengen en vaststellen van het bestemmingsplan in strijd met haar verplichtingen jegens Reesink heeft gehandeld en dat Reesink de door haar gestelde schade heeft geleden.

5. De vordering in reconventie

5.1 De Gemeente vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht zal verklaren dat de op 12 maart 1997 tussen partijen gesloten overeenkomst is ontbonden;

b. Reesink zal veroordelen aan de Gemeente een bedrag aan schadevergoeding te betalen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2000 tot de dag der algehele voldoening en

c. het door Reesink gelegde beslag op zal heffen;

d. Reesink zal veroordelen in de kosten van het geding.

5.2 De Gemeente legt aan haar vorderingen de vaststaande feiten en de navolgende stellingen ten grondslag.

Reesink is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar (inspannings-) verplichtingen uit de overeenkomst. Dit is voor de Gemeente aanleiding geweest de overeenkomst met Reesink op te zeggen en te ontbinden. De Gemeente heeft schade geleden door de wanprestatie van Reesink. Deze schade bestaat onder meer uit renteverliezen en uit de buitengerechtelijke kosten, alsmede uit de schade die de Gemeente lijdt als gevolg van het door Reesink gelegde beslag. De Gemeente heeft recht op en belang bij verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden en bij de opheffing van het ongegrond gelegde beslag.

6. Het verweer in reconventie

6.1 Reesink concludeert dat de rechtbank de vorderingen van de Gemeente zal afwijzen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding.

6.2 Zij heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd.

7. Beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

7.1 De vorderingen en stellingen van partijen in de beide procedures over en weer lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

7.2 Kernvraag in het geschil tussen partijen is of een van partijen een verwijt gemaakt kan worden voor het feit dat aan de overeenkomst van 12 maart 1997 nog steeds geen uitvoering is gegeven door de verkoop van het perceel door de Gemeente aan Reesink en zo ja, aan wie en in welke mate. Bij de beantwoording van die vraag zullen de volgende periodes worden onderscheiden:

A. de periode tot aan de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan,

B. de periode na de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

7.3 A. De periode tot aan de tervisielegging van het voorontwerp bestemmingsplan.

In deze periode hebben partijen in het onder 2.6. genoemde bouwteam regelmatig besprekingen gevoerd over de aanloop naar en de voortgang van de in te stellen artikel 19 WRO procedure. Beide partijen hebben (delen van) verslagen van die besprekingen in het geding gebracht. Uit deze in het geding gebrachte verslagen en uit de overige in het geding gebrachte stukken kan het volgende worden opgemaakt.

7.4 De eerste stagnatie die zich blijkens de stellingen en stukken in het bouwtraject heeft voorgedaan, is ontstaan bij de Welstandscommissie.

In verband met onder meer “agenda-technische” problemen kan het bouwplan van Reesink niet in de maand mei 1997 nog behandeld worden door de Welstandscommissie, zodat de termijn van 1 juni 1997 voor het verkrijgen van een definitieve beoordeling door de Welstandscommissie niet gehaald kan worden.

Uit de daaromtrent gewisselde correspondentie en hetgeen is opgenomen in de verslagen van het bouwteam blijkt dat partijen op dat ogenblik geen nadere consequenties aan deze vertraging verbinden. Men spreekt over het in de maand juni 1997 voorleggen van de plannen aan de Welstandscommissie en een presentatie op 11 juli 1997. Hoewel die termijn wordt gehaald, duurt het echter nog tot 8 september 1997 voordat het plan positief beoordeeld wordt. Partijen verschillen van mening over de oorzaak van de herhaalde afwijzingen door de Welstandscommissie. Reesink verwijt de Gemeente dat verzuimd is tijdig een stedenbouwkundig plan te ontwikkelen voor het Terrein; de Gemeente stelt dat Reesink een nog onvoldoende doorgedacht nieuwbouwplan aan de commissie heeft voorgelegd. Zowel voor het ene als voor het andere standpunt is steun te vinden in de door de Gemeente in het geding gebrachte brieven van de Welstandscommissie en in de verslagen van het Bouwteam. Wat betreft het verwijt van Reesink wordt in het gespreksverslag van 16 mei 1997 opgemerkt door een vertegenwoordiger van de Ariëns Groep: “De Ariëns Groep moet op 1 juni a.s. een welstandsaccoord plan aanleveren, terwijl er geen stedebouwkundig plan is (27 mei vindt vooroverleg met de rayonarchitect plaats, dit betekent nog 3 dagen de tijd om het plan aan te passen.) De welstand zal willen zien dat het bouwplan Reesink is ingepast in het stedebouwkundig plan.”

Tijdens de volgende vergadering, op 22 mei 1997 wordt zijdens de Gemeente opgemerkt dat de behandeling van het bouwplan is verschoven van 30 mei naar 13 juni en wordt meegedeeld: “De heer de Jong (werkzaam bij de Gemeente, rechtbank) heeft het dilemma van het niet aanwezig zijn van een stedebouwkundig plan aan de orde gebracht bij welstand. De welstand heeft begrip voor ontstane situatie en adviseert partijen om gemeenschappelijk op te trekken (...)”.

Deze mededeling toen valt niet te rijmen met het thans door de Gemeente ingenomen standpunt dat de Welstandscommissie zich dient te onthouden van een stedenbouwkundige toetsing. Ook al zou de Gemeente thans gelijk hebben, uit de verslagen valt geen andere conclusie te trekken dan dat de Gemeente er toen met Reesink vanuit ging dat hier op zijn minst een probleem lag.

Uit de overgelegde producties blijkt niet dat aan één van partijen in overwegende mate een verwijt gemaakt kan worden van het langer dan voorzien uitblijven van een positief advies van de Welstandscommissie. Zoals ook door de Gemeente uitdrukkelijk is betoogd is de Welstandscommissie een onafhankelijk adviesorgaan en kan geen der partijen invloed op deze commissie uitoefenen ten aanzien van de snelheid van besluitvorming.

Onweersproken is dat de Welstandscommissie het plan eerst positief beoordeelde nadat Reesink was ingegaan op haar advies het bouwplan 180° om te draaien. Dat Reesink eind augustus 1997 verkoos om het toen voorliggende bouwplan te wijzigen zonder dat daar deugdelijke redenen aan ten grondslag lagen, zoals de Gemeente lijkt te suggereren, kan niet gezegd worden. Zou zij voorbijgegaan zijn aan de suggesties van de Welstandscommissie, dan zou in het geheel niet te voorzien zijn geweest wanneer een positief advies zou voorliggen. Dat was dan ook, zo blijkt uit de verslagen, de voornaamste reden waarom Reesink, na veel wikken en wegen, koos voor het spiegelen van het bouwplan.

Uit de destijds gemaakte verslagen blijkt dat het advies van de Welstandscommissie in alle openheid tussen partijen is besproken en dat er geen sprake van is geweest dat Reesink verweten werd een nog onvoldoende doordacht nieuwbouwplan te hebben voorgelegd aan de Welstandscommissie. Integendeel, vertegenwoordigers van de Gemeente waren toen aanvankelijk van mening dat de adviezen van de Welstandscommissie niet zonder meer gevolgd moesten worden.

7.5 Een tweede stagnatie deed zich voor bij de aanvraag van de milieuvergunning.

De stelling van de Gemeente dat vertraging bij de aanvraag van de bouwvergunning voorkomen had kunnen worden als Reesink tijdig een milieuvergunning had aangevraagd, moet verworpen worden. Uit de gespreksverslagen blijkt dat al van meet af aan in het bouwteam voorbereidingen zijn getroffen voor het indienen van die aanvraag. Zo is onder meer in een vroegtijdig stadium overleg gevoerd met een vertegenwoordiger van de brandweer. Het gespreksverslag van 25 juni 1997 vermeldt onder het kopje milieuvergunning: “De milieuaanvraag (...) is conform de wensen van de Gemeente en Reesink. (...) De heer Hulsteijn (van de Gemeente, rechtbank) merkt op dat hij na de vergadering de aanvraag zal bekijken (..)”

Op 2 juli 1997 is in de procedure tot het verlenen van de milieuvergunning in de plaatselijke kranten mededeling gedaan van het voornemen van de Gemeente aan Reesink zo’n vergunning te verlenen.

Dat Reesink als gevolg van het feit dat zij min of meer gedwongen was haar bouwplan aan te passen aan de suggesties van de Welstandscommissie nadien een gewijzigde aanvraag voor een milieuvergunning moest indienen, kan haar in de gegeven omstandigheden niet verweten worden en het is haar toentertijd door de Gemeente ook niet verweten, laat staan dat van een ingebrekestelling sprake zou zijn geweest.

7.6 De Gemeente heeft aangevoerd dat Reesink gelet op de intentie-overeenkomst ondanks de vertraging bij de Welstandscommissie en bij het verkrijgen van een milieuvergunning toch rond 1 juni 1997 had moeten overgaan tot het indienen van een ontvankelijke bouwvergunningaanvraag. Dit snijdt echter geen hout.

Uit het bepaalde in artikel 3.3. van de overeenkomst blijkt dat partijen er vanuit gingen dat een bouwvergunning per 1 januari 1998 haalbaar was, indien uiterlijk 1 juni 1997 een (positief) oordeel van de Welstandscommissie voorlag en er zicht was op tijdige afgifte van een milieuvergunning. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat omstreeks 1 juni 1997 al duidelijk was dat aan geen van beide voorwaarden zou zijn voldaan. Partijen hebben ondanks deze vertragingen het door hen ingeslagen traject van de anticipatieprocedure voortgezet, zo blijkt uit de gespreksverslagen van het bouwteam. Daarbij is steeds weer (zie onder meer de verslagen van 22 mei 1997, 28 mei 1997, 13 augustus 1997, 27 augustus 1997, 15 januari 1998 en 11 februari 1998) door de Gemeente benadrukt dat voor de verdere voortgang van de artikel 19 procedure een positief advies van de Welstandscommissie en (zicht op) een milieuvergunning vereist zijn. In het verslag van 17 december 1997 staat in verband met de voortgang van de artikel 19 WRO procedure bij voorbeeld met zoveel woorden: “Nu zal echter eerst gewacht moeten worden op de procedure milieuvergunning.”

Ook in de onder 2.17 weergegeven brief van de Gemeente van 12 maart 1999 wordt dit standpunt nog eens met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht. Het thans door de Gemeente ingenomen standpunt dat een bouwvergunningaanvraag slechts wordt geschorst tot er beslist is (in welke zin dan ook) op een aanvraag voor een milieuvergunning kan haar niet baten. Dat de Gemeente en/of de wetgever thans tot een ander inzicht zouden zijn gekomen, doet niet af aan het feit dat Reesink mocht uitgaan van hetgeen door de Gemeente toen werd meegedeeld, waarbij in het midden kan blijven of dat standpunt destijds en ook nu juridisch juist was en/of is.

7.7 Op 27 oktober 1997 is het door Reesink ingediende en door de Welstandscommissie positief beoordeelde beginselplan ter inzage gelegd in het kader van de artikel 19 procedure. Daartegen zijn zes bezwaren binnengekomen. Het voornemen bestond deze bezwaren ter commissievergaderingen in januari en februari 1998 af te handelen. Ter vergadering van 19 november 1997 wordt door de Gemeente meegedeeld dat de artikel 19 procedure na 20 januari 1998 tijdelijk zou moeten worden stilgelegd omdat deze procedure afhankelijk is van de milieuvergunning-aanvraag. Tevens wordt in die vergadering afgesproken: “In de planning zal worden aangegeven wanneer de bouwaanvraag moet worden ingediend.”

7.8 Overigens is Reesink noch tijdens de bouwteamvergaderingen noch anderszins vòòr 12 maart 1999 door de Gemeente aangesproken op het feit dat zij nog geen aanvraag voor een bouwvergunning had ingediend noch is haar verzocht een ontvankelijke aanvraag in te dienen. Partijen spraken naar aanleiding van de geconstateerde vertraging in de plannen alleen af te bezien of de grondtransactie voor de eerste fase toch doorgang zou kunnen vinden per 1 januari 1998.

7.9 Dit alles leidt niet tot de conclusie dat Reesink in verzuim is gekomen in de periode vanaf het sluiten van de intentie-overeenkomst tot het bekend worden van het voorontwerp bestemmingsplan, eind november 1997.

7.10 B. de periode na de tervisielegging van het voorontwerp bestemmingsplan.

Na het bekend worden van het voorontwerp heeft Reesink zich tegenover de Gemeente op het standpunt gesteld dat dit ontwerp op een groot aantal punten indruiste tegen hetgeen tussen partijen was overeengekomen en dat met dit voorontwerp haar komst naar Apeldoorn werd getorpedeerd. Daarbij heeft zij zich beroepen op artikel 5.2. A b sub 2 en gesteld dat het aanvragen van een bouwvergunning in die omstandigheden zinloos was, in samenhang met het gegeven dat niet werd voldaan aan de tweede voorwaarde voor afname van de grond per 1 januari 1998, te weten dat, toetsend aan de redelijkheid voldoende zeker was dat de tweede fase planologisch de beoogde mogelijkheden van bebouwing, inrichting en gebruik bood als partijen in de intentie-overeenkomst waren overeengekomen. De Gemeente heeft van haar zijde aangevoerd dat Reesink haar onvoldoende heeft geïnformeerd over haar bouwplannen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zij bij het opstellen van het voorontwerp bestemmingsplan onvoldoende rekening daarmee heeft kunnen houden. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij bij het opstellen van het voorontwerp bestemmingplan had rekening te houden met haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheden. De bepaling dat bij de planherziening in onderling overleg rekening gehouden moest worden met de bouwplannen van Reesink, impliceerde niet dat zij de wensen van Reesink klakkeloos diende te volgen. Deze stellingen van de Gemeente zullen aan de hand van de vier meest essentiële geschilpunten tussen partijen met betrekking tot het voorontwerp bestemmingsplan behandeld worden.

7.11 1. In het ontwerpbestemmingsplan was 3000 m² kantoor toegestaan.

Reesink noemt dit volstrekt onvoldoende. De Gemeente stelt dat in de intentieovereenkomst geen metrage voor kantoor is overeengekomen en dat Reesink zelf een veel lager kantoormetrage, te weten 2600 m² heeft opgegeven.

In de considerans van de intentie-overeenkomst wordt gesproken over overplaatsing van nagenoeg het gehele bedrijf van Reesink. Uit het gespreksverslag van 21 maart 1997 blijkt dat Reesink toen heeft aangegeven dat in de eerste fase 1600 m² kantoren is gepland en dat later voor het hoofdkantoor rekening wordt gehouden met een oppervlakte voor kantoren van nog eens 4000 m². De Gemeente heeft aangevoerd dat aan dit verslag voorbijgegaan moet worden, omdat Reesink aangaf met de inhoud van dit verslag niet te kunnen leven. De Gemeente heeft met name betwist dat de door Reesink overgelegde versie ook de definitieve is, maar aan dit bezwaar wordt voorbijgegaan, nu ook de Gemeente uitsluitend deze versie in het geding heeft gebracht, zodat het er voor gehouden wordt dat dit de definitieve en goedgekeurde versie is. Bovendien is op zichzelf niet betwist dat tijdens de vergadering van 21 maart 1997 deze opgave is gedaan. Dat zou ook moeilijk kunnen, omdat de schriftelijke versie van het gesprek waarin melding wordt gemaakt van dit metrage is opgesteld door de Gemeente zelf.

