Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2000:AA8465

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-10-2000
Datum publicatie
27-11-2000
Zaaknummer
00/993
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Versterken van de toepassing van bestuursdwang (stilleggen met toepassing van art. 100 Woningwet) met opleggen dwangsom is in strijd met art. 5:36 Awb.

Toepassen van de in art. 100 Woningwet gegeven bevoegdheid tot het stilleggen van bouwactiviteiten betreft het toepassen van bestuursdwang. Verweerder heeft de beslissing tot het toepassen van bestuursdwang niet ingetrokken. Verweerder heeft daarentegen juist de bedoeling gehad de toepassing van bestuursdwang te versterken door middel van het opleggen van een dwangsom. Dit is in strijd met art. 5:36 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:36
Woningwet
Woningwet 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr. 001993

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

A te B, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 8 en 12 september 2000.

2. Procesverloop

Namens verzoeker heeft mr. P.J. Heijnen, advocaat te Apeldoorn, bij brief van 29 september 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 3 oktober 2000 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 oktober 2000, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Heijnen, voornoemd. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. K.A. Weerts en M.F.P. van der Put, ambtenaren der gemeente.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker is zonder in het bezit te zijn van een bouwvergunning begonnen met het vervangen van het pannendak van zijn woning door een heten dakbedekking., Daarbij zijn de aanwezige Velux-dakramen vervangen door rietgedekte dakkapellen. Op 8 september 2000 heeft M.F.P. van der Put, ambtenaar van bouw- en woningtoezicht, de bouwactiviteiten met toepassing van artikel 100, derde lid, van de Woningwet jo. artikel 11. 1 van de Bouwverordening stilgelegd. Bij brief van 12 september 2000 heeft verweerder voornoemde stillegging (door verweerder ten onrechte betiteld als een bevel tot stillegging) ter uitvoering van artikel 5.24, zesde lid, Awb schriftelijk bevestigd en met toepassing van artikel 5:32 van de Awb een dwangsom van fl. 25.000,-- opgelegd.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 5:36 van de Awb wordt een last onder dwangsom niet opgelegd zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is ingetrokken.

Toepassen van de in artikel 100 van de Woningwet gegeven bevoegdheid tot het stilleggen van bouwactiviteiten betreft het toepassen van bestuursdwang. Verweerder heeft de beslissing tot het toepassen van bestuursdwang niet ingetrokken. Verweerder heeft daarentegen juist de bedoeling gehad de toepassing van bestuursdwang te versterken door middel van het opleggen van een dwangsom. Dit is in strijd met artikel 5:36 van de Awb. Bij het besluit op het bezwaarschrift zal verweerder het dwangsombesluit van 12 september derhalve niet kunnen handhaven.

Niet in geschil is dat de in geding zijnde activiteiten bouwvergunningplichtig zijn en voorts dat daarvoor geen bouwvergunning is verleend. Naar voorlopig oordeel was verweerder bevoegd het bestuursdwangbesluit te nemen.

Een besluit tot het stilleggen van bouwactiviteiten op grond van artikel 100 van de Woningwet is in het algemeen niet onrechtmatig te achten indien het bouwvergunningplichtige werkzaamheden betreft waarvoor (nog) geen bouwvergunning is verleend.

Stilleggen van de werkzaamheden met toepassing van de in artikel 100 van de Woningwet gegeven bevoegdheid moet worden opgevat als een tijdelijke maatregel in afwachting van nadere besluitvorming omtrent het antwoord op de vraag of hetgeen zonder vergunning is gebouwd kan worden gelegaliseerd, moet worden gedoogd, dan wel moet worden afgebroken.

In dit geval heeft verzoeker bewust het risico aanvaard dat de werkzaamheden zouden worden stilgelegd op grond van artikel 100 van de Woningwet.

Gelet op de stand van de werkzaamheden op het moment dat deze werden stilgelegd, is aannemelijk dat voortduring van de bestaande situatie grote onherstelbare schade voor verzoeker kan opleveren. Hoewel verzoeker deze toestand in belangrijke mate aan zichzelf te wijten heeft, ligt het op de weg van verweerder de patstelling niet onnodig lang te laten voortduren.

Gebleken is dat verzoeker inmiddels een bouwvergunning heeft aangevraagd. Genoegzaam staat voorts vast dat hetgeen nog moet worden uitgevoerd (dekken met riet boven de reeds realiseerde en met riet gedekte dakkapellen die de welstandscommissie niet in overeenstemming acht met redelijke eisen van welstand) gelegaliseerd kan worden door middel van vergunningverlening, zonder dat vrijstelling van bestemmingsplanvoorschriften behoeft te worden verleend. Naar voorlopig oordeel bestaat er onder die omstandigheden geen redelijke grond het bestuursdwangbesluit nog langer te handhaven.

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat besluitvorming ter zake van het bezwaarschrift niet binnen twee maanden behoeft te worden verwacht en verweerder is kennelijk niet voornemens om anders dan in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift tot een nader besluit inzake de stillegging te komen.

Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Het vorenoverwogene leidt er toe dat ook het bestreden bestuursdwangbesluit moet worden geschorst.

In het vorenoverwogene wordt voorts aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

Ten overvloede merkt de president nog op dat het verweerder vrij staat om op enig moment, bijvoorbeeld bij het besluit op de aanvraag bouwvergunning, een handhavingsbesluit te nemen met betrekking tot de verwijdering van de dakkapellen.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

schorst de bestreden besluiten;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van fl. 1.420,-ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Epe;

gelast dat de gemeente Epe het door verzoeker betaalde griffierecht (fl. 225,-) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A, Lok, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 18o ober 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: 20 oktober 2000

Voor copie conform,

De griffier van de

rechtbank te Zutphen