Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2001:AA9463

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35728 / KG ZA 00-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 48
WR 2001, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

rolnummer: 35728 / KG ZA 00-394

vonnis van: 11 januari 2001

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1 [huurder 1] en

2 [huurder 2]

echtelieden,

wonende te Winterswijk,

eisers bij dagvaarding van 12 oktober 2000,

procureur: mr. C.G.M.J. van Kreij,

tegen:

[verhuurder],

wonende te Winterswijk-Woold,

gedaagde,

procureur: mr. A.J.B. Ross te Zevenaar.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dit blijkt uit:

de dagvaarding van 12 oktober 2000

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 november 2000, ter gelegenheid waarvan pleitnotities en producties in het geding zijn gebracht

de akte houdende een vermindering van eis

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 december 2000, ter gelegenheid waarvan [de huurders] producties in het geding hebben gebracht

de brief van mr. Ross van 22 december 2000

de brief van mr. Van Kreij van 27 december 2000.

1. DE FEITEN

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

- Sinds 1956 huren [de huurders] van [de verhuurder] de woning met landbouwschuur, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats], hierna te noemen het Tonenhuis. Schuin daartegenover huren [de huurders]een bedrijfsruimte van [de verhuurder].

- Bij brief van 4 april 1996 heeft [verhuurder] [de huurders] de huur van het Tonenhuis opgezegd. [De huurders] hebben met deze beëindiging niet ingestemd.

- De kantonrechter te Groenlo heeft vervolgens bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 juli 1998 de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met ingang van 1 februari 1999 ontbonden en [de huurders] veroordeeld tot ontruiming per die datum.

- Op 13 oktober 1998 hebben [de huurders] tegen dit vonnis bij de rechtbank te Zutphen hoger beroep ingesteld.

- Op 27 oktober 1998 is voornoemd vonnis van de kantonrechter aan [de huurders] betekend.

- [De huurders] hebben vervolgens door middel van een kort geding procedure, gevoerd voor de president van deze rechtbank, gepoogd de executie van het ontruimingsvonnis te schorsen totdat definitief op hun hoger beroep was beslist.

- Bij uitspraak van 12 februari 1999 heeft de president de gevraagde voorziening geweigerd.

- [De huurders] zijn vervolgens tot ontruiming van het Tonenhuis overgegaan en zijn ingetrokken bij hun zoon, die op een bovenwoning in Winterswijk woont.

- Het Tonenhuis wordt thans bewoond door [de verhuurder] zelf. Voordien woonde [de verhuurder] in het zogenaamde Vriezenhuis, de hoofdwoning van zijn landgoed, waarvan ook het Tonenhuis onderdeel vormt.

- Bij vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2000 is het vonnis van de kantonrechter te Groenlo van 13 juli 1998 vernietigd.

- Op 12 oktober 2000 heeft [de verhuurder] tegen dit vonnis beroep in cassatie ingesteld.

3. DE VORDERING, DE GRONDEN EN HET VERWEER

[De huurders] vorderen - na wijziging eis - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [de verhuurder] zal veroordelen te gehengen en te gedogen dat [de huurders]binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis terugkeren in de door hen gehuurde woning het Tonenhuis op basis van de bestaande huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende huurprijs en voorts [de verhuurder] zal veroordelen, voor zover hij dat niet al zelf heeft gedaan, het Tonenhuis te verlaten met de zijnen en verlaten te houden, met veroordeling van [de verhuurder] in de kosten van deze procedure.

Aan deze vordering leggen [de huurders] het volgende ten grondslag.

Ondanks het feit dat het vonnis van de kantonrechter te Groenlo van 13 juli 1998 door de rechtbank te Zutphen is vernietigd, is [de verhuurder] niet bereid [de huurders] terug te laten keren naar de door hen gehuurde woonruimte. Voor [de huurders] is het, gelet op hun fysieke en psychische beperkingen, niet langer doenlijk op de bovenwoning te Winterwijk te blijven wonen. Bovendien kan in redelijkheid niet van hen worden gevergd dat zij nog langer berusten in de huidige situatie. Aangezien zij voorts hun bedrijf tegenover het Tonenhuis hebben, hebben zij, gelet op hun gezondheid en hun algehele welzijn, een spoedeisend belang om terug te kunnen keren naar hun voormalig woonhuis.

[De verhuurder] heeft zich gemotiveerd verweerd en daartoe het volgende aangevoerd.

Aangezien het vonnis van 13 juli 2000 van de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard heeft zijn beroep in cassatie op grond van artikel 404 Rv schorsende werking. Dit betekent dat voornoemd vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd.

Indien uiteindelijk zou komen vaststaan dat [de verhuurder] ten onrechte het vonnis zou hebben doen ten uitvoer leggen, zal [de verhuurder] schadeplichtig zijn. Daarbij geldt de hoofdregel van artikel 6:103 BW, te weten dat schadevergoeding wordt voldaan in geld.

Voorts stelt [de verhuurder] dat zijn belang om te kunnen blijven wonen in het Tonenhuis van dien aard is dat het belang van [de huurders] om terug te kunnen keren naar hun voormalig woonhuis hiervoor dient te wijken.

Terugkeer van [de huurders] naar het Tonenhuis zal slechts aan de orde kunnen zijn indien [de verhuurder] andere woonruimte heeft, welke, gelet op de gezondheidssituatie van hem en zijn echtgenote, niet eenvoudig zal zijn te vinden (gelijkvloers en rolstoeltoegankelijk). Het Vriezenhuis is voor hem geen geschikte woonruimte meer.

Subsidiair voert [de verhuurder] aan dat een ontruimingstermijn dient te worden bepaald van tien tot elf maanden, gelijk aan de tijd die [de huurders] destijds hebben gekregen voor hun ontruiming van het Tonenhuis. Tevens dient een gebruiksvergoeding te worden bepaald van minimaal ¦ 2.000,- in verband met de zeer omvangrijke investeringen, die in het Tonenhuis sinds het vertrek van [de huurders] hebben plaatsgevonden.

4. DE BEOORDELING

4.1 De vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 13 februari 1998 door de rechtbank en het alsnog afwijzen van de in eerste instantie door [de verhuurder] gevorderde ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met de daarmee samenhangende ontruiming door [de huurders] van het Tonenhuis komen als zodanig naar hun aard niet voor enige vorm van tenuitvoerlegging in aanmerking. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden het vonnis van 13 juli 2000 niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Met genoemde vernietiging is de rechtskracht van het vonnis van de kantonrechter van 13 februari 1998 direct verloren gegaan, althans zolang de beslissing van de rechtbank niet in cassatie is vernietigd. Daaraan doet niet af dat het vonnis van de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Tussen partijen geldt het vonnis van de rechtbank als bindend, ook al is daartegen beroep in cassatie ingesteld. Een dergelijk beroep moge de executoriale kracht van een vonnis schorsen, maar ontneemt daaraan niet de rechtskracht.

De situatie tussen partijen op dit moment is daarmee alsof het vonnis van de kantonrechter van 13 februari 1998 er nooit is geweest, zodat [de huurders] nog steeds als rechtsgeldige huurders van het Tonenhuis dienen te worden aangemerkt, terwijl [de verhuurder] in zijn verhouding tot [de huurders] zonder rechtstitel in die woning verblijft.

4.2 [De huurders] hebben gesteld dat het Vriezenhuis, waarin [de verhuurder] tot zijn verhuizing naar het Tonenhuis heeft gewoond, thans leeg staat, zodat het voor [de verhuurder] ter bewoning beschikbaar is. [De verhuurder] heeft dit erkend. Aldus kunnen beide partijen terugkeren naar de woonsituatie die voor ieder van hen bestond voordat [de huurders] ten gevolge van de executie van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de kantonrechter van 13 juli 1998 het Tonenhuis ten behoeve van [de verhuurder] hebben moeten ontruimen. De door [de huurders] gevorderde voorziening is dan ook zonder meer toewijsbaar, mede in aanmerking genomen dat zij hun aanvankelijke eis tot het doen terugbrengen van de door [de verhuurder] inmiddels verbouwde woning in de oude toestand hebben laten vallen en vooralsnog ook hebben afgezien van een voorschot op eventueel door hen geleden schade.

Anders dan [de verhuurder] kennelijk meent, staat artikel 6:103 BW aan zodanige voorziening niet in de weg.

Dat door [de verhuurder], vooruitlopend op het onherroepelijk worden van het te zijner gunste gewezen, maar in hoger beroep inmiddels vernietigde, vonnis van de kantonrechter, forse investeringen zijn gedaan in het Tonenhuis is een omstandigheid, die voor zijn rekening en risico is en die in het kader van dit geding geen rol kan spelen.

4.3 Nu het Vriezenhuis met onmiddellijke ingang beschikbaar is, is er geen reden om een ontruimingstermijn te bepalen van een lengte als door [de verhuurder] wordt voorgestaan. Gelet op de leeftijd van alle betrokkenen zal een termijn van dertig dagen worden bepaald, welke termijn voldoende is voor [de verhuurder] om zijn (terug)verhuizing naar het Vriezenhuis te regelen en deze woning, voor zover dit al aanstonds nodig zou zijn, te doen voorzien van een traplift naar de eerste verdieping en van een aanpassing ter overbrugging van de drie treden op de begane grond. Dat de woning overigens niet geschikt zou zijn voor bewoning is niet aannemelijk. Voor zover [de verhuurder] die stelling al heeft willen betrekken, is nagelaten deze feitelijk te adstrueren.

4.4 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [de verhuurder] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. BESLISSING

De President, rechtdoende in kort geding:

- veroordeelt [de verhuurder] binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis "het Tonenhuis" te verlaten met de zijnen en verlaten te houden;

- veroordeelt [de verhuurder] te gehengen en te gedogen dat [de huurders] binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis terugkeren naar de door hen gehuurde woning "het Tonenhuis", op basis van de bestaande huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende huurprijs;

- veroordeelt [de verhuurder] in de kosten van het geding welke voor zover gevallen aan de zijde van [de huurders] tot op deze uitspraak worden begroot op ¦ 512,15 wegens verschotten en ¦ 1.550,- wegens salaris procureur;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D. Vergunst, fungerend president en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. H.C. Wichers Hoeth, griffier.