Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA4140

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/161 WVG 58
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 99/161 WVG 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, echtgenote van B, wonende te C, eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 januari 1999.

2. Feiten

Eiseres, geboren in 1946, is lichamelijk en visueel gehandicapt. Per 1 oktober 1997 is de aan eiseres ingevolge de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) toegekende individuele vervoersvoorziening vervangen door een voorziening in het gebruik van een collectief systeem van aanvullend vervoer (Mobimax), in combinatie met een forfaitaire jaarlijkse tegemoetkoming van f 600,-. Bij besluit van 4 november 1997 is laatstgenoemde voorziening omgezet in collectief vervoer per rolstoeltaxi, waarbij de forfaitaire tegemoetkoming is verhoogd naar f 900,- per jaar. Laatstelijk is deze tegemoetkoming vastgesteld op f 921,- per jaar.

Op 19 maart 1998 heeft eiseres verzocht om verhoging van de haar toegekende forfaitaire tegemoetkoming ten behoeve van het onderhoud van haar bovenregionale contacten.

Bij besluit van 8 mei 1998 is deze aanvraag door verweerder afgewezen, op de grond dat niet gebleken is dat bij eiseres vereenzaming of een sociaal isolement dreigt als gevolg van het niet (voldoende) kunnen onderhouden van wezenlijke bovenregionale contacten. Bij het bestreden besluit is eiseresses bezwaar tegen het besluit van 8 mei 1998 vervolgens ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiseres is door mevr. mr. R.J.T. Leijzer, advocaat te Doetinchem, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 juni 1999, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Leijzer voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A.J. te Hennepe.

4. Gronden

4.1 Partijen houdt verdeeld de vraag of eiseres in verband met het onderhoud van haar sociale contacten op grond van de bepalingen van de WVG en de toepasselijke WVG-verordening van verweerders gemeente recht kan doen gelden op een verhoging van de reeds toegekende financiële tegemoetkoming.

Verweerder voert in dit kader het beleid dat voor WVG-gerechtigden, waarvan uit het vervoerspatroon blijkt en na sociale indicatie is bevestigd dat zij vereenzamen of in een sociaal isolement dreigen te geraken omdat zij om financiële redenen in onvoldoende mate wezenlijke contacten kunnen onderhouden buiten de regio Achterhoek, de mogelijkheid bestaat om boven het reeds toegekende forfaitaire geldbedrag op declaratiebasis maximaal een aanvullend bedrag toe te kennen van (ten tijde in geding) f 395,- (voor rolstoel-geïndiceerden f 555,-) per jaar.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden welke beleidsmatig aan de toekenning van een dergelijke aanvullende vergoeding zijn gesteld.

4.2 De rechtbank is om de navolgende redenen van oordeel dat verweerders standpunt dienaangaande onvoldoende gemotiveerd is te achten.

4.2.1 De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat terzake van eiseresses aanvraag geen medisch advies voorhanden is, waarin steun gevonden zou kunnen worden voor verweerders standpunt dat van vereenzaming of een dreigend isolement -ondanks de door eiseres aangevoerde persoonlijke omstandigheden- geen sprake is.

Voorts kan de noodzakelijke motivering voor verweerders standpunt evenmin gevonden worden in het advies van verweerders Commissie Bezwaarschriften, aangezien deze zonder enige motivering voor haar standpunt heeft geadviseerd het bezwaarschrift van eiseres ongegrond te verklaren, alsmede het binnen verweerders gemeente gevoerde vervoersbeleid ten aanzien van meervoudig gehandicapten aan een nader onderzoek te onderwerpen.

4.2.2 Voorzover verweerder zijn standpunt, dat van vereenzaming en sociaal isolement bij eiseres geen sprake is, wenst te baseren op de enkele omstandigheid dat eiseres in juni 1997 heeft aangegeven ook enkele sociale contacten te hebben binnen de regio Achterhoek, acht de rechtbank zulks evenmin voldoende grond voor de afwijzing van eiseresses aanvraag om een aanvullende vergoeding.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat de door eiseres aangegeven bovenregionale contacten ten tijde van haar aanvraag bestonden uit (onder meer) contacten met haar hoogbejaarde vader en moeder, alsmede broers en zussen, welke allen woonachtig zijn in het westen van het land. Eiseres heeft in dat verband gesteld door financiële omstandigheden niet in staat te zijn geweest haar ten tijde in geding ernstig zieke vader in het ziekenhuis in Almere te kunnen bezoeken. Eiseres heeft er daarbij op gewezen dat zij in verband met haar meervoudige handicap, alsmede gelet op de visuele handicap van haar echtgenoot, ook buiten de regio Achterhoek is aangewezen op rolstoelvervoer van deur tot deur ten bedrage van f 2,50 per kilometer. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de door verweerder op grond van de WVG toegekende vervoersvoorziening het onmogelijk maakt haar moeder na het overlijden van haar vader van tijd tot tijd persoonlijk in Almere-haven te bezoeken.

Met betrekking tot deze door eiseres aangegeven vervoersbehoefte overweegt de rechtbank dat persoonlijke bezoeken aan ouders doorgaans zullen zijn te rekenen tot de essentiële contacten, bij het wegvallen waarvan een sociaal isolement niet bij voorbaat ondenkbeeldig is te achten.

Het voorgaande geldt naar het oordeel van de rechtbank temeer in een situatie waarin leeftijd en/of lichamelijke conditie van die ouders met zich meebrengt dat zij hun WVG-gerechtigd kind moeilijk of in het geheel niet kunnen bezoeken. In een situatie tenslotte waarin één van de ouders recentelijk is overleden acht de rechtbank zeer wel voorstelbaar dat het onderhouden van contact met de overblijvende ouder, alsmede met de overige directe familieleden, gedurende een bepaalde periode op een meer intensieve wijze, en met name middels persoonlijke bezoeken aan de overblijvende ouder, zal dienen te geschieden teneinde een sociaal isolement te voorkomen.

Bovenstaande aspecten heeft verweerder -naar het oordeel van de rechtbank: ten onrechte- niet in zijn oordeelsvorming betrokken. Voorts is in dit verband evenmin inzichtelijk gemaakt in hoeverre de reeds toegekende forfaitaire tegemoetkoming ad f 921,- eiseres ten tijde in geding in voldoende mate in staat stelde, en momenteel nog steeds in staat stelt, bovenvermelde essentiële bovenregionale contacten te kunnen onderhouden.

4.3 Gelet op het hierboven overwogene komt het bestreden besluit, als strijdig met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal nader op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

4.4 De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder nader op het bezwaar beslist, met inachtneming van deze uitspraak:

- bepaalt dat de gemeente Doetinchem het betaalde griffierecht van f 55,-aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van f 1420,- terzake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Doetinchem.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

Reg.nr.:99/161 WVG 58