Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3480

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-07-1999
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
97/995
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene nabestaandenwet 10, geldigheid: 1999-07-03
Algemene nabestaandenwet 18, geldigheid: 1999-07-03
Algemene nabestaandenwet 18, geldigheid: 1999-07-03
Inkomens- en samenloopbesluit Anw, geldigheid: 1999-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 97/995 UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, weduwe van B, wonende te C, eiseres,

en

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 april 1997.

2. Feiten

Eiseres is geboren op [...] 1943. Op […] augustus 1996 is haar echtgenoot, die leed aan acute leukemie, overleden. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke ingaande 1 augustus 1996 f 1.695,41 per maand bedroeg. Bij besluit van 8 oktober 1996 heeft verweerder aan eiseres ingaande 1 augustus 1996 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend en daarop haar AAW-uitkering in mindering gebracht. Tegen dit besluit is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend dat bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiseres is door haar gemachtige, mr. H.L. Stuiver, advocaat te Putten, op 23 mei 1997 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, op de in het aanvullend beroepschrift van 14 juli 1997 vermelde gronden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 april 1998, waar eiseres noch haar gemachtigde is verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J.N. Keuper, werkzaam bij het district Amersfoort van de Sociale Verzekeringsbank.

4. Gronden

Eiseres heeft recht op een nabestaandenuitkering op grond van de Anw, welke op 1 juli 1996 in werking is getreden. Ingevolge artikel 18 eerste lid van de Anw wordt de nabestaandenuitkering verminderd met het inkomen van de gerechtigde. In artikel 10 van de Anw wordt bepaald dat onder inkomen wordt verstaan het inkomen van de nabestaande uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. Onder "inkomen in verband met arbeid" wordt krachtens het op artikel 10 berustende Inkomens- en samenloopbesluit Anw mede begrepen een uitkering krachtens de AAW.

Inkomen uit arbeid wordt op grond van artikel 18, tweede lid, van de Anw, gedeeltelijk en inkomen in verband met arbeid wordt geheel in mindering gebracht op de nabestaandenuitkering.

Eiseres stelt dat zij, door het verloop van de ziekte van haar man en de eisen die verzekeraars stellen, geen (aanvullende) nabestaandenverzekering heeft kunnen afsluiten en dat daarom op de nabestaandenuitkering ten onrechte haar AAW-uitkering in mindering is gebracht. Zij lijdt door de stringente toepassing van de bepalingen van en krachtens de Anw groot financieel nadeel. Zij acht dit des te klemmender nu in de Anw wel een uitzonderingspositie wordt toegekend aan nabestaanden, die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956, van wie de partner overlijdt voor 1 juli 1999. Deze personen hebben derhalve nog wel de gelegenheid om zich aanvullend te verzekeren. Tevens meent zij dat de Anw een onredelijk onderscheid maakt tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid.

De rechtbank wijst er allereerst op dat tot 1 juli 1996 in de AAW was bepaald dat een uitkering krachtens die wet werd ingetrokken indien de gerechtigde aanspraak verkreeg op een uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), de voorloper van de Anw. In een reeks van uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de bepaling van de AAW die aan die intrekking ten grondslag lag niet in strijd was met enig voorschrift van supra- of internationaal recht, nu deze het gerechtvaardigde doel had om cumulatie te voorkomen van uitkeringen uit twee wetten die beide voorzagen in een uitkering op minimumniveau, zij het dat in die gevallen van cumulatie die werden bestreken door de Richtlijn 79/7 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, ten behoeve van degenen aan wie een AAW-uitkering was toegekend en die aanspraak verkregen op een AWW-uitkering, een keuzemogelijkheid tussen deze twee uitkeringen diende te worden geboden.

De rechtbank vermag niet in te zien waarom deze rechtvaardiging niet evenzeer zou gelden ingeval van samenloop van een AAW- en een Anw-uitkering, aangezien de Anw evenals de AWW een voorziening biedt op minimumniveau ten behoeve van nabestaanden die in behoeftige omstandigheden verkeren omdat van hen niet verlangd kan worden dat zij zelf in hun onderhoud voorzien. De financiële teruggang welke eiseres ondervindt als gevolg van het bestreden besluit zou zich derhalve ook hebben voorgedaan als haar echtgenoot voor 1 juli 1996 zou zijn overleden en zij reeds voor die datum recht zou hebben verkregen op een AWW- uitkering (en ingevolge het overgangsrecht, ingaande 1 juli 1996, op een Anw-uitkering). Veeleer vloeit dit nadeel voort uit het feit dat eiseres zich niet tijdig particulier heeft bijverzekerd, waartoe de kennelijke noodzaak ook had bestaan indien de AWW nog van kracht was geweest ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot.

Dat de wetgever kennelijk geen aanleiding heeft gezien om in verband met de invoering van de Anw een (overgangs)regeling te treffen ten behoeve van alle nabestaanden die zich voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Anw niet aanvullend hebben kunnen verzekeren tegen een inkomensachteruitgang, doch slechts ten behoeve van degenen die zijn geboren op of na 1 januari 1950 en voor 1 juli 1956 en wier echtgenoot overlijdt op of na 1 juli 1996 en voor 1 juli 1999, leidt niet tot een ander oordeel, nu het oogmerk van deze overgangsregeling - te voorkomen dat een groep nabestaanden na de invoering van de Anw in een slechtere positie zou geraken dan waarin zij zou hebben verkeerd als de AWW niet zou zijn ingetrokken - geheel losstaat van de doelstelling om cumulatie van gelijksoortige uitkeringen tegen te gaan.

Met betrekking tot het onderscheid in de mate waarin inkomen uit arbeid en inkomen, bestaande uit een AAW- uitkering, in mindering wordt gebracht op de nabestaandenuitkering krachtens de Anw geldt dat dit, blijkens de toelichting op de Anw, is gemaakt teneinde deelname aan arbeid niet te ontmoedigen. Ook van dit onderscheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het zich niet verdraagt met enige bepaling van supra- of internationaal recht, aangezien deze op zichzelf geoorloofde nevendoelstelling onvoldoende afbreuk doet aan de hoofddoelstelling, zoals hiervoor weergegeven.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het beroep ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee

en door hem in het openbaar uitgesproken op 3 juli 1998

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Biesma als griffier.

Afschrift verzonden op: