Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3483

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-04-1999
Datum publicatie
14-02-2006
Zaaknummer
99/315 WET 58
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft onder invloed van alcohol een auto-ongeluk veroorzaakt.

[...] Bij het bestreden besluit is verzoeker vervolgens niet rijgeschikt geacht en is om die reden verzoekers rijbewijs voor de categorieën A/B/C/E ongeldig verklaard.

Bij besluitvorming t.a.v. rijgeschiktheid ten onrechte niet bezien of inmiddels de in norm 8.8 neergelegde recidiefvrije periode van ten minste 1 jaar was verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 99/315 WET 58

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

A te B, verzoeker, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 maart 1999.

2. Procesverloop

Namens verzoeker is door mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, bij brief van 31 maart 1999 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van diezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 april 1999, waar namens verzoeker is verschenen mr. Maarsingh voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevr. mr. S.J.M. van der Ark, werkzaam bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

3. Motivering

3.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2 Op 14 maart 1998 heeft verzoeker onder invloed van alcohol een auto-ongeluk veroorzaakt.

Naar aanleiding van een op 1 april 1998 ontvangen mededeling ingevolge artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW) heeft verweerder op 7 mei 1998 besloten dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.

Verzoeker is vervolgens op 29 september 1998 onderzocht door J.S.M. Beerepoot, zenuwarts te Doetinchem. Naar aanleiding van de op 28 oktober 1998 ontvangen resultaten van dit onderzoek heeft verweerder op 8 februari 1999 aan verzoeker meegedeeld dat hij niet geschikt wordt geacht tot het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A/B/C/E, en het voornemen bestaat tot ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs.

Bij het bestreden besluit is verzoeker vervolgens niet rijgeschikt geacht en is om die reden verzoekers rijbewijs voor de categorieën A/B/C/E ongeldig verklaard.

3.3 Gelet op het bestreden besluit, alsmede gelet op het verhandelde ter zitting, acht verweerder norm 8.8. ('Chronisch misbruik van alcohol of drugs') van de 'Regeling eisen geschiktheid' van 12 juni 1996 (Stcrt. 1996/117; hierna: de Regeling) op eiser van toepassing. In het voetspoor van de zenuwarts Beerepoot acht verweerder daarbij aannemelijk dat verzoeker op of omstreeks 15 maart 1998 gestopt is met het gebruik van alcohol. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat ten tijde van het onderzoek door de zenuwarts Beerepoot nog niet de in norm 8.8. voorgeschreven recidiefvrije periode van (tenminste) een jaar was verstreken.

3.4 Vastgesteld moet in dit verband worden dat verweerder in het onderhavige geval de in de artikelen 130 e.v. WvW neergelegde termijnen met betrekking tot te treffen maatregelen 'rijvaardigheid en geschiktheid' ruimschoots heeft overschreden.

Verzoeker kan in dit verband naar voorlopig oordeel niet gevolgd worden in zijn standpunt dat verweerder terzake fatale termijnen zou hebben geschonden, op grond waarvan verweerder niet langer bevoegd zou zijn te achten tot ongeldigverklaring van eisers rijbewijs over te gaan. Naar voorlopig oordeel betreft het hier slechts termijnen van orde, op overtreding waarvan in de wet geen sanctie is gesteld.

Een en ander neemt evenwel niet weg dat verweerders trage besluitvorming in de situatie van verzoeker tot gevolg heeft gehad dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit inmiddels een periode van (ruim) 1 jaar was verstreken sinds het moment waarop verzoeker (ook in de visie van verweerder) is gestopt met het gebruik van alcohol, en hij zich terzake onder behandeling van het CAD heeft gesteld.

Gegeven dit tijdsverloop, en mede gelet op het belang van de verkeersveiligheid dat verweerder met zijn besluit beoogt te dienen, moet worden geoordeeld dat verweerder bij zijn besluitvorming aangaande verzoekers rijgeschiktheid ten onrechte niet de vraag heeft betrokken of inmiddels - uitgaande van de stopdatum 15 maart 1998- de in norm 8.8. van de Regeling neergelegde recidiefvrije periode van tenminste een jaar was verstreken.

In dit verband moet tevens van belang worden geacht dat door een administratieve ommissie van verweerder in verzoekers geval tot op heden geen laboratoriumonderzoek heeft plaatsgevonden waaruit een dergelijke recidiefvrijeperiode (onder meer) zou kunnen blijken.

3.5 Gelet op het hierboven overwogene berust het bestreden besluit naar voorlopig oordeel op een onvoldoende zorgvuldige besluitvorming, zodat dit besluit in een bodemprocedure -als strijdig met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)- naar alle waarschijnlijkheid niet in stand zal kunnen blijven. Verweerder kan evenwel in bezwaar -desgewenst middels een nader uit te voeren specialistisch onderzoek- deze ommissie herstellen.

Verzoeker heeft evenwel groot belang bij het houden van zijn rijbewijs, aangezien ontslag dreigt als hij zijn werkzaamheden als chauffeur hangende dit eventuele nadere onderzoek naar zijn rijgeschiktheid niet zou kunnen uitvoeren. Daarbij geeft de lengte van verweerders besluitvorming tot op heden, geen aanleiding om uit een oogpunt van verkeersveiligheid een noodzaak tot onverwijlde ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs aan te nemen.

Deze belangen van partijen afwegend, alsmede gelet op het feit dat door de zenwuarts Beerepoot tijdens zijn onderzoek geen defecttoestanden bij verzoeker zijn geconstateerd, bestaat er aanleiding om - hangende verweerders heroverweging- tot het treffen van de hierna onder 4. te melden voorziening over te gaan.

3.6 In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Van overigens voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

recht doende:

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad f 225,- aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand van verzoeker tot een bedrag van f 1420,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president,

en in het openbaar uitgesproken op 23 april 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: