Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA4635

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-11-1999
Datum publicatie
07-03-2002
Zaaknummer
99/552 REA 58
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 16
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/3 met annotatie van Barend Barentsen
RSV 2000, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 99/552 REA 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Interkerkelijke Organisatie voor Zorg- en dienstverlening, gevestigd te Doetinchem, eiseres en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, te dezen vertegenwoordigd door CADANS Uitvoeringsinstelling B.V., verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 april 1999.

2. Feiten

Eiseres heeft in verband met de herplaatsing van haar arbeidsgehandicapte werkneemster J. J.M. Kelderman, welke voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid gedurende 32 uur per week als EVV-ziekenverzorgende voor eiseres werkzaam was, een zogeheten herplaatsingsbudget, als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) aangevraagd.

Bij besluit van 14 januari 1999 is eiseres in aanmerking gebracht voor een herplaatsingsbudget ter hoogte van (20/36 maal f 8000,- =) f 4445,-, uitgaande van het in het kader van de herplaatsing feitelijk gerealiseerde aantal uren van 20 per week.

Bij het bestreden besluit is eiseresses bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 3 december 1998, ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiseres is door mr. E.J. Bonnist, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 november 1999, waar voor eiseres is verschenen T.G. de Winter, personeelsfunctionaris, bijgestaan door mr. Bonnist voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevr. mr. G. Koopman.

4. Gronden

4.1 Artikel 16 van de Wet REA luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen verstrekt op aanvraag aan de werkgever (…) die een tot hem in dienstbetrekking staande voor de eigen arbeid ongeschikt geworden arbeidsgehandicapte werknemer gedurende tenminste een jaar na de subsidievaststelling in een andere functie arbeid laat verrichten, een eenmalige subsidie in de vorm van een herplaatsingsbudget, ter hoogte van een bedrag van f 8000,- .

(…) Indien de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, voor een geringer aantal uren is aangegaan dan het aantal uren dat voor een voltijddienstbetrekking in de desbetreffende sector van het bedrijfs- en beroepsleven gebruikelijk is, of voor bepaalde tijd is aangegaan en binnen een periode van een jaar na herplaatsing zal eindigen, wordt het bedrag van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, evenredig verlaagd. (…) (…)

4.2 Partijen verschillen van mening omtrent de door verweerder toegepaste evenredige verlaging van het herplaatsingsbudget. Namens eiseres is betoogd dat niet het in het kader van de herplaatsing feitelijk gerealiseerde urenaantal, afgezet tegen het gebruikelijk aantal uren van een voltijddienstbetrekking, bepalend dient te zijn, maar het aantal uren waarvoor het oorspronkelijke (en nog steeds bestaande) dienstverband met de betreffende werkneemster is aangegaan.

Verweerder heeft -mede onder verwijzing naar zijn Besluit (Her)plaatsingsbudgetten Wet REA (Besluit van het Lisv van 4 maart 1998, Stcrt. 1998,51), zoals dit ten tijde in geding luidde- het standpunt ingenomen dat het na herplaatsing feitelijk gewerkte urenaantal in dezen bepalend is.

De rechtbank kan zich met dit standpunt van verweerder verenigen. Hoewel uit de redactie van artikel 16, derde lid, van de wet REA, in verbinding gelezen met het eerste lid van dat artikel, naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer valt af te leiden dat de wetgever het feitelijk aantal uren dat in het kader van de herplaatsing wordt gewerkt, bepalend heeft willen achten voor de hoogte van het toe te kennen herplaatsingsbudget, acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor een zodanig uitgangspunt gelegen in de systematiek zoals die overigens in de Wet REA is neergelegd.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van genoemde wet wordt immers het besluit tot vaststelling van een subsidie, als bedoeld in artikel 16 van die wet, ingetrokken of gewijzigd (onder meer) indien de arbeid in de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt verricht binnen de periode waarvoor de subsidie is verstrekt. Uit deze bepaling blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat niet het aantal uren waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan, maar de omvang van de feitelijke herplaatsing, bepalend is te achten voor de hoogte van het uiteindelijk te verstrekken herplaatsingsbudget.

In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank verweerders benadering waarbij is uitgegaan van de 20 uur waarvoor de betreffende werkneemster, gezien haar medische situatie, feitelijk kon worden herplaatst, niet onjuist. In dit verband heeft verweerder er eiseres bij schrijven van 3 december 1998 overigens van in kennis gesteld dat een herziening van de hoogte van het toegekende budget aan de orde kan zijn, indien verdere reïntegratie-inspanningen resulteren in een verhoging van het aantal daadwerkelijk gewerkte uren.

Nu tussen partijen niet in geding is dat het gebruikelijk aantal uren voor een voltijddienstbetrekking in de betreffende sector van het bedrijfs- en beroepsleven 36 uur per week bedraagt, moet worden geoordeeld dat op de toe te kennen subsidie van f 8000,- terecht een evenredige verlaging van 20/36 is toegepast.

4.3 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskosten-veroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 22 november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: