Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3975

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/625 WAOCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 98/625 WAOCON

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiseres,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Fictieve weigering om te beslissen op het bezwaar van eiseres en de op 16 december 1998 alsnog gegeven beslissing op bezwaar.

2. Feiten en procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 22 september 1997, bij verweerder ingekomen op 29 september 1997, bezwaar aangetekend tegen verweerders besluit van 1 september 1997, waarbij verweerder heeft besloten met ingang van 1 november 1997 de uitkering van eiseres overeenkomstig de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder te noemen de WAO-conforme uitkering), tot dan berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, in te trekken op de grond dat eiseres voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht.

Aangezien een beslissing op dit bezwaar uitbleef heeft mevrouw mr. A.J.E. Riemslag, na verweerder diverse malen te hebben gerappeleerd, bij brief van 19 juni 1998 namens eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en de gronden hiervoor bij brief van 3 augustus 1998 aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van 9 december 1998, alwaar het onderzoek ex artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.

Bij brief van 16 december 1998 heeft verweerder aan de rechtbank een afschrift doen toekomen van deze beslissing van gelijke datum.

Namens eiseres is hierop bij brief van 30 december 1998 gereageerd waarna verweerder nog een nadere reactie d.d. 18 januari 1999 van A.C. Vermeulen, bezwaar arbeidsdeskundige, heeft ingezonden.

Vervolgens hebben partijen op daartoe strekkend verzoek van de rechtbank toestemming verleend ex artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, om een nadere zitting achterwege te laten.

4. Gronden

Gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Awb richt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar zich thans ook tegen het besluit van 16 december 1998 waarbij alsnog op het bezwaar is beslist.

De rechtbank stelt vast dat verweerder door alsnog een beslissing op bezwaar te nemen volledig aan eiseres is tegemoet gekomen. Nu namens eiseres om schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb in de vorm van wettelijke rente is verzocht acht de rechtbank daarin voldoende belang gelegen om het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op het bezwaar alsnog inhoudelijk te beoordelen.

Vaststaat dat verweerder niet binnen de daarvoor geldende termijn van zeventien weken na ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres op 29 september 1997 daarop een beslissing heeft genomen. Derhalve is het beroep van eiseres voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond en komt het daarmee gelijk te stellen besluit voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht gronden aanwezig om het verzoek van eiseres tot toekenning van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe te wijzen omdat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door veel te laat een beslissing op het bezwaar te nemen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 november 1995, JB 1995/314, overweegt de rechtbank dat de wettelijke rente moet worden berekend over het bruto bedrag van de uitkering waarop eiseres alsnog recht heeft, nadat daarop eventueel in mindering is gebracht het bruto bedrag van de uitkering die eiseres over gelijke periode is verstrekt uit hoofde van enigerlei sociale zekerheidswet, zulks ten aanzien van de eerste uitkerings- termijn met ingang van de eerste dag van de maand na die waarin verweerder uiterlijk op het bezwaar had moeten beslissen, derhalve ingaande 1 februari 1998 en vervolgens ten aanzien van de nadien verschijnende termijnen telkens met ingang van een maand later, tot aan de dag van voldoening. Daarbij dient telkens na afloop van het jaar het bedrag waarover de wettelijke rente aldus is berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Opmerking verdient nog dat het eiseres vrijstaat zich tot verweerder te wenden met een verzoek tot de vergoeding van de door haar voorafgaande aan 1 februari 1998 geleden schade.

Bij zijn besluit van 16 december 1998 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 1 november 1997 bepaald op 15 tot 25%. Deze schatting berust op een nieuwe berekening van het maatmanloon, dat uitgaande van het loon op 1 januari 1994 en geïndexeerd naar de datum 23 juli 1997 (indexcijfer 120,4) f 5.098,89 beloopt. Dit bedrag, afgezet tegen de feitelijke verdiensten ad f 4.040,41 per maand resulteert in een verdienverlies van 20,75%.

Namens eiseres is hiertegen aangevoerd dat verweerder het maatmaninkomen foutief heeft geïndexeerd nu niet het indexcijfer van 1 november 1997 (121,1) is gehanteerd en de feitelijke verdiensten te hoog zijn vastgesteld omdat zij nimmer een eindejaarsuitkering van f 34,12 heeft ontvangen.

In het nadere advies van de bezwaar arbeidsdeskundige A.C. Vermeulen van 18 januari 1999 is namens verweerder gesteld dat bij de loonkundige bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid als peilmoment voor de indexering van het maatmanloon standaard de datum van de primaire beoordeling, in casu 23 juli 1997, wordt aangehouden en er op deze grond geen reden bestaat om van het in de bezwaarfase vastgestelde maatmanloon af te wijken. Verder oordeelt deze arbeids- deskundige dat de eindejaarsuitkering inderdaad geen onderdeel mag uitmaken van de vast te stellen restverdiencapaciteit en tevens dat de uitbetaalde ORT ten onrechte niet volledig is verdisconteerd in het maatmanloon. Het door hem aan de hand van deze gegevens nieuw berekende verlies aan verdienvermogen bedraagt alsdan 17,9 %.

De rechtbank deelt de visie van verweerder(s bezwaararbeidsdeskundige) met betrekking tot het peilmoment voor de indexering van het maatmanloon niet. Nu het primaire besluit en de beslissing op bezwaar handelen over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op een bepaalde datum, dient deze te worden vastgesteld aan de hand van de loonkundige gegevens die op die datum betrekking hebben. Daaraan doet niet af dat verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid gehouden is om een uitkeringsgerechtigde zoals eiseres een termijn te gunnen tussen het moment waarop wordt kennisgegeven van een ophanden zijnde herziening of intrekking van een uitkering en de ingangsdatum van die herziening of intrekking.

In het vorenoverwogene is evenwel geen grond gelegen om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan. Immers, de vaststelling van het maatloon op een hoger bedrag en de hogere feitelijke verdiensten leiden niet tot een indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan verweerder in zijn beslissing op bezwaar heeft vastgesteld en niet gebleken is dat de door verweerder bij zijn herberekening in aanmerking genomen bedragen onjuist zijn. Verweerder heeft derhalve de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op 1 november 1997 met indeling in de klasse 15 tot 25% niet onderschat. Daaruit volgt dat het besluit van 16 december 1998 in stand kan blijven en dat het beroep voorzover daartegen gericht, ongegrond moet worden verklaard.

Aangezien verweerder eerst na de behandeling ter zitting is overgegaan tot afgifte van een beslissing op bezwaar is daarmee genoegzaam gebleken dat eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs kosten heeft moeten maken. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder in deze kosten te veroordelen. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op f 1420,- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep voorzover dat gericht is tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift gegrond;

vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

verklaart het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 16 december 1998 ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken, vastgesteld op f 1420,-, terzake van kosten van rechtsbijstand;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van renteschade als hiervoor is aangegeven;

gelast dat verweerder het betaalde griffierecht van f 55,- aan eiseres vergoedt.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: