Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:CA1636

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
597267 CV 12-599
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel overig, Faillissementsrecht. Vraag of alle handelingen ten behoeve van electronische betaling door de bank van de schuldenaar al waren verricht op het moment van faillietverklaring van de schuldenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknummer : 597267 CV 12-599

datum : 23 augustus 2012

Vonnis in de zaak van:

MR. PIETER MARIUS GUNNING,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap [eiser],

wonende te [plaats],

eisende partij, hierna de curator te noemen,

tegen

de coöperatie

[GEDAAGDE],

gevestigd te [plaats],

gedaagde partij, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde A.M.T. Weersink.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

De curator heeft gevorderd dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan de curator te betalen een bedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[Gedaagde] heeft verweer gevoerd.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist -mede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde producties- onder meer het volgende vast:

1.1

Op 7 februari 2011 heeft de (indirect) bestuurder van de besloten vennootschap [eiser] aan [bank 1], waar [eiser] een betaalrekening hield, via internet opgedragen van die rekening een bedrag van € 6.000,00 over te schijven op de door [gedaagde] bij [bank 2] aangehouden betaalrekening.

1.2

Voormeld bedrag is op 8 februari 2011 bijgeschreven op de bankrekening van [gedaagde] bij [bank 2].

1.3

Op 8 februari 2011 is [eiser] in staat van faillissement verklaard.

De standpunten van partijen

2.1.

Aan zijn vordering heef de curator ten grondslag gelegd dat in het licht van het fixatiebeginsel en de concursus creditorum het bedrag van € 6.000,00 door [gedaagde] dient te worden terugbetaald. Op 8 februari 2011 om 0.00 uur was het bedrag van € 6.000,00 namelijk nog niet uit het vermogen van [eiser] geraakt, omdat de betaling van dat bedrag toen nog niet voltooid was. Volgens artikel 6:114 BW is een betaling immers pas voltooid als het bedrag is bijgeschreven op de bankrekening van de begunstigde, terwijl in casu de bankrekening van [gedaagde] bij [bank 2] pas na 8 februari 0.00 uur is gecrediteerd. Ook het bepaalde in artikel 35 Fw. staat er aan in de weg dat het bedrag van € 6.000,00 het vermogen van [eiser] heeft verlaten. Op 8 februari 2011 waren immers nog niet alle handelingen, die voor een betaling door een schuldenaar nodig zijn, verricht. Niet alleen moest toen nog de bankrekening van [bank 2] gecrediteerd worden, ook de debitering van de bankrekening van [eiser] bij [bank 1] had toen nog niet plaatsgevonden. Dat bedrag is namelijk pas op 8 februari 2011 afgeschreven van die bankrekening. Voorts moest de [bank 2] toen nog gecompenseerd worden door

[bank 1] voor het te crediteren bedrag.

2.2

[Gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat de bankrekening van [eiser] bij [bank 1] op 7 februari 2011 is gedebiteerd. Op die datum om 15.53:09 uur is de overboekingsopdracht elektronisch verwerkt door [bank 1]. Op datzelfde moment is haar creditsaldo c.q. haar vermogen met hetzelfde bedrag verminderd. Daarmee waren alle handelingen, die vereist waren voor de debitering van die bankrekening, voltooid. Die opdracht kon op dat moment door [eiser] als opdrachtgever niet meer ongedaan worden gemaakt. Op 8 februari 2011 behoorde het betreffende bedrag dan ook niet meer tot het vermogen van [eiser]. De betaling aan [gedaagde] is dan ook niet in strijd met het fixatiebeginsel. Dat de creditering van de bankrekening van [gedaagde] bij [bank 2] met het bedrag van € 6.000,00 pas heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011, maakt dit volgens [gedaagde] niet anders.

De beoordeling van het geschil

Alvorens verder te beslissen, wordt de curator verzocht nader toe te lichten, liefst in chronologische volgorde, welke handelingen [bank 1] ter effectuering van de betaling precies en wanneer precies heeft verricht na ontvangst van de overboekingsopdracht van [eiser]. De curator wordt met name ook verzocht aan te geven wanneer precies [bank 1] de opdracht tot overboeking van het litigieuze bedrag aan [bedrijf 1] heeft verstrekt. Voorts wordt hij verzocht aan te geven wat hij precies verstaat onder “compensatie van [bank 2] door [bank 1] voor het te crediteren bedrag.” De curator wordt tenslotte verzocht aan te geven, voor zover mogelijk, wat [bedrijf 1] ter effectuering van de betaling heeft gedaan en of, en in hoeverre, De Nederlandsche Bank in de betaling een rol heeft gehad. De curator kan de gewenste informatie verschaffen bij akte op de na te melden rolzitting. Op de akte van de curator zal [gedaagde] vervolgens mogen reageren.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt de curator in de gelegenheid bij akte op de rolzitting van donderdag 20 september 2012 te 10.15 uur de hierboven genoemde informatie te verschaffen;