De Gemeente baseert haar stelling dat Reesink een veel lagere metrage heeft opgegeven op het door Reesink ingediende beginselplan, waarin gesproken wordt over 2600 m² kantoorruimte. De Gemeente gaat er daarbij echter aan voorbij dat dit beginselplan slechts betrekking had op de eerste fase. Gelet op onder meer de inhoud van de intentie-overeenkomst en op de mededelingen van Reesink tijdens de vergadering van 21 maart 1997 had het voor de Gemeente al bij het opstellen van het voorontwerp bestemmingsplan duidelijk kunnen en moeten zijn dat voor Reesink een oppervlakte van 3000 m² voor kantoren onvoldoende en derhalve niet aanvaardbaar zou zijn. Reesink heeft onweersproken gesteld dat zij in haar huidige vestiging al 9000 m² aan kantoorruimte heeft en dat de tweede fase dus niet de overeengekomen mogelijkheden -kort samengevat: nieuwbouw van Reesink ter vervanging van de bestaande gebouwen in Zutphen- bood. Uit het besluit van 23 september 1999, waarbij het bestemmingsplan door de gemeenteraad is vastgesteld, blijkt dat de door de Gemeente aanvankelijk aangehouden norm gebaseerd is op een norm die ook elders in het land voor grootschalige industrieterreinen wordt gehanteerd. De gemeenteraad overweegt dat deze norm voldoende geacht moet worden, gelet op de aard van de op het terrein toegestane bedrijven, maar dat Reesink een andersoortige bedrijfsvorm en ook een aparte bestemmingsaanduiding heeft. Vervolgens wordt besloten voor Reesink een aantal van 6500 m² kantoorruimte in het bestemmingsplan op te nemen, waarbij het begrip kantoorruimte ook nog eens eng wordt uitgelegd, zodat bijvoorbeeld vergaderruimte, toiletten en showroom niet (meer) als kantoorruimte meegerekend worden.

Dat de Gemeente op grond van nieuwe informatie of gewijzigde inzichten op het gebied van de ruimtelijke ordening tot een ander inzicht is gekomen over het toe te staan aantal m² kantoorruimte, kan niet gezegd worden. De Gemeente was van meet af aan bekend met de bedrijfsaard van Reesink en met de benodigde kantoorruimte.

Daarbij komt dat Reesink zowel in de correspondentie als in besprekingen die na de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan hebben plaatsgevonden dit punt telkenmale naar voren heeft gebracht, zodat er bij de Gemeente al in een zeer vroeg stadium na de tervisielegging volkomen duidelijkheid bestond.

7.12 2. De bepaling in het voorontwerp dat langs het spoor een strook grond van 21 meter een spoorbestemming krijgt en dat op de daarop aansluitende strook van 30 meter over een lengte van 500 meter eerst vanaf 5 meter boven het maaiveld gebouwd mag worden.

Met Reesink moet geoordeeld worden dat deze bepaling in strijd is met hetgeen in artikel 7 van de intentie-overeenkomst is opgenomen. Uit het onder 7 in de overeenkomst bepaalde volgt dat partijen met het oog op de voorgenomen aansluiting op het spoor een strook grond van circa 15 meter vanaf het hart van het bestaande spoor hadden gereserveerd. De Gemeente heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat zij kennelijk nadien tot het oordeel is gekomen dat een veel bredere zone een spoorbestemming diende te krijgen, waarvan 7,5 meter op de door Reesink te verwerven grond. De stelling van Reesink dat de Gemeente nimmer overleg heeft gevoerd met de spoorwegen over een eventueel te realiseren aansluiting op het spoor is onweersproken gebleven.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan overweegt de gemeenteraad dat Reesink terug zou zijn gekomen op haar voornemen een centraal overslagstation aan het spoor te realiseren, zodat de voorwaarde van 30 meter vrije ruimte kon komen te vervallen en een ruimte van 15 meter uit het hart van het spoor voldoende zou zijn voor een extra spoorbaan ten behoeve van bedrijfsoverslag. Dat de Gemeente aan haar gewijzigde inzichten overwegingen ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening ten grondslag heeft gelegd, blijkt niet uit de in het geding gebrachte producties. Bovendien is onweersproken gebleven dat het nooit de bedoeling is geweest dat Reesink op eigen grond een gemeenschappelijk overslagstation zou aanleggen voor andere bedrijven.

De Gemeente heeft zich bij gelegenheid van pleidooi erop beroepen dat deze brede spoorbestemming conform de door Reesink zelf verstrekte informatie over haar bouwplannen was. De Gemeente verwijst daartoe naar het zogenaamde A-3 boekje, waarin in enkele tekeningen, kaarten en impressies het bouwplan van Reesink werd gepresenteerd, in het bijzonder naar de zesde tekening (zonder schaal), waaruit naar haar mening zou blijken dat boekje Reesink tussen haar perceelsgrens aan het spoor en de door haar beoogde bebouwing een brede strook onbebouwd heeft gelaten. Daarbij stelt de Gemeente dat de regeling dat over een aansluitende strook van 30 meter breedte slechts vanaf een hoogte van 5 meter zou mogen worden gebouwd, strookte met de door Reesink aan de Gemeente gegeven informatie, waarvan zij redelijkerwijs mocht uitgaan.

Nog afgezien van het feit dat de Gemeente juist ten aanzien van een ander bezwaar van Reesink heeft aangevoerd dat dit A-3 boekje in ieder geval ten aanzien van de schaal van bepaalde onderdelen van het plan onvoldoende nauwgezette informatie verschaft om daarvan dienaangaande uit te gaan, geldt in de onderhavige situatie, waar in de overeenkomst duidelijke bepalingen zijn opgenomen over de situatie langs het spoor, dat het op de weg van de Gemeente had gelegen om, indien zij voornemens was in het voorontwerp daarvan afwijkende bepalingen op te nemen en er een voortdurend overleg tussen partijen plaatsvond, eerst bij Reesink te verifiëren of de betreffende bepalingen inderdaad strookten met hetgeen de Gemeente meende dat Reesink voor ogen stond. De Gemeente heeft dat niet gedaan, althans, dit is niet in de gespreksverslagen terug te vinden en ook anderszins door de Gemeente niet gesteld en overigens ook niet gebleken. Waar de Gemeente bepalingen in het voorontwerp bestemmingsplan opnam die in het geheel niet overeenkwamen met hetgeen partijen daarover waren overeengekomen en die een verregaande en voor Reesink niet voorzienbare beperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel met zich brachten, kan Reesink niet verweten worden dat zij tegen deze bepalingen is opgekomen en de afname van de grond heeft uitgesteld. De Gemeente heeft nog aangevoerd dat de bredere strook niet ten laste van Reesink hoefde te komen; het aan Reesink te leveren terrein zou met een gelijke breedte kunnen opschuiven. Gesteld noch gebleken is echter dat dit eerder aan Reesink is meegedeeld. Ook biedt dit geen soulaas voor wat betreft de bepaling dat over een strook van 30 meter alleen op een hoogte van 5 meter gebouwd mocht worden.

7.13 3. De lichtmasten mogen niet hoger dan 7 meter zijn.

Met de Gemeente moet geoordeeld worden dat in de intentie-overeenkomst geen nadere bepalingen zijn opgenomen over de hoogte van lichtmasten. Weliswaar blijkt uit de tekeningen van het zogenaamde A3-boekje de maatvoering van de lichtmasten niet met zoveel woorden, buiten twijfel is dat uit de verhouding tussen die masten en de geprojecteerde gebouwen valt af te leiden dat hier niet aan masten van slechts 7 meter hoogte werd gedacht. Het had voor de hand gelegen dat de Gemeente, die aanvankelijk van een andere hoogte uit wilde gaan dan Reesink beoogde, dit punt expliciet aan de orde had gesteld tijdens de vergaderingen van het bouwteam of anderszins, zodat in het voorontwerp van meet af aan daarmee rekening gehouden had kunnen worden.

Uit de gespreksverslagen van het bouwteam volgt dat in ieder geval op 15 april 1998 bij de Gemeente bekend was dat Reesink masten op het terrein wenste te plaatsen, hoger dan de toegestane 7 of 8 meter, terwijl ook hier geldt dat Reesink na de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan in ieder geval direct ieder mogelijk misverstand uit de weg heeft genomen. Zeker na de gezamenlijke inventarisatie in november 1998 van dit knelpunt, naast de andere, kon daarvan geen sprake meer zijn. Met die inventarisatie is echter niets gedaan tot de wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan op 23 september 1999, hetgeen qua termijn des te meer klemt nu Reesink al bij schrijven van 13 februari 1998 aan het College van Burgemeester en Wethouders had doen weten dat “ door de wijze waarop de milieuvergunning alsmede het bestemmingsplan ingericht lijken te gaan worden ernstige inbreuk wordt gemaakt op de tussen ons gesloten overeenkomst alsmede op datgene wat in redelijkheid van de onderneming gevergd kan worden”. Ten aanzien van de stelling van de Gemeente dat, zou zij wel geweten hebben van de wensen van Reesink op dit punt, dat nog niet meebracht dat zij verplicht was de wensen van Reesink klakkeloos op te volgen geldt dat dat onverlet laat dat zij, gelet alleen al op haar publieke taak in deze, gehouden is voldoende en serieuze aandacht te besteden aan de door Reesink ingebrachte bezwaren. Dat Reesink op goede gronden bezwaar maakte tegen de voorgeschreven maximum hoogte van de lichtmasten van 7 of 8 meter kan genoegzaam worden afgeleid uit het feit dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad aan de bepalingen omtrent de hoogte van lichtmasten is toegevoegd de bepaling dat lichtmasten op een parkeerterreinen en laad- en losterrein maximaal 12.5 meter hoog mogen zijn. Planologische bezwaren stonden daaraan blijkbaar niet in de weg en het valt dan ook niet in te zien waarom eerst na medio 1999 aan Reesinks wensen op dit punt tegemoet kon worden gekomen. Dat de Gemeente reeds voordat het tussen partijen tot een breuk kwam aan Reesink heeft toegezegd het bestemmingsplan op dit punt te wijzigen in de door Reesink gewenste zin, is gesteld noch gebleken.

7.14 4. Op brede stroken van het Terrein rusten bouwverboden.

