Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2000:AA9474

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-12-2000
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
00/221 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor behalen titel na buitenlands examen is buitenlandse wet bepalend.

Weigering toestemming tot het voeren van de titel meester (mr) op grond van een in Duitsland gevolgde juridische opleiding welke is afgesloten met een examen (Erste juristische Staatsprüfung) bij het Justizprüfungsamt van het Oberlandesgericht te Keulen, omdat eiser op grond van zijn examen geen titel heeft verkregen.

Dat een in het buitenland verkregen titel is vereist voor het kunnen verlenen van toestemming tot het voeren van één van de titels, genoemd in art. 7.20, volgt reeds uit de tekst van art. 7.23.3 WHW.

Voorts moet naar het oordeel van de rechtbank uit het systeem van de WHW en met name uit het bepaalde in de artt. 7.20 en 7.23 in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat van een op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs verkregen titel slechts kan worden gesproken, ingeval die titel bij of krachtens enige wettelijke bepaling van het betreffende land is verbonden aan (het met goed gevolg afleggen van) een examen als hiervoor bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat eiser op grond van het door hem afgelegde examen een zodanige titel heeft verkregen. Eiser heeft in dit verband slechts gesteld dat aan de "erste juristische Staatsprüfung" weliswaar geen wettelijk bepaalde titel is verbonden, maar dat het wel gebruikelijk is iemand die dit examen heeft gehaald "geprüfter Rechtskandidat"of "cand. iur." te noemen.

Nu beide laatstgenoemde hoedanigheden echter niet bij of krachtens enige wettelijke bepaling verbonden zijn aan het door eiser afgelegde examen, kan niet worden gesproken van een op grond van dat examen verkregen titel en moet worden geoordeeld dat geen toestemming tot het voeren van één van de in art. 7.20 genoemde titels kan worden verleend.

De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep te Groningen, verweerster.

mr. M.J. van Lee

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

1000 schriftelijke uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 00/221 WET

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, te Groningen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 13 januari 2000.

2. Feiten

Bij brief van 25 maart 1999 heeft eiser aan verweerster verzocht om toestemming te verlenen tot het voeren van de titel meester (mr) op grond van een door hem in Duitsland gevolgde juridische opleiding, welke is afgesloten met een examen (Erste juristische Staatsprüfung) bij het Justizprüfungsamt van het Oberlandesgericht te Keulen (Duitsland).

Bij besluit van 27 mei 1999 heeft verweerster de verzochte toestemming geweigerd, aangezien de door eiser gevolgde opleiding volgens verweerster niet gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

Bij brief van 27 juni 1999 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen genoemd besluit van verweerster.

Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk nader uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 31 oktober 2000. Eiser is in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee. Aangezien partijen niet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord, is het onderzoek heropend.

Vervolgens hebben partijen toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting.

4. Motivering

Ingevolge artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van tenminste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat tenminste 168 studiepunten bedraagt wordt afgesloten, heeft afgelegd, gerechtigd tot het voeren van de titel meester, afgekort tot mr, indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht.

Op grond van artikel 7.23, derde lid, van de WHW kan de Informatie Beheer Groep aan degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen, toestaan in plaats van die titel in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20 te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere titel is verkregen, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep tenminste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

Blijkens het schrijven van verweerster van 15 mei 2000 en het verhandelde ter zitting, handhaaft verweerster haar standpunt niet langer dat de door eiser in Duitsland gevolgde opleiding niet tenminste gelijkwaardig is aan de overeenkomstige rechtenstudie in Nederland. Daaruit volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust, reden waarom het moet worden vernietigd.

Hangende het geding en ter zitting is namens verweerster naar voren gebracht dat zij nader van opvatting is dat aan eiser niet kan worden toegestaan om de titel mr te voeren, nu hij op grond van zijn examen geen titel heeft verkregen.

Dat een in het buitenland verkregen titel is vereist voor het kunnen verlenen van toestemming tot het voeren van één van de titels, genoemd in artikel 7.20, volgt reeds uit de tekst van artikel 7.23, derde lid van de WHW.

Voorts moet naar het oordeel van de rechtbank uit het systeem van de WHW en met name uit het bepaalde in de artikelen 7.20 en 7.23 in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat van een op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs verkregen titel slechts kan worden gesproken, ingeval die titel bij of krachtens enige wettelijke bepaling van het betreffende land is verbonden aan (het met goed gevolg afleggen van) een examen als hiervoor bedoeld.

Gesteld noch gebleken is dat eiser op grond van het door hem afgelegde examen een zodanige titel heeft verkregen. Eiser heeft in dit verband slechts gesteld dat aan de “erste juristische Staatsprüfung”, anders dan aan de “zweite juristische Staatsprüfung” die leidt tot de titel “Assessorin” of “Assessor”, weliswaar geen wettelijk bepaalde titel is verbonden, maar dat het wel gebruikelijk is iemand die dit examen heeft behaald “geprüfter Rechtskandidat” of ”cand. iur.” te noemen.

Nu de beide laatstgenoemde hoedanigheden echter niet bij of krachtens enige wettelijke bepaling verbonden zijn aan het door eiser afgelegde examen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een op grond van dat examen verkregen titel en moet - zij het op een andere dan de in het bestreden besluit vermelde grond - worden geoordeeld dat geen toestemming tot het voeren van één van de in artikel 7.20 genoemde titels kan worden verleend. Het feit dat eiser bij zijn aanvraag om toestemming niet op deze voorwaarde voor het verkrijgen daarvan is gewezen en dat verweerster die aanvraag om een geheel andere reden heeft afgewezen kan hooguit als slordig worden gekwalificeerd, doch levert geen schending op van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan verweerster gehouden zou zijn eiser in afwijking van de tekst van artikel 7.23, derde lid, van de WHW de gevraagde toestemming te verlenen.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene voldoende aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

Niet gebleken is van proceskosten aan de zijde van eiser die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

gelast dat de Informatie Beheer Groep het door eiser betaalde griffierecht van f 225,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: