Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BZ0215

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
07/682052-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; Opiumwetfeiten; diefstal elektriciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.682052-11 (P)

Uitspraak: 20 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres en plaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.M. von Bartheld, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 21 december 2010 te Deventer, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/woning aan de [adres] te Deventer) een hoeveelheid van (in totaal) 822 gram hennep en/of ongeveer 533 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 21 september 2010 te Deventer, gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] te Deventer heeft weggenomen in totaal (ongeveer) 49.431 kWh elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, en/of inklimming.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich omtrent de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Naar aanleiding van een melding uit de buurt omtrent overlast van een hennepkwekerij is op 21 december 2010 een onderzoek ingesteld op de mogelijke aanwezigheid van hennepkwekerij in het perceel [adres] te Deventer. Bij het betreffende perceel hoorde de verbalisant het constante gezoem van een ventilator alsmede rook verbalisant een hennepgeur.

Na binnentreden bleek op voornoemd adres een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig te zijn met in totaal 533 hennepplanten.

Voorts werden in de kelder droogrekjes gevonden waarop resten van hennepbladeren en toppen te zien waren. Vervolgens werden in de kelder 2 rekjes aangetroffen waarop wiet lag te drogen met een totaalgewicht van 822 gram.

De aanwezige planten en henneptoppen zijn bemonsterd en onderzocht. Uit de rapportage van de politie IJsselland blijkt dat de monsters bestonden uit Cannabis en/of Cannabis bevatten.

Bij nader onderzoek van de meterkast werd door een medewerker van Enexis tot slot geconstateerd dat de stroom ten behoeve van de kwekerij vóór de meter, en derhalve illegaal werd afgenomen.

Verdachte heeft bij de politie een bekennende verklaring afgelegd omtrent beide ten laste gelegde feiten.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij geld kreeg van verdachte om het huis te beschermen. Hij controleerde de lampen en gaf de planten water.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- Het proces-verbaal van bevindingen van politie IJsselland inzake het aantreffen van de

hennepkwekerij ;

- Het proces-verbaal expertiseverslag politie IJsselland ;

- De bekennende verklaring van verdachte bij de politie IJsselland ;

- De aanvullende verklaring van verdachte bij de politie IJsselland ;

- De aangifte door Enexis en de

- de verklaring van medeverdachte N. [medeverdachte] .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 september 2010 tot en met 21 december 2010 te Deventer, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/woning aan de [adres] te Deventer) een hoeveelheid van (in totaal) 822 gram hennep en ongeveer 533 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij meerdere momenten in de periode van 1 september 2010 tot en met 21 september 2010 te Deventer, gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] heeft wegenomen in totaal (ongeveer) 49.431 kWh elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

1.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 3, onder B van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 3, onder C van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking,

strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren. De officier van justitie acht voornoemde straf passend mede gezien de omstandigheid dat na sluiting van het politieonderzoek bijna 2 jaren zijn verstreken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit verdachte een gevangenisstraf op te leggen die voor dit delict door het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt is genomen, te weten zes weken gevangenisstraf en deze om te zetten in een taakstraf. Voorts heeft de raadsman van verdachte aangevoerd de straf, welke door de officier van justitie is geëist, een redelijke te vinden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij een actieve rol heeft gespeeld bij het vervaardigen van softdrugs. Het is algemeen bekend dat drugs een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid en dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. Het meewerken aan de handel in deze verdovende middelen vormt aldus een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

De rechtbank zal in strafverminderende zin meewegen dat verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven en de illegaal afgenomen elektriciteit reeds aan [bedrijf]. heeft terugbetaald.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat sinds de sluiting van het politieonderzoek, bijna 2 jaren zijn verstreken. De rechtbank zal het voornoemde in strafverminderende zin mee laten wegen in de op te leggen straf.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in plaats van een gevangenisstraf, oplegging van een werkstraf een passende sanctie is.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van

80 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. S.M. Milani en H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2012.

Mrs. Harmeijer en Van den Hoek, voornoemd, waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.