Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3909

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-11-1999
Datum publicatie
15-05-2003
Zaaknummer
99/860 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:9
Algemene wet bestuursrecht 7:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

reg.nr.: 99/860 GEMWT

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

A te B, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ruurlo, verweerder.

Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 juli 1999 waarbij het bezwaarschrift van verzoeker, gericht tegen het besluit van 2 maart 1999 tot het toepassen van bestuursdwang, ongegrond is verklaard.

Procesverloop

Namens verzoeker heeft mr. F.A.M. van Os, advocaat te Zutphen, bij brief van 12 april 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 20 april 1999 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 juni 1999.

Bij uitspraak van 2 juni 1999 is -mede omdat verzoeker voornemens was getuigen te doen horen- een voorlopige voorziening getroffen en het besluit van 2 maart 1999 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het

bezwaarschrift.

Bij brief van 31 augustus 1999 is namens verzoeker beroep ingesteld en wederom om een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 Awb verzocht.

Dit verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 4 november 1999.

Verschenen zijn verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. van Os, terwijl verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Steinen en G.J. Hans, ambtenaren der gemeente.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker heeft in de bezwaarschriftprocedure verzocht om hem in de gelegenheid te stellen middels getuigenverklaringen zijn standpunt te onderbouwen.

De Commissie voor de Bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en op 16 juni 1999 getuigen A, C, D en E gehoord.

Door verzoeker is aangevoerd dat hij en zijn raadsman - ondanks het verzoek daartoe - niet aanwezig mochten zijn bij dit verhoor. Verzoeker heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een zeer summier verhoor en de commissie zich niet

kritisch heeft opgesteld en de getuigen niet met elkaars verklaringen heeft geconfronteerd.

Verweerder heeft verklaard ook niet aanwezig te zijn geweest bij het horen van bovengenoemde personen. Verweerder heeft hier - desgevraagd - aan toegevoegd dit ook niet noodzakelijk te achten nu de betreffende commissie onafhankelijk is en

de personen die ten tijde van het horen hierin zitting hadden persoonlijk ervaring hadden met het horen van getuigen.

Het vorenoverwogene leidt tot het volgende oordeel.

Ingevolge artikel 3:9 van de Awb dient het bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft

plaatsgevonden.

In de Awb (artikel 7:8) is niet expliciet bepaald dat het horen van getuigen in bijzijn van partijen dient te geschieden.

De president is echter, anders dan verweerder, van mening dat het althans aanwezig kunnen zijn van partijen en hun eventuele raadslieden bij het horen van getuigen valt onder het beginsel van goede procesorde. Weliswaar zijn de bevindingen van de commissie in een verslag neergelegd, echter dit doet aan het recht van partijen en hun raadslieden om desgewenst aanwezig te kunnen zijn bij een hoorzitting als in onderhavige casus aan de orde is niet af. Hierbij overweegt de president dat de afgelegde verklaringen niet zijn ondertekend door de betreffende getuigen doch deel uitmaken van een door de secretaris en de voorzitter van de commissie ondertekend verslag van de vergadering waarin de getuigen zijn gehoord.

De commissie heeft mede op basis van de getuigenverklaringen haar advies uitgebracht aan verweerder, die daarop het bestreden besluit heeft genomen. Verzoeker heeft eerst nadat dit besluit is genomen kennis gekregen van het advies

van de commissie en de getuigenverklaringen.

Verzoeker en zijn raadman hadden in staat gesteld moeten worden om de hoorzitting die op 16 juni 1999 heeft plaatsgevonden bij te wonen. Nu dit niet is geschied, is het advies van de commissie op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Verzoeker heeft te kennen gegeven een getuigenverhoor in het kader van de behandeling van de bodemzaak bij de rechtbank te willen entameren. Niet is uitgesloten dat de rechtbank dit verzoek zal honoreren.

De president is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening als hierna is vermeld.

In het vorenoverwogene wordt tevens aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden

ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

schorst het bestreden besluit;

bepaalt dat de gemeente Ruurlo het betaalde griffierecht van f 225,- aan verzoeker vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op f 1.420,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Ruurlo.

Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: