Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2000:AA7006

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
21-01-2002
Zaaknummer
00/382 en 00/384 WET 57
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 87, geldigheid: 2000-06-14
Wegenverkeerswet 1994 91, geldigheid: 2000-06-14
Wegenverkeerswet 1994 91, geldigheid: 2000-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: 00/382 en 00/384 WET 57

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

A h.o.d.n. C te B, verzoeker/eiser, hierna: verzoeker,

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 april 2000, waarbij ongegrond is verklaard het bezwaarschrift van verzoeker gericht tegen verweerders besluit van 25 oktober 1999, waarbij de aan verzoeker verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen met toepassing van artikel 87, tweede lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) voor de duur van 12 weken is ingetrokken.

2. Procesverloop

Namens verzoeker heeft mr. P.J.G. van der Donck, advocaat te Nunspeet, bij brief van 17 april 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij telefaxbericht van 18 april 2000 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de intrekking van de erkenning zal worden opgeschort tot de president uitspraak heeft gedaan op het verzoek.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 mei 2000, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Donck. Namens verweerder is verschenen mr. A.W.J. Bischoff. Tevens zijn gehoord als getuigen D en E.

3. Motivering

Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb,

Onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Op 21 juni 1999, 25 juni 1999 en 30 juli 1999 heeft verzoeker keuringsbewijzen afgegeven voor de voertuigen met respectievelijk de kentekens X, Y en Z.

Tegen de afgifte van deze keuringsbewijzen zijn op voet van artikel 91 van de WVW bezwaren gemaakt, waarna onderzoeken hebben plaatsgevonden door inspecteurs van de RDW. Deze inspecteurs hebben in alle drie gevallen vastgesteld dat verzoeker de keuringseisen onjuist heeft toegepast. Hiervan is door verweerder aan verzoeker mededeling gedaan bij brief van 2 juli 1999 inzake kenteken X, onder bijvoeging van het proces-verbaal van het onderzoek, bij brief van 28 september 1999 inzake kenteken Y

en bij brief van eveneens 28 september 1999 inzake kenteken Z. In deze laatste gevallen was verzoeker reeds in het bezit van het proces-verbaal van het onderzoek.

Verweerder heeft vervolgens met betrekking tot de onjuiste keuringen van de voertuigen met de kentekens X en Y onderzocht wat het effect daarvan is op de zogeheten cusumstand van verzoekers keuringsplaats, uitgaande van de data van afmelding (respectievelijk 21 juni 1999 en 25 juni 1999). Verweerder is daarbij tot de conclusie gekomen dat verzoeker in de penalty-klasse wordt geplaatst en dat hij op een totaal van 10,9 punten komt, hetgeen betekent dat hiermee de grenswaarde als genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a, van de Bekendmaking vaststelling cusumsysteem Erkenningsregeling-APK (Stcrt. 1999, 161, hierna: de Bekendmaking) is overschreden.

Op grond hiervan en gelet op het feit dat nogmaals door verzoeker op 30 juli 1999 een voertuig ten onrechte was goedgekeurd (Z) heeft verweerder bij het primaire besluit van 25 oktober 1999 de APK-erkenning van verzoeker voor de duur van 12 weken ingetrokken. Verweerder heeft hierbij het belang van de verkeersveiligheid en de ernst van de overtreding in aanmerking genomen, alsmede een door verzoeker bij brief van 31 augustus 1999 afgelegde verklaring. Hierin is met betrekking tot het voertuig met kenteken X verklaard - kort gezegd - dat verzoeker dit voertuig heeft goedgekeurd in het vertrouwen dat de betrokken handelaar een aantal noodzakelijke reparaties had uitgevoerd, zonder dat dit door verzoeker is geverifieerd.

Ter zitting is namens verzoeker gesteld dat verweerder de punten volgens het cusumsysteem onjuist heeft opgeteld en daardoor ten onrechte op 10,9 punten is uitgekomen. Dit had 9.9 punten moeten zijn.

Deze grief moet falen. Verweerder is bij de puntenberekening uitgegaan van de data van afmelding c.q. de keuringsdata (21 juni 1999 en 25 juni 1999), hetgeen niet onjuist is te achten. Hiervan uitgaande is verweerder terecht uitgekomen op een puntental van 10,9.

Overigens zou ook bij een puntental van 9,9 de toepasselijke grenswaarde zijn bereikt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bekendmaking wordt immers bij een cusumstand van 9,9 in de penaltyklasse een procedure tot intrekking van de erkenning begonnen.

Voorts is aangevoerd dat de RDW bij het onderzoek c.q. de herkeuring van het voertuig met kenteken X (een BMW 5-serie uit 1984) in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 91, vijfde lid, van de WVW, inhoudende dat degene die de beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs heeft gegeven in de gelegenheid wordt gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn. Gesteld is dat verzoeker door de RDW is gebeld voor de herkeuring, dat verzoeker op de aangegeven datum niet kon verschijnen en dat de RDW niet de mogelijkheid heeft geboden om op een andere datum te verschijnen.

Deze stellingen wettigen naar het oordeel van de president op zichzelf niet de conclusie dat het onderhavige voorschrift is geschonden, aangezien van degene die het keuringsbewijs heeft afgegeven mag worden verwacht dat hij alle mogelijke moeite doet om, indien hij zulks wenst, bij de geplande herkeuring aanwezig te zijn. Van schending van dit voorschrift zou alleen kunnen worden gesproken indien de betrokkene absoluut verhinderd was en dit ondubbelzinnig aan de RDW heeft medegedeeld met het verzoek om een andere herkeuringsdatum te bepalen. Dat deze omstandigheden zich in het onderhavige geval hebben voorgedaan is gesteld noch gebleken. Ook de hier aan de orde zijnde grief moet derhalve falen, nog daargelaten dat verzoeker in zijn brief van 31 augustus 1999 heeft erkend dat hij bij de keuring van de onderhavige BMW onzorgvuldig te werk is gegaan.

Met betrekking tot de herkeuring van de BWM is verder naar voren gebracht dat verzoeker zich niet kan vinden in de toekenning van strafpunten voor een onjuiste, scheve en te hoge koplampafstelling, alsmede voor het niet-werken van de schokbrekers achter. Gesteld is dat een steekproefcontroleur van de RDW onlangs tegenover verzoeker heeft aangegeven dat hij nooit strafpunten toekent voor de koplampafstelling, waarbij nog komt dat deze afstelling voor iedereen gemakkelijk is bij te stellen. Voor wat betreft de schokbrekers is gesteld dat deze bij weten van verzoeker nooit door de RDW worden gekeurd.

Wat er ook zij van deze stellingen, uit artikel 1, onder g, van de Erkenningsregeling APK in verbinding met de artikelen 5.2.28 en 5.2.56 van het Voertuigreglement vloeit voort dat de werking van de schokdempers en de koplampafstelling dienen te worden gecontroleerd bij de keuring. Voorts is er geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de inspecteurs - die als door de RDW aangewezen deskundigen het onderzoek als bedoeld in artikel 91, zesde lid, van de WWV hebben verricht - dat het onderhavige voertuig ten tijde van de keuring door verzoeker voor wat betreft de koplampafstelling en de werking van de schokdempers redelijkerwijs niet aan de keuringseisen kan hebben voldaan.

Met betrekking tot de herkeuring van het voertuig met kenteken Y, een Citroën AX uit 1990, is door verzoeker gesteld dat aan deze auto kort na de keuring is gesleuteld, met name aan de voorwielophanging, waarbij zowel de rechter als de linker „voorpoot“ is vervangen, zulks naar aanleiding van een ongeval waarbij met de auto tegen een paal is aangereden. Hieromtrent zijn in de bezwaarprocedure schriftelijke verklaringen overgelegd van F, die de auto destijds in bezit had, en D, exploitant van een autosloperij. Ter zitting hebben F en D als door verzoeker meegebrachte getuigen omtrent een en ander nadere verklaringen afgelegd. Verzoeker is, gelet op deze verklaringen, van mening dat bij de herkeuring ten onrechte is aangenomen dat de daarbij geconstateerde gebreken aan de voorwielophanging reeds aanwezig waren ten tijde van de door verzoeker verrichte keuring.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Bij het onderzoek, dat plaatsvond op 27 augustus 1999, zijn door de inspecteurs (onder meer) de volgende gebreken aan de auto vastgesteld: fuseekogel rechtsvoor ondeugdelijk bevestigd, draagarm linksvoor ondeugdelijk bevestigd, remslang rechtsvoor wapeningsmateriaal zichtbaar. Voor deze gebreken zijn strafpunten toegekend. De inspecteurs hebben daarbij, overeenkomstig hun uit artikel 91, zesde lid, van de WVW voortvloeiende opdracht, geoordeeld dat de auto voor wat betreft deze gebreken ten tijde van de keuring redelijkerwijs niet aan de keuringseisen kan hebben voldaan.

Bij brieven van 10 december 1999 en 12 december 1999 hebben beide inspecteurs, A.M. Bouwman en T. Harmsze, hun beoordeling nader toegelicht. Hierbij is aangegeven dat bij elk onderzoek wordt gelet op sporen van recente reparaties, met extra aandacht voor de onderdelen die niet aan de keuringseisen blijken te voldoen, aangezien beoordeeld moet worden of het voertuig op het moment van de keuring aan de eisen kan hebben voldaan.

Voorts is aangegeven dat bij het onderzoek van het onderhavige voertuig noch aan de bevestiging van de draagarm, noch aan de bevestiging van de fuseekogel en de McPherson-poot sporen van recent sleutelen waren te zien en dat aan de bevestiging van de fuseekogel en de draagarm was te zien dat de geconstateerde gebreken al langer aanwezig waren, hetgeen was af te leiden uit de roestvorming die was ontstaat bij de loszittende delen.

Verder is opgemerkt dat verzoeker tijdens het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid de punten die niet voldeden aan de keuringseisen zelf te beoordelen en dat hij daarbij niet heeft gewezen op sporen van reparaties.

Gelet op deze nadere toelichting is het naar het oordeel van de president niet aannemelijk dat de inspecteurs ten onrechte tot de conclusie zijn gekomen dat de geconstateerde gebreken reeds ten tijde van de keuring op 25 juni 1999 aanwezig moeten zijn geweest.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de inspecteurs, gelet op hun specifieke deskundigheid, in staat zijn om, mede aan de hand van de mate van ter plaatse aanwezige roestvorming, vast te stellen dat in een periode van ruim twee maanden geen vervanging van onderdelen van de wielophanging heeft plaatsgevonden. Voorts valt hierbij in aanmerking te nemen dat met de auto in de periode tussen de keuring en de herkeuring betrekkelijk weinig is reden, namelijk 1142 km, zoals is komen vast te staan.

In het licht van het voorgaande kan de president aan de verklaringen van de getuigen F en D niet de betekenis toekennen die verzoeker daaraan gehecht wil zien.

Ook hetgeen verder nog zijdens verzoeker met betrekking tot het onderzoek van het onderhavige voertuig naar voren is gebracht, biedt onvoldoende grond om te oordelen dat verweerder bij zijn besluitvorming ten aanzien van verzoeker niet heeft mogen afgaan op de resultaten van de technische beoordeling die de inspecteurs in het kader van artikel 91, zesde lid, van de WVW hebben verricht.

De president overweegt tenslotte nog dat de opgelegde sanctie van intrekking van de erkenning voor de duur van 12 weken niet onevenredig zwaar is te achten, gelet op de ernst van de overtredingen en het belang van de verkeersveidligheid.

Ook overigens is niet gebleken dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Er bestaat evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden