Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:1998:AA6732

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-02-1998
Datum publicatie
14-01-2005
Zaaknummer
95/1930 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1998, 227 met annotatie van P.J.J. van Buuren
Module Ruimtelijke ordening 1998/3607
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 95/1930 BESLU

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A te B, eiser

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van 15 juni 1995.

2. Feiten

Eiser exploiteert te Hattem een verkeersopleidingsinstituut. Naar aanleiding van de voorgenomen renovatie van de Oude IJsselbrug Katerveer I tussen Hattem en Zwolle in de periode 1 mei 1994 tot 1 juni 1995 heeft eiser zich bij brief van 28 oktober 1993 tot verweerder gewend met - wat door partijen is verstaan als - een verzoek om nadeelcompensatie als bedoeld in de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat.

Nadat eiser op 18 januari 1994 was gehoord door de nadeelcompensatiecommissie en bij brief van 18 maart 1994 in de gelegenheid was gesteld te reageren op een concept-advies, heeft de nadeelcompensatiecommissie op 23 augustus 1994 aan verweerder geadviseerd aan eiser geen schadevergoeding toe te kennen.

Op 13 september 1994 heeft verweerder overeenkomstig het advies beslist.

Bij brief van 24 oktober 1994 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Bij brief van 25 juli 1995 heeft mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, namens eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft op 27 september 1995 stukken en een verweerschrift ingezonden. Openbare behandeling van het beroep heeft plaats gevonden op 27 november 1997. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nas voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.Jongman, werkzaam bij de Directie Oost Nederland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van verweerders ministerie.

4.Gronden

4.1 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hattem en Zwolle hebben op verzoek van verweerder, inmiddels in rechte onaantastbaar geworden, verkeersbesluiten genomen er toe strekkende dat de Oude IJsselbrug voor een periode van dertien maanden gesloten zou zijn voor alle verkeer met uitzondering van fietsers en bromfietsers, langzaam agrarisch en bouwverkeer. Rijkswaterstaat is vervolgens tot renovatie van het kunstwerk Katerveer I overgegaan.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat kent verweerder degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het door het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat vervullen van taken genoemd in het besluit van 14 januari 1991, Stb. 42., op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

Eiser ziet als oorzaak van de beweerdelijk geleden schade de renovatie van een kunstwerk over de IJssel, over welk kunstwerk een weg loopt die ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenwet door de gemeenten Hattem en Zwolle dient te worden onderhouden. Verweerder is van oordeel dat onderhoud van het kunstwerk behoort tot de taken, bedoeld in het besluit van 14 januari 1991. Als schadeoorzaak wordt dan ook gezien rechtmatig feitelijk handelen ter uitoefening van een publiekrechtelijke taak.

In het stelsel van afdeling 8.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) past het de algemene danwel de bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, dan is ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van de schade die daardoor is veroorzaakt, aldus de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 1997 (AB 1997/229). Toepassing van dit uitgangspunt zou tot het oordeel dienen te leiden dat verweerder het bezwaarschrift van eiser ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De beslissing om tot renovatie van het kunstwerk over te gaan is immers niet op rechtsgevolg gericht en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen, gelet op artikel 8:1 van de Awb, geen beroep open heeft gestaan bij de bestuursrechter.

Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 1 augustus 1997 (AB 1998/37 en 1998/38) -betreffende de toepassing van de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat ter zake van beweerdelijk geleden schade als gevolg van verbeteringswerkzaamheden aan het Kanaal door Zuid-Beveland moet de rechtbank evenwel afleiden dat de Afdeling met haar uitspraak van 6 mei 1997 geen wijziging heeft willen brengen in de jurisprudentie van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State, er op neer komend dat (na bezwaar) beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding ter zake van de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke taak of een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, mits dat bestuursorgaan ter zake beleidsregels bekend heeft gemaakt. De rechtbank begrijpt de uitspraken van 1 augustus 1997 aldus dat het stelsel van afdeling 8.1.1 van de Awb er niet aan in de weg staat om de bestuursrechter bevoegd te achten ter zake van besluiten omtrent schadevergoeding (nadeelcompensatie) op basis van bekendgemaakte beleidsregels.

Aangezien ook overigens aan de daarvoor geldende eisen werd voldaan heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht ontvankelijk geacht.

