Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY8903

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
07/996566-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vuurwerk professioneel illegaal strafmaat promis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnummer: 07.996566-11 en 08.994505-11 (tul) (P)

Uitspraak: 11 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [datum],

wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2012 en 27 november 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. W. Frank.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte al dan niet opzettelijk, in of omstreeks de maand september 2011 in de gemeente Wierden en/of (elders) in Nederland, een hoeveelheid professioneel vuurwerk, (bestaande uit -ongeveer- 125 stuks Rzymskie Ognie, 240 stuks Petarda Match Mega, 350 stuks Rak. Bang en/of 1000 stuks Petarda Bang TXP825), bestemd voor particulier gebruik,

en/of op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2011 t/m 6 december 2011, te Sibculo in de gemeente Hardenberg en/of (elders) in Nederland, een hoeveelheid (ongeveer 1111 kg) professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, waaronder

(24) vuurpijlen -die niet waren voorzien van een aanduiding omtrent geschiktheid voor particulier gebruik, de te verwachten effecten, een Nederlandse gebruiksaanwijzing-,

en/of

(11) flowerbeds -waarvan het gewicht meer dan 10 kg bedroeg en die niet waren voorzien van de aanduiding "niet geschikt voor particulier gebruik" en geen Nederlandse gebruiksaanwijzing bevatten-,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld;

2.

verdachte op of omstreeks 25 augustus 2010 en/of 27 september 2010 en/of 12 oktober 2010 en/of 28 oktober 2010 en/of 22 december 2010 en/of 23 december 2010, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 t/m 23 december 2010, in de gemeente Enschede en/of Wierden en/of (elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk een hoeveelheid (ongeveer 504 kg) professioneel vuurwerk, te weten een aantal pakketten KrachmeN type FP3X -waarvan de lading niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit- bestemd voor particulier gebruik, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld.

VOORVRAGEN

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, net als ter terechtzitting van 6 maart 2012, primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering hieraan stelt en dat de dagvaarding om die reden nietig dient te worden verklaard. Volgens de raadsman is niet duidelijk welke specifieke gedragingen zijn cliënt worden verweten met betrekking tot de genoemde stukken vuurwerk in het eerste deel van feit 1 op de tenlastelegging, waarvan niet eens duidelijk is of dit wel vuurwerk betreft. In het tweede deel van feit 1 mist de raadsman een feitelijke uitwerking van het begrip “professioneel vuurwerk voor particulier gebruik” en is evenmin duidelijk tot welke partijen vuurwerk het gewicht van 1.111 kilogram is te herleiden. De raadsman heeft betoogd dat het op basis van deze tenlastelegging wederom onduidelijk is tegen welke feitelijkheden zijn cliënt zich moet verdedigen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie voor feit 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op basis van het ne bis in idem beginsel ex artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Op 8 november 2011 is zijn cliënt door de Rechtbank Almelo veroordeeld in de zaak met parketnummer 08.994505-11 voor het ter beschikking stellen en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, gepleegd op 28 oktober 2010. Volgens de raadsman is het verband tussen de door de Rechtbank Almelo bewezen verklaarde gedragingen en het onder 2 ten laste gelegde zodanig dat er met betrekking tot de gelijktijdigheid en de wezenlijke samenhang in handelen en schuld sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire verweer van de raadsman dient te worden verworpen. Sinds de wijziging van het Vuurwerkbesluit op 4 juli 2010 kan worden volstaan met een tenlastelegging zoals vermeld op de dagvaarding die aan verdachte is uitgereikt. Deze tenlastelegging voldoet volgens de officier van justitie aan de vereisten van dat besluit.

Voor wat betreft het totaalgewicht van 1.111 kilogram vuurwerk verwijst de officier van justitie naar de terechtzitting van 12 november 2012 waarin de rechtbank er ter zitting blijk van heeft gegeven eenvoudig te kunnen herleiden op welke wijze dit totaalgewicht is vastgesteld.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie gesteld dat er, in verband met de eerdere vervolging en veroordeling bij de Rechtbank Almelo geen niet-ontvankelijkheid dient te volgen, maar een vrijspraak voor het ten laste gelegde voor zover het betreft de data vóór 22 december 2010.

Het oordeel van de rechtbank

Nietigheid dagvaarding

Op grond van artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de uitleg van deze bepaling voortdurend in het oog moet worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De eis van “opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk moet zijn. Eén van de factoren die een rol speelt bij het begrip “duidelijk en begrijpelijk” is de vraag of er bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen verdachte worden verweten.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige tenlastelegging in samenhang met het dossier voldoende duidelijk en begrijpelijk is. Ter terechtzitting van 12 november 2012 heeft de rechtbank vastgesteld dat de onderdelen genoemd in feit 1 zijn te herleiden tot ondermeer de pagina’s 25, 26, 33 tot en met 35 en 97 tot en met 100 van het dossier ‘[naam]’ . Zo blijkt uit het dossier dat het materiaal zoals staat vermeld in het eerste deel van feit 1 op de tenlastelegging afkomstig is uit de schaftkeet en de 1.111 kilogram bestaat uit de in Ulicoten door de politie aangeboden en onderzochte partij vuurwerk, afkomstig uit de [merk] bus. De 504 kilogram Krachmen in feit 2 is te herleiden tot onder meer de pagina’s 14, 138 en 139 van het dossier van Regiopolitie Twente . Het verweer van de raadsman op dit onderdeel wordt dan ook verworpen. Van de overige punten die de raadsman omtrent de nietigheid van de dagvaarding naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat die betrekking hebben op de bewijsvraag. Deze zullen, indien noodzakelijk, aan de orde komen bij de behandeling van het bewijs.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 8 november 2011 door de rechtbank te Almelo is veroordeeld voor een deel van hetgeen thans onder feit 2 in de periode tot en met 28 oktober 2010 is tenlastegelegd. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de volgorde van de vragen van artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering dit dient te leiden tot partiële niet-ontvankelijkheid in plaats van partiële vrijspraak. Dit geldt ook voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verboden vuurwerk in de periode tot en met 28 oktober 2010. De rechtbank acht deze gedraging namelijk dermate samenhangend en verweven met het feitencomplex waarin de rechtbank Almelo reeds vonnis heeft gewezen dat een vervolging hiervoor niet opportuun is.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie met betrekking tot de in feit 2 ten laste gelegde gedragingen op 22 en 23 december 2010 ontvankelijk is in de vervolging

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie – gelet op het voorgaande – ontvankelijk is in de vervolging, met uitzondering van feit 2 voor zover het de ten laste gedragingen van vóór 22 december 2010 betreft, en dat er voorts geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het ten aanzien van verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen onder 1 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het eerste deel van dit feit is de rechtbank, bij gebreke aan bewijsmiddelen die dit onderbouwen, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. Ten aanzien van het tweede deel van dit feit acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte wist dat zijn broer [medeverdachte 1] illegale zaken in de bus vervoerde vanuit Tsjechië naar Nederland, maar deze enkele wetenschap is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Overig onderbouwend bewijs in het dossier ontbreekt. [medeverdachte 1] heeft verklaard in Tsjechië alleen op pad te zijn geweest voor de aankoop van het vuurwerk, zonder dat zijn vader en broer [verdachte] dit wisten, dit op de markt te hebben ingeladen in zijn bus en het daarna te hebben afgedekt zodat het voor anderen niet zichtbaar was. Verdachte heeft verklaard ervan niet op de hoogte te zijn geweest dat [medeverdachte 1] vuurwerk heeft gekocht in Tsjechië. Feiten die het tegendeel onderbouwen blijken niet uit het dossier. Het feit dat er, ter hoogte van de Nederlandse grens, telefoonverkeer is geweest tussen verdachte, zijn vader [medeverdachte 2] en zijn broer [medeverdachte 1] op verzoek van [medeverdachte 1] “om te kijken of de kust veilig was” onderbouwt een bewuste en nauwe samenwerking met betrekking tot invoer van het vuurwerk evenmin toereikend. Dit geldt evenzo voor de verklaring van verdachte dat hij wel vermoedde dat [medeverdachte 1] iets illegaals in zijn bus vervoerde. Van medeplegen tussen verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] is de rechtbank onvoldoende gebleken. De verdachte zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 30 juni 2011 verklaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden werkzaam bij de Dienst executieve ondersteuning, bureau Milieu en bijzondere wetten, regionaal bureau Milieu van de Regiopolitie Twente onder meer:

(…) Op woensdag 22 december 2010 komt er bij de regiopolitie Twente afdeling milieu telefonisch de melding binnen dat er vuurwerk was aangetroffen in een te bestellen postpakket bij de firma [bedrijf] te Enschede. (…) Op de pallet stonden 32 pakketten, allen gelijk, allen in zwart plastic verpakt. Alle pakketten waren voorzien van een adreslabel met als ontvanger [VERDACHTE], tel.nr [nummer]. Wij zagen dat er aan de bovenzijde van de bovenste laag een pakket beschadigd was. Wij zagen dat de inhoud bestond uit doosjes met opschrift. KRACHMEN FX3P. Wij herkenden het opschrift als het opschrift van een stuk vuurwerk, welk stuk vuurwerk bij de controle door het NFI als een stuk vuurwerk is omschreven als niet geschikt voor particulier gebruik, wat niet voldoet aan de eisen gesteld in de regeling aanwijzing consumentenvuurwerk en volgens de defaultlijst op lijst 1 geplaatst zou moeten worden. (…) Bij zijn verklaring overhandigde de heer [persoon 1] een lijst met eerdere leveringen op het adres [adres]. Volgens de heer [persoon 1] waren het allemaal bezorgingen van gelijk uitziende zwarte pakketten, gelijk aan die pakketten die wij op 22 december 2010 hebben aangetroffen. (…)

In het proces-verbaal aanhouding, binnentreding, inverzekeringstelling staan dat de pleegdatum is 23 december 2010. Dat is abusievelijk vermeld. De juiste pleegdatum van het feit is 22 december 2010. (…)

Op 22 december 2010 heeft [verbalisant 1], brigadier, Bureau Milieu, Regiopolitie Twente, onder meer verklaard:

(…) Inbeslagneming

Plaats : Enschede

Datum : woensdag 22 december 2010 (…)

Reden : vuurwerk is in Enschede aangetroffen als pakketpost voor de verdachte [verdachte]

Beslag

Onder een onbekende persoon (…)

Uniek goednummer : [nummer] (…)

Object : Vuurwerk

Aantal / eenheid : 504 kg

Kleur : Zwart (…)

Eigenaar

Achternaam : [verdachte] (…)

Op 23 december 2010 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie onder meer het volgende verklaard:

(…) Ik kan u vertellen dat ik voor anderen vuurwerk heb besteld in Polen. Mijn zoon [verdachte] heeft namelijk met vuurwerk gedaan. (…) Omdat mijn zoon [verdachte] geen ruimte had bij hem thuis en ik een garage had, werd besloten dat ik het bestelde vuurwerk bij mij thuis liet komen. (…) Ik heb inmiddels twee zendingen ontvangen. Per zending heb ik voor de moeite een bedrag van € 500 ontvangen. De derde zending is nog niet binnengekomen. (…) Alle zendingen waren in zwarte folie verpakt. Dat was telkens op dezelfde wijze. Ik weet niet precies hoe zwaar een doos was. Ze waren zwaar. (…) Ik weet wel dat het vuurwerk is wat niet verkocht mag worden in Nederland, want anders had je dit vuurwerk niet in Polen hoeven te bestellen.(…)

Op 24 december 2010 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie onder meer het volgende verklaard:

(…) Het vuurwerk werd namelijk besteld door [verdachte]. Dat gebeurde via internet. Hij heeft mij in ieder geval verteld dat hij het vuurwerk besteld had. Ik weet dat het vuurwerk door hem in Polen is besteld. (…) Ik weet dat die Poolse handelaar alleen vuurwerk van het type Krachmen mag verkopen. (…) Ik heb toen met hem afgesproken dat [verdachte] het vuurwerk kon bestellen in Polen, waarbij mijn adres voor de aflevering werd gebruikt. U toont mij een pakje met nitraat vuurwerk van het type Krachmen. Dit is het vuurwerk waarover ik verklaard heb en wij telkens hebben besteld uit Polen. (…) U laat mij een adres etiket zien waarop mijn naam en adres staat. Ik herken dit etiket als het etiket dat op elke doos met vuurwerk was geplakt. (…) U verklaart mij dat we nog veel meer hebben afgeleverd, in totaal 59 dozen. Van de overige 35 dozen kan ik verklaren dat ze links en rechts aan [medeverdachte] en alleman zijn verkocht.(…)

Op 9 februari 2011 heeft verdachte bij de politie onder meer het volgende verklaard:

(…) Vraag: klopt het dat u samen met uw vader en uw broer [medeverdachte 1] de vuurwerkhandel drijft. Antwoord: wel met mijn vader maar niet met [medeverdachte 1]. (…) Vraag: waarom laat u het vuurwerk op het adres van hun vader [adres] komen. Antwoord: omdat het bij mijn vader makkelijker te verladen was. Bij mij moet men voor de deur op straat alles uitladen. Dat was bij mijn vader eenvoudiger. (…) Ik wil alleen nog zeggen dat ik de Krachmen heb verkocht. Hiervoor ben ik gepakt in Arnhem. Ik wist dat mijn vader nog een aantal zendingen vuurwerk zou krijgen. Ik heb mijn vader gezegd dat ik hem nog wel wat jongens wilde sturen welke bij hem vuurwerk zouden willen kopen maar verder wilde ik mij er niet meer mee bemoeien. (…)

Op 22 december 2010 heeft getuige [persoon 1] bij de politie onder meer het volgende verklaard:

(…) Ik werk als logistiek medewerker bij [bedrijf] en wel op filiaal 07[nummer], dat is Enschede. (…) [BEDRIJF] is een transportbedrijf, wat over heel Europa bezorgt,, verzendt en transporteert. (…) In Polen zijn wij ook actief. (…) Bij dat scannen zag de chauffeur vanmorgen dat er een pakket bij zat, waarvan de verpakking kapot was gegaan. De chauffeur zag dat er vuurwerk in zat. (…) Volgens de begeleidende vrachtbrief betrof het een zending bestemd voor [verdachte], [adres]. (…) Op dit adres hebben we de laatste vijf maand vier soortgelijke zendingen gehad. Het waren gelijksoortige gewichten, gelijke afzender, gelijke routing, twee maal een ontvanger [persoon 2] en twee maal [verdachte]. De ontvangst is door [verdachte] afgetekend. (…) Eigenlijk hadden de pakketten op basis van het gewicht een andere routing moeten hebben, want bij controle bleek dat de opgegeven 15 kilogram per pakket, in werkelijkheid 42 kilogram was. (…)

In een proces-verbaal van bevindingen verklaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], respectievelijk inspecteur en brigadier, Bureau Milieu, Regiopolitie Twente, onder meer:

(…) Op woensdag 22 december 2010 kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1], van de heer [persoon 1], medewerker transportbedrijf / pakketdienst [BEDRIJF], gevestigd te Enschede, Transportcentrum [nummer], telefonisch de mededeling dat men bij het bedrijf [BEDRIJF] voornoemd een aantal pakketten had ontvangen die vermoedelijk vuurwerk bevatten. (…) Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben die zelfde dag ter plaatse gegaan. (…) Hij toonde mij de partij van 12 dozen binnen het bedrijf [BEDRIJF] die vermoedelijk allemaal vuurwerk bevatten. Ik zag dat op de dozen het afleveradres stond van [verdachte], [adres]. (…) Tevens deelde de heer [persoon 1] mij mee dat het bedrijf [BEDRIJF] al meerdere keren dezelfde soort dozen had afgeleverd op het adres [adres]. [persoon 1] overhandigde mij een aantal lijsten waarop deze afleveringen stonden vermeld. (…)

Op 16 januari 2012 heeft [verbalisant 1], brigadier, Bureau Milieu, Regiopolitie Twente, onder meer verklaard:

(…) In het ingestuurde proces-verbaal wordt genoemd als aangetroffen vuurwerk de Krachmen FX3P. Dit is een verschrijving. Overal waar in het door mij opgemaakt proces-verbaal staat Krachmen FX3P, dient te worden gelezen Krachmen FP3X. De bijbehorende deskundigheidverklaring wordt bij dit proces-verbaal meegestuurd. (…)

Op 13 december 2010 heeft ing. E.M. Kok, NFI-deskundige Explosies en Explosieven, onder meer verklaard:

(…)

Tabel 1 Ontvangen materiaal

In dit rapport Omschrijving politie

gebruikt nummer

1.001 3 stuks knalvuurwerk met lont, merk KrachmeN type FP3X

(…) 5 Interpretatie onderzoeksresultaten

5.1 Typering

(…) Onder de aanname dat het ontvangen materiaal [1.001] bedoeld is voor vermakelijkheidsdoeleinden kan het, gezien de opbouw van de cilinder en de aard van de lading, worden getypeerd als vuurwerk.

5.2 Toetsing ‘oude’ regels

(…) Zwart buskruit is volgens de definitie uit artikel 1 onder c van de RNEV 2004 ‘een mengsel van houtskool en natriumnitraat of kaliumnitraat met of zonder zwavel…’.

De samenstelling van de onderzochte lading van ontvangen materiaal [1.001] voldeed niet aan deze definitie. (…)

5.3 Toetsing ‘nieuwe’ regels

Gezien de opbouw zijn de belangrijkste te verwachten effecten, na ontsteken van het ontvangen materiaal [1.001], een enkelvoudige knal en een flits. Gezien de opbouw en deze effecten is het ontvangen materiaal daarom in te delen in de categorie flash banger volgens de geharmoniseerde norm 15947-2.

Flash bangers zijn door de minister niet vermeld in bijlage I of II van de RACT. Het is dus geen aangewezen vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Zoals in §5.2 al is vermeld, voldoet het eveneens niet aan de RNEV2004 en daarmee valt het ook niet onder de overgangsregeling.

Gezien het bovenstaande betreft het ontvangen materiaal [1.001] professioneel vuurwerk. (…)

6 Conclusie

Op grond van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd:

1a. Het ontvangen materiaal [1.001] betreft vuurwerk dat niet voldoet aan de eisen die worden gesteld in artikel 9 lid 1, jº bijlage III, en wel voldoet aan de eisen die worden gesteld in artikel 3, jº bijlage II van de RNEV 2004. (…)

2. Het ontvangen materiaal [1.001] betreft professioneel vuurwerk, zoals bedoeld in het huidige Vuurwerkbesluit. (…)

De rechtbank acht op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 22 december 2010 504 kilogram, namelijk 12 pakketten van 42 kilogram, aan professioneel vuurwerk, namelijk KrachmeN type FP3X, samen met zijn vader [medeverdachte 2] , binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Dat ter typering van het vuurwerk in deze 12 pakketten gebruik is gemaakt van de NFI-rapportage van 13 december 2010 die betrekking heeft op het vuurwerk waarvoor verdachte eerder in Almelo is veroordeeld doet aan het voorgaande niet af. Uit diverse verklaringen blijkt dat verdachte juist dit soort vuurwerk –KrachmeN FP3X–, in soortgelijke bezorgingen van gelijk uitziende (zwarte) pakketten meermalen vanuit het buitenland naar Nederland heeft gehaald. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft dit in zijn verklaringen bij de politie bevestigd.

Op geen enkele manier is derhalve aannemelijk geworden en ook is hoogst onwaarschijnlijk te achten dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van een ander soort nitraatklappers dat wel voldoet aan het criterium dat de lading uitsluitend mag bestaan uit zwart buskruit. Ter nadere onderbouwing verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 7 februari 2012 .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

2.

verdachte op 22 december 2010, in de gemeente Enschede en/of Wierden en/of (elders) in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid (ongeveer 504 kg) professioneel vuurwerk, te weten een aantal pakketten KrachmeN type FP3X -waarvan de lading niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit- bestemd voor particulier gebruik, tezamen en in vereniging met een ander, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat de verdachte veroordeeld zal worden tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 3 maanden en tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Almelo van 8 november 2011.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging, bepleit dat de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, zoals geadviseerd door de reclassering, maar zal volstaan met een werkstraf en verlenging van de proeftijd ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft als particulier een grote hoeveelheid vuurwerk in het buitenland besteld en naar Nederland laten bezorgen, welk vuurwerk niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen. Bedoeld vuurwerk valt onder de categorie 'verboden vuurwerk' en heeft over het algemeen een veel zwaardere lading dan toegestaan consumentenvuurwerk. Dergelijk vuurwerk is gevaarlijk, veroorzaakt niet zelden letsel en schade en brengt als zodanig de samenleving ernstig in gevaar. Daarnaast brengt ook de wijze waarop het vuurwerk in Nederland is gekomen, namelijk via een transportbedrijf dat niet in het bezit was van een vergunning om gevaarlijke stoffen te mogen vervoeren, grote veiligheidsrisico’s voor de betreffende werknemers met zich mee.

De rechtbank heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van onder meer soortgelijke feiten.

Gezien de ernst van het feit acht het de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Ten aanzien van de te bepalen hoogte van deze straf is van belang dat 1 van de 2 tenlastegelegde feiten bewezen wordt verklaard, en daarmee het uitgangspunt van de rechtbank anders ligt dan de eis van de officier van justitie die op 2 feiten stoelt. De rechtbank weegt voorts in het kader van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht mee dat verdachte op 8 november 2011 door de meervoudige economische strafkamer is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een werkstraf van 240 uren.

Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In het reclasseringsadvies van 29 mei 2012 wordt aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ongewenst is gezien de psychische gesteldheid van verdachte, de zorgen die er zijn rondom de dochter met wie verdachte een nauwe band heeft en voor wie de aanwezigheid van verdachte van groot belang is, en de uitvoering van de plannen zoals die er nu liggen binnen het – recent gestarte – toezicht, dat de reclassering graag wil voortzetten.

Deze omstandigheden in aanmerking genomen zal de rechtbank de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen en daarnaast een werkstraf opleggen van na te melden duur, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf dient om te voorkomen dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten begaat.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1a en 2 van de Wet op de economische delicten en artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank zal de vordering tenuitvoerlegging van de door de rechtbank Almelo bij vonnis van 8 november 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden afwijzen, aangezien de onderhavige veroordeling voor het onder feit 2 bewezen verklaarde niet is gepleegd binnen de proeftijd van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf in voormeld vonnis van de rechtbank Almelo, nu dit feit vóór de ingangsdatum van die proeftijd ligt.

BESLISSING

Het onder 1 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 2 voor de gedragingen die betrekking hebben op de periode tot en met 28 oktober 2010.

Het onder 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De rechtbank veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden die niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 08.994505-11 bij vonnis d.d. 8 november 2011 van de meervoudige economische strafkamer te Almelo voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. L.J. Bosch en G. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2012.

mr. Neppelenbroek voornoemd is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.