- bepaalt dat [gedaagde] op de akte van de curator zal mogen reageren op de rolzitting van donderdag 1 november 2012 te 10.15 uur;

- houdt verder iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van donderdag 23 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknummer : 597267 CV 12-599

datum : 29 november 2012

Vonnis in de zaak van:

MR. PIETER MARIUS GUNNING,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap [eiser],

wonende te [plaats],

eisende partij, hierna de curator te noemen,

tegen

de coöperatie

[GEADAAGDE]

gevestigd te [plaats],

gedaagde partij, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde A.M.T. Weersink.

De (verdere) procedure

Op 23 augustus 2012 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen. Vervolgens heeft de curator een akte genomen en [gedaagde] een antwoordakte. Daarop is de zaak verwezen naar de rol voor het wijzen van vonnis.

De (verdere) beoordeling

1.

In casu gaat het om een elektronische betaling door de schuldenaar, die pas na de aanvang van de dag der faillietverklaring van de schuldenaar is voltooid. Vaststaat immers dat de bijschrijving op de bankrekening van [gedaagde] bij [bank 1] van het door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde bedrag van € 6.000,00 pas heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011, de datum van faillietverklaring van [eiser]. In een dergelijk geval heeft de Hoge Raad in het arrest Vis q.q./NMB, 31 maart 1989, LJN AD0705 beslist dat het beginsel van artikel 23 Faillissementswet meebrengt dat de curator het aldus betaalde kan terugvorderen, indien de giro-instelling aan welke de overschrijvingsopdracht werd gegeven, bij de aanvang van de dag der faillietverklaring nog niet alle handelingen had verricht, die zij als opdrachtnemer van de schuldenaar ter effectuering van de betaling aan diens schuldeiser gehouden was te verrichten.

De vraag die dan ook beantwoord dient te worden is of [bank 2] vóór 8 februari 2011 te 0.00 uur alle door haar te verrichten handelingen ter effectuering van de aan haar door [eiser] gegeven betaalopdracht had verricht. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag, kan de curator jegens [gedaagde] geen aanspraak maken op betaling van een bedrag van

€ 6.000,00. Als die vraag ontkennend moet worden beantwoord, heeft hij die aanspraak wél. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

2.

Vooropgesteld wordt dat het feit dat de creditering van de [bank 1] rekening van [gedaagde] met een bedrag van € 6.000,00 pas heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011 niet relevant is. Die creditering betreft immers geen handeling die verricht moest worden door [bank 2] ter effectuering van de haar door [eiser] gegeven betaalopdracht.

De enige handelingen die door [bank 2] na ontvangst van de betaalopdracht op 7 februari 2011 te 15:53:09 uur ter effectuering van de betaalopdracht verricht dienden te worden, betroffen het afschrijven van de door [eiser] bij haar gehouden bankrekening met het bedrag van € 6.000,00 en het, kort gezegd, doorgeleiden van de betaalopdracht aan [bedrijf 1] ter, kort gezegd, verdere verwerking van die opdracht.

Wat betreft de afschrijving kan, anders dan de curator heeft, aangevoerd, niet worden volgehouden dat het bedrag van € 6.000,00 pas op 8 februari 2011 van de bankrekening van [eiser] bij [bank 2] is afgeschreven. Uit de door de curator als productie 6 overgelegde brochure “Binnenlands betalingsverkeer” van [bank 2] kan worden opgemaakt dat in casu de betreffende afschrijving heeft plaatsgevonden op 7 februari 2011. In dit verband wordt met name gewezen op hetgeen vermeld wordt onder het kopje “Binnenlands betalingsverkeer naar andere banken”. Daar staat onder meer: Betaalopdrachten die u ná 13.00 aanbiedt worden de volgende werkdag doorgeleid en verevend. Deze betaalopdrachten worden wel direct debet geboekt met valutadatum van de volgende werkdag. Immers, [bank 2] betaalt pas op de volgende werkdag aan de bank van de begunstigde. Tot deze dag blijft het geld valutair op uw rekening staan.” Ook wordt in dit verband gewezen op hetgeen vermeld wordt onder het kopje “Samengevat”. Onder het hieronder vermelde subkopje “Tijdslijnen van bij- en afschrijvingen van elektronische betaalopdrachten naar andere Nederlandse banken” wordt vermeld dat bij betaalopdrachten op maandag tot en met vrijdag ná 13.00 uur de verwerking van het saldo op de rekening direct plaatsvindt. Nu vaststaat dat de betaalopdracht aan [bank 2] door [eiser] op maandag 7 februari 2011 om 15:53:09 uur is gegeven, wordt ervan uitgegaan dat het bedrag van

€ 6.000,00 op dat tijdstip reeds van de bankrekening van [eiser] is afgeschreven. Het door [gedaagde] als productie 1 overgelegde boekingsstuk waarop als datum van debitering bij het bedrag van € 6.000,00 7 februari 2011 wordt vermeld, duidt daar ook op. Dat als valutadatum van de afschrijving de datum van 8 februari 2011 wordt aangehouden, is verder niet relevant. Het gaat er immers om welke handeling [bank 2] diende te verrichten ter effectuering van de aan haar door [eiser] gegeven betaalopdracht. Dat was onder meer het afschrijven van het bedrag van € 6.000,00 van de bankrekening van [eiser], hetgeen zij dus op 7 februari 2011 heeft gedaan.

Nu geconcludeerd wordt dat de door [bank 2] te verrichten afschrijving heeft plaatsgevonden op 7 februari 2011, dus vóór de aanvang van de dag van faillietverklaring van [eiser], wordt relevant het antwoord op de vraag wanneer precies de doorgeleiding door [bank 2] van de betaalopdracht aan [bedrijf 1] heeft plaatsgevonden.

Naar [gedaagde] in haar antwoordakte heeft aangevoerd is op het moment dat [eiser] op 7 februari 2011 om 15:53:09 uur de opdracht heeft verstrekt aan [bank 2] deze opdracht in de administratieve verwerking van [bedrijf 1] terecht gekomen. Waar zij deze wetenschap op baseert, stelt [gedaagde] echter niet. Zij heeft ook geen stukken overgelegd, waaruit dit te destilleren valt. Dit had van haar verwacht mogen worden; met name nu de curator gemotiveerd heeft betoogd dat de doorgeleiding van de betaalopdracht aan [bedrijf 1] pas heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011 en hij dit betoog geadstrueerd heeft met de voormelde brochure, die voldoende aanknopingspunten geeft voor de juistheid van zijn betoog. Die aanknopingspunten zij met name te vinden in hetgeen vermeld staat onder het kopje “Binnenlands betalingsverkeer naar ander banken”. Daar staat onder meer -gelijk hiervoor reeds is weergegven: “-Betaalopdrachten die u ná 13.00 aanbiedt worden de volgende werkdag doorgeleid en verevend. Deze betaalopdrachten worden wel direct debet geboekt met valutadatum van de volgende werkdag. Immers, [bank 2] betaalt pas op de volgende werkdag aan de bank van de begunstigde. Tot deze dag blijft het geld valutair op uw rekening staan.” Verder wordt verwezen naar hetgeen vermeld wordt onder het kopje “Voorbeeld 2” op pagina 3 van de voormelde brochure, in het bijzonder de zinsnede: “Indien u de betaalopdracht ná 13.00 uur heeft aangeleverd, leidt de [bank 2] uw opdracht de volgende werkdag door naar de bank van de begunstigde.”

Kortom, bij gebreke van een voldoende betwisting van de stelling van de curator dat de doorgeleiding van de betaalopdracht door [bank 2] naar [bedrijf 1] pas heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011, wordt van de juistheid van die stelling uitgegaan. Dit in aanmerking nemende, is dan ook niet komen vast te staan dat bij de aanvang van de dag van faillietverklaring van [eiser] -8 februari 0.00 uur- [bank 2] alle handelingen, die zij diende te verrichten ter effectuering van de aan haar door [eiser] gegeven betaalopdracht, had verricht.

3.

Nu [bank 2] bij de aanvang van de dag van de faillietverklaring van [eiser] nog niet alle handelingen ter effectuering van de aan haar door [eiser] gegeven betaalopdracht had verricht, kan de curator op grond van artikel 23 Faillissementswet aanspraak maken op terugbetaling door [gedaagde] van het aan haar door [eiser] betaalde bedrag van

€ 6.0000,00. Tot betaling van dit bedrag aan de curator zal [gedaagde] dan ook veroordeeld worden.

4.

Tegen de vorderingen tot betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten zijn geen afzonderlijke verweren gevoerd. Deze vorderingen worden dan ook toegewezen.

5.

[Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6.

De curator heeft aangeven dat hij er zich in kan vinden -gelet op het daartegen door [gedaagde] gevoerde verweer- als de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het te wijzen vonnis achterwege blijft. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 6.000,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten conform het bepaalde in het Rapport Voorwerk II alsmede met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 17 februari 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de curator begroot op:

€ 78,67 voor explootkosten,

€ 207,00 voor griffierecht en

€ 500,00 voor salaris gemachtigde;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van donderdag 29 november 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.