4.2 Eiser stelt dat hij voor het geven van met name de eerste tien rijlessen, bij gebrek aan een vergelijkbaar terreinen in Hattem, gewoonlijk veelvuldig gebruik maakt van het industrieterrein "De Marslanden" in Zwolle en van woonwijken in Zwolle. De afsluiting van Katerveer I gedurende 13 maanden heeft met zich gebracht dat eiser via de A50 naar Zwolle diende te rijden. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij er vanuit moest gaan dat leerlingen meer lessen nodig zouden hebben om met succes het rijexamen te kunnen afleggen en dat eisers instituut als gevolg daarvan, zonder compenserende maatregelen, een minder goede naam zou krijgen. Eiser stelt dat hij tot een bedrag van f 25.795,-- aan maatregelen heeft getroffen en moeten treffen teneinde daling van de winst (met ongeveer eenzelfde bedrag) te voorkomen. Naar aanleiding van het voorlopig oordeel van de commissie nadeelcompensatie dat andere rijschoolhouders in Hattem in een vergelijkbare positie zouden komen te verkeren, heeft eiser gesteld dat hij met name moet concurreren met Zwolse rijschoolhouders, nu veel Hattemse scholieren in Zwolle naar school gaan.

4.3 Verweerder stelt zich in navolging van de commissie nadeelcompensatie op het standpunt dat andere rijschoolhouders in Hattem in dezelfde positie als eiser verkeerden en dat de afsluiting van de Oude IJsselbrug geen voordeel heeft opgeleverd voor Zwolse rijschoolhouders met Hattemse leerlingen. Die leerlingen zouden ofwel van school worden gehaald en in Hattem moeten worden afgezet ofwel van school worden gehaald en daar weer moeten worden afgezet, aldus verweerder.

4.4 Eiser stelt dat 90% van zijn leerlingen afkomstig was en is uit Hattem en dat de meeste leerlingen (dus meer dan 50 %) Hattemse jongeren zijn die in Zwolle naar school gaan. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen wanneer hij stelt dat Zwolse rijschoolhouders in vergelijking met eiser veel meer mogelijkheden hadden om Hattemse jongeren in Zwolle van school te halen en aldaar weer af te zetten. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser aanvankelijk slechts heeft gesteld schade te zullen lijden als gevolg van minder effectieve lesuren en eerst naar aanleiding van het oordeel van de nadeelcompensatiecommissie dat andere Hattemse rijschoolhouders in een vergelijkbare positie zouden komen te verkeren, heeft gesteld dat potentiële leerlingen gedurende de afsluiting van de brug voor Zwolse rijschoolhouders zouden kiezen.

Nog daargelaten het antwoord op de vraag of potentiële rijschoolleerlingen zich bij de keuze van een rijschool laten leiden door de afsluiting van een brug (één van twee bruggen) gedurende dertien maanden, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het nadeel dat eiser heeft ondervonden als gevolg van de afsluiting van de brug niet onevenredig groot is in vergelijking met het nadeel dat andere (rijschool-) ondernemers zullen hebben ondervonden.

4.5 Namens eiser is in het bezwaarschrift gesteld dat verweerder ook de kosten van rechtsbijstand diende te vergoeden. Daarbij is onmiskenbaar gedoeld op de kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan het primaire besluit. Verweerder heeft daarop in het bestreden besluit gereageerd met de stelling dat de kosten in verband met de in de bezwaar-fase verleende rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Met verwijzing naar bovengenoemde uitspraken van 1 augustus 1997 onderschrijft de rechtbank hetgeen namens eiser met betrekking tot de dubbele redelijkheidstoets naar voren is gebracht. Nu verweerder evenwel terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie, komt aan eiser geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan het besluit in primo toe.

4.6 De conclusie moet dan ook zijn dat het bestreden besluit niet in strijd met een regel van geschreven of ongeschreven recht of enig rechtsbeginsel is genomen.

Voor een veroordeling in de proceskosten gemaakt in verband met het beroep acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als volgt.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. J.A. Lok, voorzitter, en mr. L. van Gijn en mr. K. van Duyvendijk, rechters, en door eerstgenoemde in het openbaar uitgesproken op 16 februari 1998 in tegenwoordigheid van de griffier.