Ook ten aanzien van deze verboden is de Gemeente Reesink uiteindelijk deels tegemoet gekomen in het definitieve bestemmingsplan. Het voorschrift dat over een strook van 30 bij 500 meter (1,5 ha) slechts op een hoogte van 5 meter gebouwd mocht worden, is vervallen. Voorts heeft Reesink er op gewezen dat van de gehandhaafde bouwverboden ingevolge het bestemmingsplan vrijstelling kan worden verleend, zodat deze verboden op zichzelf geen blokkade vormen voor de voorgenomen verhuizing van Reesink naar Apeldoorn. Om die reden berust Reesink daar in, mede nu het bestemmingsplan op de overige punten wel in de door haar gewenste zin is gewijzigd. Het kan Reesink echter niet verweten worden dat zij deze kwestie mede redengevend achtte voor haar weigering de eerste zes hectaren op 1 januari 1998 af te nemen.

7.15 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het door de Gemeente ter visie gelegde (voor-)ontwerp bestemmingsplan op een aantal voor Reesink cruciale punten niet overeenstemde met de letter of de geest van de intentie-overeenkomst.

Te voorzien was dat bij een aanvraag voor een bouwvergunning conform het door de Welstandscommissie goedgekeurde bouwplan van Reesink een bouwvergunning zou zijn geweigerd, omdat het bouwplan op een aantal cruciale punten in strijd was met dat (voor-)ontwerp. In een dergelijke situatie kon en mocht niet van Reesink gevergd worden dat zij een aanvraag voor een bouwvergunning indiende, temeer waar zij onweersproken heeft verklaard dat met een dergelijke aanvraag een bedrag van ¦ 1.5 miljoen gemoeid zou zijn aan ontwerpkosten en leges. Anders dan de Gemeente stelt, is er sprake van een dusdanige contractuele samenhang tussen bouwver-gunning, artikel 19 procedure en grondverwerving, dat obstakels ten aanzien van het laatste onverkort doorwerken naar het eerste.

De stelling van de Gemeente dat zij op een aantal onderdelen nog tegemoet is gekomen aan de door Reesink ingebrachte bedenkingen tegen het voorontwerp faalt in zoverre dat de Gemeente voor wat betreft de cruciale punten alleen ten aanzien van de kantoorbestemming eerder dan bij de goedkeuring door de gemeenteraad heeft aangegeven bereid te zijn alsnog het maximum te verhogen tot 6500 m². In de onder 2.17 genoemde brief van 12 maart 1999 waarin de Gemeente aan Reesink meedeelt dat zij bereid is het aantal vierkante meters kantoorruimte te verhogen, stelt de Gemeente echter tegelijkertijd dat Reesink ingaande 1 april 1999 een rentevergoeding van ¦ 32.667,-- per maand dient te betalen, hetgeen Reesink weigert. Uit de verslagen van het bouwteam blijkt dat Reesink daar geen voortgang boekte, terwijl het College van Burgemeester en Wethouders een verzoek tot interventie bij schrijven van 12 april 1998 afhield en geen soulaas gaf toen zij zich uiteindelijk wel rechtstreeks met de kwestie inliet met het doen opmaken en vervolgens bespreken van een inventarisatie van door Reesink gesignaleerde knelpunten in november 1998, in welke houding het College volhardde tot haar schrijven van 12 maart 1999.

Ook ten aanzien van periode B kan niet geconcludeerd worden dat Reesink in verzuim is geraakt.

7.16 De Gemeente heeft bij brief van 23 augustus 1999 de overeenkomst opgezegd en ontbonden en daarbij meegedeeld dat zij de uitleg die Reesink geeft voor het niet aanvragen van een bouwvergunning niet kan volgen en dat Reesinks bezwaren tegen het bestemmingsplan geen grond opleveren voor de stellingname dat het plan in strijd is met de overeenkomst.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt echter dat Reesink niet verweten kan worden dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen. Met Reesink moet geoordeeld worden dat het indienen van een aanvraag voor een bouwvergunning in de eerste periode niet opportuun was, omdat het wachten was op de milieuvergunning, met name gelet op hetgeen partijen hieromtrent in de vergaderingen van het bouwteam steeds afspraken, zoals onder 7.6. overwogen. In de periode na het tervisieleggen van het voorontwerp bestemmingsplan kon en mocht Reesink zich op goede gronden op het standpunt stellen dat een aanvraag voor een bouwvergunning vooralsnog achterwege kon blijven. Voorzover de Gemeente aanvoert dat Reesink eerst bij brief van 26 juli 1999 zou hebben aangevoerd dat een aanvraag van een bouwvergunning van haar niet zou kunnen worden gevergd en dat zij dit standpunt toen ook niet heeft onderbouwd, wordt dit verweer verworpen, nu uit de reeds lang bestaande impasse voor de Gemeente zonneklaar was waarom Reesink niet mee kon en wilde gaan naar de volgende stap, te weten het aanvragen van de vergunning en het daaraan gekoppelde afnemen van de eerste zes hectare. Gelet op het bepaalde in artikel 5.2.A.b.2 mocht Reesink haar verdere medewerking in redelijkheid opschorten. Terecht stelt de Gemeente bij dupliek dan ook “(…) Kortom, de levering van de eerste fase per 1 januari 1998 was in de intentieovereenkomst een (hard) gegeven, tenzij -door uiteraard niet (mede) aan Reesink toe te rekenen oorzaken, de bouwvergunning voor fase 1 of het zicht op planologische haalbaarheid zouden ontbreken (…)” De overeenkomst, zo stelt Reesink terecht, voorzag blijkens de tekst ook in een latere afname. Dat de Gemeente, anders dan Reesink (vide artikel 5.2. A sub d) heeft verzuimd haar financiële belangen veilig te stellen door bijvoorbeeld een renteclausule op te nemen (zo daarvan zelfs al niet uitdrukkelijk is afgezien, zoals Reesink gemotiveerd heeft aangevoerd bij pleidooi en zou kunnen worden afgeleid uit het laten vallen van artikel 5.2.A d in het eerste concept) is een omstandigheid die voor haar rekening en risico is. Reesinks weigering alsnog in een zodanige renteclausule in te stemmen rechtvaardigt de ontbinding van de overeenkomst dan ook niet, temeer nu de Gemeente in hoofdzaak zelf verantwoordelijk is geweest voor de opgelopen vertraging door onvoldoende besef dat de civielrechtelijke verhouding met Reesink haar de vrijheid ontnam om het bestemmingsplan geheel naar eigen inzichten op te stellen in plaats van direct die planologische aanvaardbare oplossing te kiezen die als een uitwerking te beschouwen viel van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. Nu de Gemeente de opzegging en ontbinding van de overeenkomst gebaseerd heeft op de hiervoor besproken en verworpen stelling dat Reesink haar verplichtingen uit de intentie-overeenkomst niet is nagekomen, kan de door de Gemeente ingeroepen ontbinding van de overeenkomst geen stand houden, laat staan dat voldaan zou zijn aan de eisen die artikel 9 van de overeenkomst dienaangaande stelt, te weten een na ingebrekestelling voortdurend ernstig tekortschieten.

7.17 Vast staat dat de gemeenteraad bij de definitieve vaststelling van het bestemmingsplan in aanzienlijke mate tegemoet is gekomen aan de bezwaren van Reesink. Op 12 mei 2000 werd duidelijk dat de pogingen van partijen om door mediation een einde aan de impasse te maken, geen succes hadden. Na het mislukken van deze bemiddelingspoging heeft Reesink bij brief van 15 mei 2000 aan de Gemeente meegedeeld, voor zover hier van belang: (…) Niet eerder dan op 23 september jl. is een bestemmingsplan vastgesteld waarbij het eerder ontwerp op een aantal essentiële punten ten behoeve van Reesink werd gewijzigd, zodanig dat op die punten aan de overeenkomst werd voldaan en het bestemmingsplan de vestiging van Reesink mogelijk ging maken. (…) Wij kunnen thans niet langer wachten met de voortgang van onze bedrijfsverplaatsing. Zoals Uw College weet, is de milieuvergunning voor fase 1 gevraagd en verkregen. (..) De Welstandsgoedkeuring voor de bebouwing van fase 1 met een distributiecentrum is al geruime tijd geleden verkregen. Alvorens wij aanzienlijke kosten maken voor het nader gedetailleerd uitwerken van het bouwplan, het aanvragen van een bouwvergunning (inclusief betaling van de daarmee samenhangende leges) en het in gang zetten van de logistieke acties voor de bedrijfsverhuizing, verzoeken wij -en sommeren voor zover nodig- de gemeente Apeldoorn om ons te bevestigen dat de intentieovereenkomst door de gemeente alsnog onverkort zal worden nagekomen en dat conform artikel 5 van die overeenkomst de eerste fase zal worden geleverd, zodat de bouwvergunning is afgegeven. Wij tekenen daarbij aan dat wij na ontvangst van de (…) bedoelde bevestiging uiteraard de aanvraag van de bouwvergunning spoorslags zullen (doen) opstellen en indienen. (…)”

Bij brief van 24 mei 2000 heeft de Gemeente hierop als volgt gereageerd: “(…) gelijk u bekend zijn wij van mening dat niet de Gemeente maar Reesink n.v. stelselmatig in ernstige mate tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met de Gemeente. Wij zijn dan ook onverkort van mening dat wij de intentie-overeenkomst met u bij brief van 23 augustus 1999 terecht ontbonden hebben. De door u gevraagde bevestiging dat de intentieovereenkomst door de Gemeente alsnog onverkort zal worden nagekomen, kunt u derhalve niet tegemoet zien.(…)”

Zoals hiervoor al overwogen, heeft de Gemeente op ondeugdelijke gronden de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Dit brengt met zich dat de vordering van Reesink voor recht te verklaren dat de Gemeente gehouden is de overeenkomst van 12 maart 1997 na te komen, voor toewijzing vatbaar is.

7.18 Ten aanzien van de vordering van Reesink de Gemeente te veroordelen tot kort gezegd levering van de eerste fase zodra ten behoeve van die fase een bouwvergunning is afgegeven, conform artikel 5.2.1 van de intentie-overeenkomst en van de aan die overeenkomst gehechte koopakte, heeft de Gemeente aangevoerd dat er (nog) geen sprake is van een perfecte koopovereenkomst. Zij miskent hierbij evenwel dat, anders dan in voorgaande concepten van de overeenkomst, in de considerans van de door partijen ondertekende intentie-overeenkomst uitdrukkelijk is opgenomen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de grondverwerving, met het oog waarop die afspraken ook in uitgewerkte vorm zijn vastgelegd, met name in artikel 5 van de per bladzijde door beide partijen geparafeerde overeenkomst en in de daaraan gehechte koopakte.

Uit deze bepalingen blijkt dat partijen volledige overeenstemming hadden over alle voor een perfecte koopovereenkomst noodzakelijke elementen namelijk het te (ver)kopen onroerende goed, de prijs en tijdstip en wijze van levering. De primaire vordering van Reesink is dan ook toewijsbaar.

7.19 Ingevolge de koopovereenkomst dient de Gemeente het perceel aan Reesink te leveren “ontsloten door een 7 meter brede toegangsweg die geschikt is voor vrachtverkeer (…)” Reesink heeft onweersproken aangevoerd dat deze weg nog niet is aangelegd. Bij gelegenheid van de pleidooien is meegedeeld dat de Gemeente inmiddels wel begonnen met de aanleg van deze weg en de aansluiting daarvan op de Zutphenseweg. Dit is onweersproken gebleven, zodat Reesink geen belang meer heeft bij haar vordering de Gemeente te veroordelen om alle handelingen te verrichten om te komen tot een zo spoedig mogelijk aanvang van de aanleg van de ontsluitingsweg. Dit onderdeel van deze vordering zal daarom worden afgewezen. De vordering de Gemeente te veroordelen deze aanleg na de aanvang voortvarend te voltooien met veroordeling van de Gemeente om tot die voltooiing Reesink over gemeentegrond toegang te verlenen tot het terrein is wel voor toewijzing vatbaar.

7.20 Nu door de Gemeente niet is meegedeeld dat zij ook zonder dat daartoe een dwangmiddel is gesteld zal voldoen aan de door Reesink gevorderde veroordelingen, zo deze zouden worden toegewezen, bestaat er aanleiding dwangsommen zoals door Reesink gevorderd, te verbinden aan de betreffende voorzieningen.

7.21 Partijen hebben zich in de procedure voornamelijk uitgelaten over de onder 7.2 weergegeven centrale vraag. De vordering van Reesink strekt onder meer ook tot veroordeling van de Gemeente tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat. Hieromtrent hebben partijen zich nog onvoldoende inhoudelijk uitgelaten. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zulks alsnog bij akte te doen, waarbij met name aan de orde kan komen - bezien in het kader van artikel 4 van de intentie-overeenkomst- welk moment voor het begin van een schadeclaim bepalend is, welke schadeposten de claim van Reesink omvat - de in de dagvaarding onder 12c genoemde posten gaan deels uit van het geheel niet meer kunnen realiseren van de bedrijfsverplaatsing, terwijl de bij conclusie van repliek door Reesink genoemde schadefactoren door haar “niet limitatief” zijn genoemd- en tot welke hoogte deze posten reeds (voldoende) bepaalbaar zijn.

7.22 De beslissing omtrent de proceskosten in conventie wordt aangehouden.

7.23 Al hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot afwijzing van de door de de Gemeente in reconventie ingestelde vorderingen. In deze procedure zal de Gemeente als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

In conventie

verklaart voor recht dat de Gemeente gehouden is de tussen partijen gesloten overeenkomst van 12 maart 1997 onverkort en ongewijzigd na te komen;

veroordeelt de Gemeente de in de overeenkomst van 12 maart 1997 bedoelde eerste fase aan Reesink in eigendom te leveren tegen ¦ 99,-- exclusief BTW per m², zodra voor die fase ten behoeve van de daarop te realiseren bebouwing de vereiste (bouw)vergunningen afgegeven zijn, zulks conform artikel 5.2.A van die overeenkomst en de aan die overeenkomst gehechte koopakte;

veroordeelt de Gemeente tot betaling van een dwangsom aan Reesink van ¦ 500.000,-- voor iedere dag dat de Gemeente na afloop van 14 dagen na ontvangst van een oproep om aan die eigendomsoverdracht mee te werken in gebreke blijft aan de inhoud van dit vonnis te voldoen;

veroordeelt de Gemeente de aanleg van de ontsluitingsweg bedoeld in artikel 5.1. van de bij de intentie-overeenkomst van 12 maart 1997 gevoegde koopakte na de aanvang van de aanleg voortvarend te voltooien en bepaalt dat de Gemeente tot de voltooiing van die ontsluitingsweg aan Reesink over gemeentegrond toegang dient te verlenen tot de ingevolge dit vonnis aan Reesink te leveren grond;

veroordeelt de Gemeente tot betaling van een dwangsom aan Reesink van ¦ 500.000,-- voor iedere dag dat de Gemeente na afloop van 14 dagen na betekening van dit vonnis aan haar in gebreke blijft aan dit onderdeel van dit vonnis te voldoen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

draagt Reesink op zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen onder 7.21 is overwogen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 8 maart 2001;

bepaalt dat de Gemeente in de gelegenheid zal worden gesteld op deze akte bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

·

· In reconventie

·

wijst af de vorderingen van de Gemeente;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Reesink gevallen en begroot op ¦ 1.290,-- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Vergunst, M. Engelbert-Clarenbeek en W.D. Huizinga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.