Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BZ3522

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
07-03-2013
Zaaknummer
07.696282-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging nu de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank is in deze van oordeel dat de overschrijding tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden omdat het pedagogische karakter van het straffen van de minderjarige na een periode van vier jaar na de pleegdatum geheel verloren is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/104

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.696282-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] [geboorteplaats],

wonende te [adres] [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft gedeeltelijk plaatsgevonden achter gesloten deuren op 11 december 2012 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W.A. Offermans, advocaat te Zeewolde.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kamper en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 augustus 2008 tot en met 13 november 2008 te Emmeloord, (althans) in de gemeente Noordoostpolder, meermalen, althans eenmaal,

met een jongen, genaamd [slachtoffer 1],[geboren in 1999], (althans) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, vastpakken van en/of krabben/kriebelen aan en/of voelen aan de penis van die [slachtoffer 1], en/of het laten maken van zogenoemde rijdende bewegingen door die [slachtoffer 1] op/tegen het lichaam van haar, verdachte;

2.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 augustus 2008 tot en met 13 november 2008 te Emmeloord, (althans) in de gemeente Noordoostpolder, meermalen, althans eenmaal,

met een jongen, genaamd [slachtoffer 2], [geboren in 2002], (althans) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, vastpakken van en/of krabben/kriebelen aan en/of voelen aan de penis van die [slachtoffer 2], en/of het laten maken van zogenoemde rijdende bewegingen door die [slachtoffer 2] op/tegen het lichaam van haar, verdachte;

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging van verdachte, nu sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe is het volgende aangevoerd:

De raadsman heeft gesteld dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op 8 oktober 2009, de dag van het verhoor van verdachte. Het eindvonnis dient, uitgaande van de termijn die de Hoge Raad heeft gesteld voor zaken waarbij het jeugdstrafrecht van toepassing is, te volgen binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. In casu zijn er geen bijzondere omstandigheden. In tegendeel het proces-verbaal is gesloten op 14 juni 2010. De redelijke termijn is derhalve overschreden. Voorts is de verdediging van mening dat het arrest van de Hoge Raad, waarin voornoemde termijn gesteld is, getoetst dient te worden aan artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Ter ondersteuning heeft de raadsman verwezen naar een tweetal uitspraken gepubliceerd onder de LJN nummers BV2783 en BM5292. Omdat het een jeugdstrafzaak betreft is de regel gegeven in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 LJN BD2578 niet van toepassing.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn maar dat dit ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 niet als gevolg heeft dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd wordt door vermindering van de op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Aanvang van de redelijke termijn

In het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000 LJN AA 7309, NJ 2000, 721 zijn algemene uitgangspunten en regels geformuleerd waarop de huidige rechtspraak terzake overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gebaseerd. Dit artikel inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat de verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Op het recht op berechting binnen een redelijke termijn kan echter inbreuk gemaakt worden door het tijdsverloop. De redelijke termijn begint te lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Zoals in eerdergenoemd arrest wordt vermeld dwingt, anders dan wel wordt aangenomen, artikel 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor het eerst gehoord is op 8 oktober 2009. Dit verhoor vond plaats in een kindvriendelijke studio nu verdachte ten tijde van het verhoor minderjarig was. In dit verhoor werd verdachte geconfronteerd met het feit dat zij verdacht werd van het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1 en 2]. De rechtbank is van oordeel dat het verhoor op een dusdanige wijze gevoerd werd dat verdachte in alle redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van voornoemde strafbare feiten door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn heeft daarmee een aanvang genomen op 8 oktober 2009.

Overschrijding van de redelijke termijn

Vuistregel is dat de strafzaak per instantie niet langer dan twee jaren mag duren. De Hoge Raad heeft deze vuistregel in het hiervoor vermelde arrest aangescherpt voor zaken waarin jeugdstrafrecht wordt toegepast. De behandeling van de zaak ter terechtzitting dient bij jeugdzaken, gelet op het bijzondere karakter van het jeugdrecht, in eerste aanleg afgerond te zijn met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. Bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen zijn hiervan uitgezonderd.

In de strafzaak die ter beoordeling voorligt, zijn tussen de aanvang van de redelijke termijn en de datum van het onderzoek ter terechtzitting 36 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een langer procesverloop rechtvaardigen. Integendeel, het eindproces-verbaal was reeds op 14 juni 2010 gesloten. De rechtbank is van oordeel dat er door de bevoegde autoriteiten niet voortvarend is gehandeld, terwijl een grotere voortvarendheid bij een minderjarige verdachte noodzaak is. De redelijke termijn eindigde in februari 2011, wat betekent dat de redelijke termijn met 22 maanden is overschreden.

Gevolg van overschrijding redelijke termijn

Zoals door de raadsman en de officier van justitie al is aangehaald, heeft de Hoge Raad in 2008 rechtsregels geformuleerd over het rechtsgevolg wat verbonden moet worden aan een inbreuk op artikel 6, eerste lid van het EVRM. Dit dient niet te leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie maar dient gecompenseerd te worden door de straf te verminderen die zonder termijnoverschrijding zou zijn opgelegd. In de formulering van uitgangspunten voor strafvermindering noemt de Hoge Raad in haar arrest echter niet de strafmodaliteit van jeugddetentie. Hieruit zou men af kunnen leiden dat de Hoge Raad de uitgangspunten voor strafvermindering in gevallen van een overschrijding van de redelijke termijn niet bedoeld heeft voor het jeugdstrafrecht.

De rechtbank neemt dit in ogenschouw en zoekt tevens aansluiting bij recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam waarbij voornoemde rechtsregel getoetst is aan het IVRK. Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen, de belangen van het kind in overweging genomen moeten worden. Dit pedagogische karakter is tevens het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht. Het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht houdt in dat bestraffing zo kort mogelijk na het begaan van een strafbaar feit dient te volgen. Deze strafrechtelijke reactie moet daarnaast ook doeltreffend en op maat zijn. Naarmate deze reactie langer op zich laat wachten, zal het pedagogische effect geheel komen te vervallen. In het geval van verdachte, die ten tijde van het eerste verhoor 15 jaar was en op een niveau van een 7- dan wel 8 jarige functioneerde is naar het oordeel van de rechtbank na een periode van 4 jaar na de pleegdata het pedagogische karakter van straffen geheel verloren gegaan. Overigens is het in het kader van een voortvarend procesverloop tevens laakbaar dat de persoon [X] niet gehoord is als getuige. Het thans alsnog horen van deze getuige lijkt niet erg zinvol omdat herinneringen in de loop der tijd plegen te vervagen. In die zin is de verdediging geschaad. De verdediging heeft daarnaast, zo bleek ter terechtzitting, bewust afgezien van het laten inschakelen van een deskundige voor het toetsen van de betrouwbaarheid van de studioverhoren. Dit omdat de verdachte de voorkeur gaf aan het nu eindelijk eens duidelijkheid krijgen over de afloop van de onderhavige strafzaak, boven verder uitstel van de procedure. Het feit dat de verdediging deze, op zich begrijpelijke, keuze heeft moeten maken, geeft ook al aan dat de verdediging, door het zeer lange tijdsverloop, de verdediging niet volledig heeft kunnen inrichten zoals haar dat wenselijk voor kwam.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht ertoe leidt dat de officier van justitie in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging.

4 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Fijnheer, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. R.M. van Vuure en M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2012.

Mr. Iedema voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.