Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3744

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-08-1999
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
99/1069 AW 06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer bestuursrechtelijke zaken

Reg. nr. : 99/1069 AW 06

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser

, en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 april 1997.

2. Procesverloop

Namens eiser heeft mr. drs. D.R. de Breij, advocaat te Arnhem, bij brief van 3 juni 1997 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit op de gronden uiteengezet in een aanvullend beroepschrift. Zijdens verweerder zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift. Aan verweerder(s gemachtigde) zijn daarna enige vragen voorgelegd die bij brieven van 11 augustus 1998, 8 oktober 1998 en 18 februari 1999 zijn beantwoord. Vanwege eiser zijn nog enige nadere stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 mei 1999, waar eiser, daartoe opgeroepen, in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. De Breij voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M.M. Maes, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie alsmede door G. van Lenthe en door H. Raben.

3. Feiten

Eiser is ingaande 1 april 1968 in dienst getreden van de gemeente Doetinchem op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 januari 1969 omgezet in een aanstelling als ambtenaar in vaste dienst en wel in de functie van buffetbediende bij het Cultureel Centrum X (hierna ook: X) aldaar. Ten behoeve van de instandhouding van X is op 31 december 1969 een naamloze vennootschap in het leven geroepen onder de naam N.V. Cultureel Centrum X (hierna: de N.V.), waarvan de aandelen grotendeels in handen zijn van de gemeente Doetinchem. Aanvankelijk verhuurde de N.V. X aan deze gemeente en hield deze laatste zich bezig met de exploitatie, doch vanaf 4 september 1991 heeft de N.V. ook de exploitatie op zich genomen. Inmiddels was eiser in 1983 bevorderd tot chef horeca. Vervolgens is hij ingaande 1 november 1989 tezamen met een aantal andere medewerkers in vaste dienst gedetacheerd bij genoemde N.V., terwijl het tijdelijke personeel bij haar in dienst is getreden.

In de nacht van 4 op 5 november 1995 heeft eiser na afloop van een feestavond een van de bezoekers van het feest lichamelijk letsel toegebracht. Naar de toedracht van dit gebeuren is door de directeur van X een onderzoek ingesteld. Hangende dit onderzoek is het vermoeden gerezen dat eisers lezing van het gebeurde niet strookte met de werkelijkheid en voorts dat hij eigendommen van X voor eigen gebruik had aangewend. In het kader van dit nadere onderzoek zijn diverse medewerkers van X gehoord en vervolgens ook eiser, aanvankelijk alleen op 15 mei 1996 en nadien in het bijzijn van zijn toenmalige raadsman. Naar aanleiding daarvan is een aantal andere medewerkers

(nogmaals) gehoord. Bij brief van 4 oktober 1996 is eiser door verweerder in kennis gesteld van het voornemen hem bij wijze van disciplinaire maatregel ontslag te verlenen. In verband daarmee heeft eiser gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zich te verantwoorden. Bij besluit van 14 november 1996 is eiser met toepassing van artikel 8:12 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling ingaande 19 november 1996 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt dat bij het thans bestreden besluit - in afwijking van het advies van de door verweerder geraadpleegde regionale bezwarencommissie personele aangelegenheden (hierna: de commissie) - ongegrond is verklaard.

4. Motivering

De rechtbank heeft zich ambtshalve allereerst afgevraagd of eiser, gegeven het feit dat hij reeds vanaf 1 november 1989 bij een naamloze vennootschap is gedetacheerd, voorafgaande aan zijn ontslag nog werkzaam was in openbare dienst en derhalve ambtenaar was in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Vooreerst moet in dit verband worden geconstateerd dat bij gebreke van enig gegeven dat op het tegendeel duidt, eiser door verweerder voor onbepaalde tijd is geplaatst bij de N.V. in een definitieve functie. Voorts blijkt uit de ambtelijke stukken die betrekking hebben op de overdracht van de exploitatie van X aan de N.V. dat verweerder er destijds vanuit is gegaan dat na de detachering de rechtspositie van het gedetacheerde personeel geen wijziging zal ondergaan en dat beëindiging van de detachering slechts met instemming van beide partijen – de gemeente Doetinchem en de N.V. - kan geschieden. Omtrent de onderlinge (rechts)verhouding tussen het gemeentebestuur en de organen van de N.V. terzake van de detachering zijn kennelijk geen (schriftelijk vastgelegde) nadere afspraken gemaakt, hetgeen de vraag doet rijzen of hier geen sprake is van een oneigenlijk gebruik van de detacheringsfiguur, aangezien daaraan in ieder geval inherent is dat deze een tijdelijk karakter heeft en kan worden beëindigd op initiatief van zowel de in- als de uitlener. Wat daarvan ook zij, feit is dat eiser voorafgaande aan zijn ontslag werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de N.V. en niet ten behoeve van verweerders gemeente.

Derhalve zal vervolgens moeten worden bezien of de N.V. tot de openbare dienst als bedoeld in artikel 1 voornoemd behoort. In het kader van deze toetsing moet worden vooropgesteld dat op grond van de gedingstukken afdoende vaststaat dat er zowel statutair als feitelijk sprake is van overwegende invloed van de overheid en met name van de gemeente Doetinchem op het beheer van de N.V. Deze invloed manifesteert zich in de eerste plaats op financieel terrein, aangezien de begroting van de N.V. volgens haar statuten de goedkeuring behoeft van deze gemeente. Voorts schrijven de statuten voor dat de raad van commissarissen geheel uit bestuurders van de aandelen bezittende publiekrechtelijke lichamen bestaat en voor het grootste deel uit bestuurders van de gemeente Doetinchem. Deze raad heeft op grond van de statuten zeer vergaande beheersbevoegdheden, onder meer tot verwerving en vervreemding van bedrijfsmiddelen, het vaststellen van de begroting, het opstellen van een bindende voordracht voor de benoeming van de directeur, diens schorsing en het benoemen en ontslaan van het personeel in vaste dienst.

Anders dan verweerders gemachtigde mr. J.M.M. Maes in diens onder 2 genoemde brief aan de rechtbank van 18 februari 1999, is de rechtbank van oordeel dat een aantal van deze statutaire bepalingen op zijn minst genomen op gespannen voet staat met zoal niet de tekst dan toch in ieder geval de strekking van een of meer wettelijke voorschriften met betrekking tot de taakverdeling tussen de verschillende organen van een naamloze vennootschap. Dit gegeven noch de omstandigheid dat deze organen op grond van de wet primair het eigen belang van de vennootschap dienen te behartigen en niet, zoals een gemeente, het algemeen belang, staat er evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg om aan te nemen dat de N.V. behoort tot de openbare dienst als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet.

Het vorenoverwogene brengt mee dat verweerder bevoegd was ten aanzien van eiser de rechtspositieregelingen van de gemeente Doetinchem toe te passen alsmede dat eiser door verweerder terecht in zijn bezwaar tegen het primaire besluit is ontvangen.

Vervolgens toekomend aan de vraag of verweerder het ontslag in bezwaar terecht heeft gehandhaafd, overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de onder 2 genoemde brief van 4 oktober 1996 wordt eiser door verweerder onder meer verweten dat: - hij in de nacht van 4 op 5 november 1995 in de uitoefening van zijn dienst nabij de ingang van X een bezoeker van de feestavond met een stok/knuppel heeft geslagen en daardoor zodanig aan zijn hoofd heeft verwond dat hij zich daarvoor in het ziekenhuis heeft moeten laten behandelen; - hij een van zijn ondergeschikten heeft verboden om voor de betreffende bezoeker een ambulance te bellen; - hij in het kader van een naar dit gebeuren door de directeur van X ingesteld onderzoek een ondertekende verklaring heeft afgelegd dat hij de betreffende bezoeker met de zijkant van zijn hand had geslagen en daarbij aanvankelijk is gebleven; - hij dit onderzoek voorts bewust heeft belemmerd in die zin dat hij de stok/knuppel - door hemzelf in de struiken gegooid en daar nadien door een van de drie medewerkers, die hij had gemaand om deze te gaan zoeken, weer aangetroffen en door deze aan hem overhandigd - vervolgens heeft doen verdwijnen; - genoemd incident niet op zichzelf staat doch dat er sprake is van doorgaand gedrag, in die zin dat eiser in het verleden ook een tweetal medewerkers van X lichamelijk letsel heeft toegebracht; - hij op diverse tijdstippen in 1995 en 1996 zonder toestemming van de recht hebbende eigendommen van X - te weten: TL-buizen, lampen en toiletpapier, oude bloembakken en planten uit bloembakken alsmede een aantal kratten frisdrank - en van een collega (een gebakschaal) heeft meegenomen, zulks waar het de oude bloembakken betreft met hulp van een ondergeschikte.

Al deze feiten liggen ook ten grondslag aan het ontslagbesluit. Bij het bestreden besluit is daaraan toegevoegd: het aan ondergeschikten opdragen om onjuiste verklaringen af te leggen over het "stokincident"in november 1995. De commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren omdat zij de opgelegde straf onevenredig achtte aan (kort gezegd) de ernst van het plichtsverzuim.

Eiser heeft in beroep ontkend dat hij de betrokken bezoeker met een stok/knuppel heeft geslagen. Naarzijn zeggen heeft hij hem geraakt terwijl hij met zijn armen een zwaaiende beweging maakte en wel onder druk van de dreiging die op dat moment uitging van de betrokkene en van de overige feestgangers. Voorts heeft hij betwist dat hij een van de medewerkers heeft verboden om een ambulance te bellen.

De rechtbank vindt in deze ontkenning en in de zijdens eiser eerst in beroep geproduceerde verklaringen van oud-medewerkers van X onvoldoende grond eiser niet te houden aan zijn (nadere) bekennende verklaring over het verloop van het "stokincident", afgelegd op 15 mei 1996 en nadien op 24 september 1996 ondertekend door zijn toenmalige raadsman. Daarbij komt dat deze bekennende verklaring strookt met diverse andere zich onder de gedingstukken bevindende verklaringen terzake.

Omtrent de vraag of het slaan met een stok/knuppel eiser kan worden aangerekend oordeelt de rechtbank dat, zo al moet worden aangenomen dat de betrokken bezoeker en andere feestgangers voor en/of na het verlaten van het gebouw een dreigende houding tegenover eiser hebben aangenomen, niet genoegzaam is komen vast te staan dat eiser geen andere keuze had dan de stok/knuppel te pakken, deze vervolgens mee naar buiten te nemen en (daarmee) zelf als eerste te slaan in plaats van te trachten een feitelijke fysieke aanranding uit de weg te gaan.

Ook hetgeen eiser overigens door verweerder wordt verweten is voor de rechtbank op basis van de voorhanden gegevens afdoende komen vast te staan. Al deze feiten leveren naar het oordeel van de rechtbank zonder meer plichtsverzuim op.

Anders dan de commissie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de straf van ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Verweerder heeft daarbij zwaar mogen laten wegen eisers aanvankelijke poging om het werkelijke verloop van het "stokincident" te verdoezelen en het feit dat eiser een leidinggevende functie bekleedde. Dat eiser naar zeggen van sommige oud-medewerkers en de oud-president commissaris van de N.V. naar behoren heeft gefunctioneerd en dat zij altijd prettig met hem hebben samengewerkt doet aan het vorenstaande niet af.

Gezien het vorenoverwogene kan het bestreden besluit in stand blijven, hetgeen meebrengt dat de rechtbank niet toekomt aan de namens eiser ingediende schadevordering. De rechtbank vindt voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve moet worden beslist zoals hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende :

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: