Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2000:AA7501

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-08-2000
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
99/1142
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming in kosten gebruik eigen auto ad fl. 640,- geen verantwoorde voorziening i.d.z.v. art. 3 WVG.

Eiser ontving een tegemoetkoming in de vervoerskosten van fl. 1.703,40 per jaar. Eiser is medegedeeld dat hij dient aan te geven of hij in aanmerking wil blijven komen voor deze tegemoetkoming; dan dient hij gebruik te maken van de taxi en wordt de tegemoetkoming op declaratiebasis betaald. Indien hij hiervan geen gebruik maakt, doch van vervoer per eigen auto of van vervoer van derden en/of geen declaraties indient, zal hem een bedrag van fl. 640,- in 2001 verstrekt worden. Tot die tijd geldt een overgangsmaatregel waarbij de tegemoetkoming geleidelijk zal worden afgebouwd.

Rechtbank: Een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto van f 640,-- op jaarbasis kan niet worden aangemerkt als een verantwoorde voorziening in de zin van art. 3 van de WVG, nu met deze tegemoetkoming in (naar mag worden aangenomen) zowel de vaste als de variabele kosten van het rijden in een auto niet meer dan circa 1000 kilometer per jaar kan worden verreden.

Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank mede in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2000, USZ 2000/128, waarin die Raad weliswaar overweegt dat in de (geschiedenis van de totstandkoming van de) WVG geen beletsel is gelegen om een lager aantal individueel met de auto te verrijden aantal kilometers dan 2500 als een verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 van die wet aan te merken doch een tegemoetkoming geheel gelijk aan die welke (op termijn) aan eiser is toegekend daarmee wel in strijd acht. Daarnaast is in dit verband nog van belang dat aan de vaststelling van het onderhavige normbedrag kennelijk uitsluitend budgettaire overwegingen ten grondslag hebben gelegen en geen onderzoek naar eisers individuele vervoersbehoefte.

Gelet op het vorenstaande dienen art. 3.2 onder c en i van verweerders Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten in gevallen als die van eiser wegens strijd met art. 3 van de WVG buiten toepassing te blijven.

college van burgemeester en wethouders van Eibergen, verweerder.

M.J. van Lee

WVG 3

Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Eibergen 1996 3.1.c.3

Besluit financiele tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten 3.2.c, 3.2.i

Wetsverwijzingen
Wet voorzieningen gehandicapten 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1000 schriftelijke uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 99/1142

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eibergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 oktober 1999, nr. 1686.

2. Feiten

Bij besluit van 3 april 1996 is aan eiser op grond van de op de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) steunende Verordening voorziening gehandicapten van de gemeente Eibergen (hierna: de Verordening) een vervoersvoorziening toegekend waarvan de hoogte is afgeleid van het geldende normbedrag voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto ten bedrage van ¦1.703,40 per jaar. Aan die toekenning lag ten grondslag een advies van het Regionaal Indicatie Orgaan, waaruit blijkt dat eiser in verband met incontinentieproblemen geen gebruik kan maken van het in de gemeente Eibergen bestaande systeem van collectief vervoer noch van een taxi. Over 1997 en 1998 is eiser op diezelfde grondslag een vergoeding van ¦ 1.703,40 toegekend. Vanaf december 1997 heeft eiser ook de beschikking over een rolstoel die door zijn echtgenote wordt voortgeduwd. Daarnaast kan hij zich bij goed weer per fiets verplaatsen.

Bij schrijven van 3 maart 1999 heeft eiser verweerder verzocht om een tegemoetkoming in zijn vervoerskosten voor het jaar 1999. Bij brief van 24 maart 1999 is eiser bericht dat geen voorschot zal worden verstrekt in verband met een voorgenomen wijziging van het Besluit financiele tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten. Hiertegen heeft eiser bij schrijven van 15 april 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij besluit van 23 juni 1999 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser geen beroep ingesteld.

Bij brief van 17 juni 1999, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder eiser medegedeeld dat het beleid met betrekking tot vervoersvoorzieningen in het kader van de WVG ingaande 1 juli 1999 op een aantal onderdelen gewijzigd wordt. In verband daarmee is eiser verzocht vóór 27 juni 1999 aan te geven of hij in aanmerking wenst te blijven komen voor een tegemoetkoming ten bedrage van maximaal f 1.703,40 per jaar. In dat geval dient hij gebruik te maken van een taxi en wordt de tegemoetkoming uitbetaald op declaratiebasis.

Als eiser ervoor kiest om gebruik te maken van een eigen auto of van vervoer door derden en/of geen declaraties wenst in te dienen, dan zal hem een tegemoetkoming worden verstrekt van uiteindelijk ¦640,-- per jaar in 2001. Bij wijze van overgangsmaatregel zal de hem eerder toegekende tegemoetkoming geleidelijk worden afgebouwd in die zin dat deze over de periode juli tot en met december 1999 ¦1.450,-- op jaarbasis beloopt en voor het jaar 2000 ¦1.000,--. De keuze voor deze optie brengt mee dat eiser over geheel 1999 recht heeft op een financiële tegemoetkoming ten bedrage van ¦1.576,70.

Hiertegen heeft eiser bij schrijven van 21 juni 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Daarin heeft eiser aangegeven dat hij nog steeds geen gebruik kan maken van een taxi of van het collectieve vervoerssysteem en derhalve op eigen vervoer is aangewezen en daarom in aanmerking wenst te blijven komen voor een tegemoetkoming van f 1.703,40 per jaar.

Bij brief van 13 oktober 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiser voorzover gericht tegen de in het schrijven van17 juni 1999 aangekondigde beleidswijziging conform het advies van de Adviescommissie Recht en Burger van 21 september 1999 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren voorzover gericht tegen de gevolgen van deze beleidswijziging ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld op de in het schrijven van 21 december 1999 vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk nader uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 juni 2000, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mw. G. van Leeuwen, medewerkster van SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koopman en K.M.H. Olieslager.

4. Motivering

Gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd gaat de rechtbank ervan uit dat het zich uitsluitend richt tegen de in het bestreden besluit vervatte beslissing tot ongegrondverklaring van zijn bezwaarschrift.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat tussen partijen niet in geschil dat eiser op medische gronden geen gebruik kan maken van het in de gemeente Eibergen bestaande collectieve vervoerssysteem en evenmin daadwerkelijk gebruik kan maken van een taxi. Daarvan uitgaande moet het gestelde in de brief van verweerder van 17 juni 1999 worden opgevat als een kennisgeving van een besluit tot verlaging ingaande 1 juli 1999 van de eerder aan eiser toegekende tegemoetkoming in zijn vervoerskosten tot f 1.450,-- op jaarbasis over 1999 en tot f 1000,-- op jaarbasis over 2000. Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Ter beoordeling staat derhalve of dit laatste besluit in rechte kan standhouden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 3.1, onder c, sub 3, van de “Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Eibergen 1996” kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit een tegemoetkoming in de kosten van gebruik van een taxi of een eigen auto. In artikel 3.2, onder c, van het Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten is bepaald dat voor de tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of vervoer door derden een normbedrag van ¦640,-- op jaarbasis geldt, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief vervoerssysteem onmogelijk maken. De ten aanzien van eiser toegepaste overgangsregeling is neergelegd in artikel 3.2 onder i van voornoemd Besluit. Het collectief vervoerssysteem in de gemeente Eibergen draagt de naam Mobimax.

Onder e van voornoemd artikellid is bepaald dat voor een tegemoetkoming in de kosten van het daadwerkelijk gebruik van een taxi een maximum bedrag van ¦1703,40 geldt op jaarbasis, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief vervoerssysteem onmogelijk maken. Uitbetaling vindt plaats aan de hand van betaalbewijzen.

De rechtbank overweegt dat het gemeentebestuur de ruimte toekomt om naar eigen inzicht invulling te geven aan de hem ingevolge de WVG opgedragen taak om te zorgen voor (vervoers)voorzieningen voor ter plaatse wonende gehandicapten, waarbij het echter wel gehouden is verantwoorde voorzieningen als omschreven in artikel 3 van de WVG aan te bieden. Ten aanzien van vervoersvoorzieningen betekent dat dat ter plaatse wonende gehandicapten daardoor ten minste in staat gesteld moeten worden om in hun directe woonomgeving in aanvaardbare mate hun sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alle dag.

In het verweerschrift is uiteengezet dat een gehandicapte die gebruik kan maken van een taxi met een tegemoetkoming van f 1.703,40 per jaar in staat wordt gesteld - uitgaande van taxikosten van f 2,50 (Mobimax-tarief) en f 3,10 (taxitarief exclusief starttarief) per kilometer - ongeveer 550 tot 680 kilometer af te leggen. Met ditzelfde bedrag kon voor 1 juli 1999 door degenen die waren aangewezen op vervoer per eigen auto circa 2600 kilometer per jaar worden verreden en met een tegemoetkoming van f 640,-- circa 1000 kilometer. Met de verlaging van de tegemoetkoming voor deze laatste groep is beoogd de voor 1 juli 1999 bestaande ongelijkheid tussen beide groepen terug te dringen. Ter ondersteuning van zijn besluit heeft verweerder voorts aangevoerd dat uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan worden afgeleid dat toekenning van een vergoeding voor 500 (taxi)kilometers voldoende is om te kunnen spreken van een adequate voorziening. Verweerder heeft hierbij verwezen naar uitspraken van de Raad van 17 september 1996, reg.nr. 95/39, van 7 mei 1997, JSV 1997/224 en van 20 februari 1998, JSV 1998/117.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Daarbij heeft zij laten wegen dat in eerstgenoemde uitspraak sprake was van een gehandicapte die in aanmerking was gebracht voor een tegemoetkoming ten bedrage van f 406,25 per kwartaal en daarnaast gebruik kon maken van het collectief vervoer. De tweede uitspraak betreft een weigering tot het verstrekken van een vervangende bruikleenauto aan een gehandicapte die gebruik kon maken van een taxi en in verband daarmee een vergoeding ontving voor het gebruik van een taxi of een eigen auto, terwijl daaruit niet blijkt hoe hoog deze vergoeding was. De derde uitspraak ziet op een gehandicapte die in staat werd geacht met het collectief vervoer te reizen en aan wie een budget ter beschikking was gesteld dat hem in staat stelde daarmee ongeveer 1000 kilometer per jaar af te leggen. Het beroep op voornoemde uitspraken faalt derhalve.

De rechtbank is van oordeel dat een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto van f 640,-- op jaarbasis niet kan worden aangemerkt als een verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 van de WVG, nu met deze tegemoetkoming in (naar mag worden aangenomen) zowel de vaste als de variabele kosten van het rijden in een auto niet meer dan circa 1000 kilometer per jaar kan worden verreden.

Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank mede in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2000, USZ 2000/128, waarin die Raad weliswaar overweegt dat in de (geschiedenis van de totstandkoming van de) WVG geen beletsel is gelegen om een lager aantal individueel met de auto te verrijden aantal kilometers dan 2500 als een verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 van die wet aan te merken doch een tegemoetkoming geheel gelijk aan die welke (op termijn) aan eiser is toegekend daarmee wel in strijd acht. Daarnaast is in dit verband nog van belang dat aan de vaststelling van het onderhavige normbedrag kennelijk uitsluitend budgettaire overwegingen ten grondslag hebben gelegen en geen onderzoek naar eisers individuele vervoersbehoefte.

Gelet op het vorenstaande dienen artikel 3.2 onder c en i van verweerders Besluit financiele tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten in gevallen als die van eiser wegens strijd met artikel 3 van de WVG buiten toepassing te blijven. Daaruit volgt dat het op deze artikelonderdelen berustende bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat dit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroor-delen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Eibergen het betaalde griffierecht van ¦ 60 aan eiser vergoedt ;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van ¦1.420,--, te betalen door de gemeente Eibergen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: