Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY8760

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
184223 / HL ZA 11-460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat in 2009 tussen eiseres en gedaagde een overeenkomst tot stand is gekomen die strekt tot levering van 50% van de aandelen in het kraamzorgcentrum, waarvan gedaagde nu alle aandelen houdt, en het invullen van een bestuurlijke rol in het kraamzorgcentrum. Subsidiair stelt eiseres dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen af te breken en uiterst subsidiair dat gedaagde onrechtvaardig is verrijkt.

De rechtbank stelt vast, dat eiseres, gedaagde en een derde partij in 2009 de intentie hadden uitgesproken om gezamenlijk een onderneming in de kraamzorg te starten. Begin januari 2000 heeft de derde partij zich teruggetrokken uit de onderhandelingen. Eiseres en gedaagde behielden de intentie, maar de onderhandelingen lagen stil en zijn eerst in juli 2010 hervat.

Op geen enkel moment was er sprake van een overeenkomst; er moest nog over essentiële punten onderhandeld worden. Om diezelfde reden was het niet onrechtmatig dat gedaagde in september 2010 de onderhandelingen heeft afgebroken. Eiseres had vergoedingen ontvangen voor werkzaamheden en voor winst. Gedaagde is niet ongerechtvaardigd verrijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 184223 / HL ZA 11-460

Vonnis van 19 december 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.R. Kolthof te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.W.A. Ringeling te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 10 augustus 2011,

- het tussenvonnis van 21 september 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2011, en de daaraan gehechte

pleitaantekeningen,

- de op 29 december 2011 verzonden brief van de zijde van [gedaagde] inhoudende aanvulling

van het proces-verbaal in verband met drie onvolledigheden,

- de op 4 januari 2012 verzonden brief van de zijde van [eiseres] met het verzoek tot

het toepassen van een viertal wijzigingen,

- akte wijziging van eis van 11 januari 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds 12 november 2007 staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel de voor rekening van [gedaagde] gedreven eenmanszaak met de handelsnaam [naam] en met de bedrijfsomschrijving ‘kraamzorgcentrum’. In mei 2009 is een tweede handelsnaam bij de Kamer van Koophandel ingeschreven, te weten [naam]. De diverse ten behoeve van het kraamzorgcentrum gesloten overeenkomsten stonden op naam van [naam].

2.2. [eiseres], [gedaagde] en [A] (hierna te noemen: [A]) hebben in het voorjaar van 2009 de intentie uitgesproken om gezamenlijk een onderneming in de kraamzorg te zullen starten.

2.3. In de notulen behorende bij het overleg van 22 maart 2009 is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“(…)Agenda: Intentie oprichting Kraambureau [naam]: (…) Voorstel: Voor het begin van 2009 vestiging [naam] in de eenmanszaak van [gedaagde], is inmiddels bijgeschreven in de KvK. [eiseres] en [A] komen in loondienst (…) Risico van de van onderneming ligt in 2009 voor 100% bij [gedaagde]. (…) Kraambureau [naam] wordt omgezet in een zelfstandige BV. (…) [gedaagde] wordt DGA (minimaal 2/3 deel) De BV moet de DGA een verplicht salaris toekennen. Dit bedrag is minimaal 40.000 euro bruto per jaar, dit komt overeen met het salaris in loondienst van [eiseres] en [A]. Afhankelijk van het moment van oprichting van de bv omzet/winst uit onderneming kan 1/3 deel van de aandelen evenredig verdeeld worden tussen [A] en [eiseres]. (…) [A] en [eiseres] laten privé nog een keer goed naar dit voorstel kijken. Of zij zich ook in de toekomst kunnen vinden in deze constructie. Tot aan de definitieve oprichting van de BV, behoud een ieder zich het recht, om zich terug te trekken aan de intentie van deze samenwerking. (…)”

2.4. In de notulen van het overleg van 27 augustus 2009 is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“(…) 9) Bedrijfsvorm

Wordt naar aanleiding van de begroting besloten; waarschijnlijk 1 BV met 3 Holdings. (…)”

2.5. Over het jaar 2009 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een winstuitkering ten bedrage van € 19.125,00 uitbetaald.

2.6. Eind 2009 is een conflict ontstaan met [A]. In het e-mailbericht van [A] aan de kraamverzorgenden van 4 januari 2010 is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“Beste kraamverzorgenden, (…) maart vorig jaar zijn we samengekomen bij [eiseres]. [eiseres] [gedaagde] en ik hadden besloten om samen een kraambureau te starten [naam]. (…) Vandaag heeft [gedaagde] mij medegedeeld dat [naam] op haar naam blijft staan en zij dus de eigenaar is en blijft. Dit is niet volgens de belofte die wij aan elkaar en aan jullie hebben gemaakt. (…)”

2.7. In de brief van 10 februari 2010 van [gedaagde] aan mr. C.G.J. van Oppen, de advocaat van (in ieder geval) [gedaagde] in het conflict met [A], is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“(…) Begin 2009 hebben mw. [eiseres] en mw. [A] (…) mij benaderd en gevraagd een vestiging te openen in Amsterdam. Gezien de onervarenheid als ondernemers van mw. [eiseres] en [A] en de zakelijke risico’s die op dat moment nog niet helder waren hebben we de volgende afspraken gemaakt mondeling. (…)

[gedaagde] [gedaagde] is eigenaar en directeur van de onderneming [gedaagde] kraamzorg en de vestiging [naam]. Alle contracten met de loondienst medewerkers overeenkomsten met zzpers en de zorgverzekeraars plus financiële risico’s, onkosten, huur contract, komen voor rekening van [gedaagde]. De inbreng/goodwill/ en ijver/arbeid ten behoeve van de vestiging de [naam] van [A] en [eiseres] stond hier met gesloten beursen tegenover. (…) We hadden de intentie om met ingang van 2010 een vorm van ondernemerschap te vinden waarbij zowel mw. [A] en mw. [eiseres] als gelijkwaardige partners voor de vestiging [naam] zouden werken. Hiervoor hebben wij ook externe coaches ingeschakeld. Vanaf oktober 2009 zijn we zoals afgesproken met elkaar in onderhandeling gegaan, waar helaas geen nieuwe samenwerking of een gezamenlijke onderneming is uitgekomen. (…) Ik zet mijn onderneming voort en wil graag wel afspraken maken met mw. [eiseres]. (…)”

2.8. In de brief van 15 februari 2010 van de advocaat van [A] aan mr. C.J.G. van Oppen staat, voor zover hier relevant, het volgende: “(…) Mijn brief van 5 februari jl. is uitsluitend aan uw cliënte gericht, aangezien mw [eiseres] mij bij brief van 25 januari 2010 heeft bericht dat de onderneming alleen door uw cliënte wordt voortgezet. (…)”

2.9. In het e-mailbericht van 25 februari 2010 van [eiseres] en [gedaagde] aan [B], die als externe partij bij het overleg tussen partijen was betrokken, heeft [gedaagde], voor zover hier relevant, geschreven:

“(…) Ik heb met mijn advocaat afspraken gemaakt om mijn eenmanszaak om te zetten in een bv met holding. Staat mei 2010. Lopende de procedure met mevrouw [A]., willen [eiseres] en ik een intentieverklaring opmaken met afspraken over 2010. Het idee is of [eiseres] als eenmanszaak declareert voor haar diensten plus afspraken over winstdeling/aandelen inkopen in de bv met holding. Of [eiseres] in loondienst als directeur van de BV i.o. en daarbij afspraken over aandelen/winstdeling etc. (…)”

2.10. Op 30 maart 2010 heeft [gedaagde] met [A] een schikking getroffen.

2.11. Op 27 mei 2010 is het kraamzorgcentrum [naam] B.V. (hierna te noemen: DKA) opgericht. DKA is ontstaan uit een voortzetting van de eenmanszaken [naam] en [naam]. Alle aandelen van DKA worden gehouden door [naam] B.V. De aandelen in [naam] B.V. worden volledig gehouden door [gedaagde] en zij is tevens de enig bestuurder van [naam] B.V.

2.12. Bij brief van 13 juli 2010 heeft [gedaagde] zich tot [C] (hierna te noemen: [C]) gericht. Over de rol van [C] staat in de notulen van het overleg van 23 juni 2010 (zoals genoemd in r.o. 2.14): “[C] gaat [eiseres] verder adviseren en begeleiden bij haar persoonlijke situatie.”

In de brief van 13 juli 2010 staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Ik heb een aantal punten en randvoorwaarden opgesteld betreft de onderhandelingen over het aandeel van [eiseres] in [naam] B.V. Zoals ik in ons kennismakingsgesprek heb aangegeven zijn er inmiddels een aantal stappen genomen. Het lijkt me dan ook verstandig om de feiten zoals er nu liggen als uitgangspunt te nemen voor de onderhandelingen. (…) [eiseres] heeft voor haar activiteiten in 2009 facturen verstuurd als Zzper. (…) Voorschot ontvangen door [eiseres] 2010: (…) [eiseres] zal voor 15 juli 2010 moeten aangeven of zij deze als Zzper declareert aan [naam] of dat de door haar ontvangen voorschotten, door [naam] BV kunnen worden op gevoerd als loonkosten voor geleverde diensten in de functie van hoofdcoördinator planning kraamzorg (…).

[naam] B.V. heeft de intentie om aandelen van [naam] B.V. aan [eiseres] aan te bieden en haar een bestuurlijke functie binnen [naam] B.V. aan te bieden. Om tot overeenstemming te komen stelt, namens de Holding, [gedaagde] [gedaagde] de volgende randvoorwaarden:

• Aan de onderhandeling zit een deadline te weten 31 augustus 2010

• (…)

Het betreft een onderhandeling over de volgende punten waar een beslissing en overeenstemming tussen beide partijen moet komen;

• Verkoop en percentage aandelen

• De functie omschrijving en salaris volgens CAO thuiszorg

• Competenties en rol binnen de organisatie

• Bestuurlijke verantwoordelijkheden

• Beslissingsrecht

(…)”

2.13. In het e-mailbericht van 16 juli 2010 heeft [C], voor zover hier relevant, het volgende geschreven:

“ (…) Hierbij een terugkoppeling over de randvoorwaardenbrief die ik van jou heb ontvangen. Allereerst wil ik je bedanken voor je punten en randvoorwaarden, deze zijn door [eiseres] als constructief en prettig ervaren. Er staan veel punten in waarvan wij de volle overtuiging hebben dat deze overeenkomen met onze gedachte.(…) Graag zou ik voor volgende week vrijdag een afspraak inplannen (…).”

2.14. In de notulen betreffende het overleg van 23 juli 2010 is, voor zover hier relevant, door [gedaagde] het volgende opgenomen:

“Uiteindelijke doel van het overleg:

Tot overeenstemming te komen betreft; afhandeling winstuitkering 2009; de verkopen van aandelen van [naam] B.V. en een bestuurlijke functie binnen [naam] B.V. voor [eiseres] als zakelijk partner van [gedaagde] [gedaagde].

De volgende ingebrachte randvoorwaarden zijn, door alle aanwezigen goedgekeurd.

• Aan de onderhandeling zit een deadline te weten 31 augustus 2010 (…)

• (…)

Verdiensten en afspraken die gemaakt zijn in 2010 tussen [gedaagde] [gedaagde] en [eiseres]

• [eiseres] en [gedaagde] hebben in januari 2010 elkaar te kennen gegeven dat zij wel de intentie hebben in de toekomst zakelijk verder te willen als partners, maar de onderhandelingen hierover uit te stellen in verband met de ontwikkelingen omtrent [A], (…).

• (…)

• In de periode tussen april en juni 2010 is er tussen [gedaagde] en [eiseres] door verscheidene gebeurtenissen een communicatiebreuk ontstaan waardoor er geen start is gemaakt met de afgesproken zakelijke onderhandelingen. (…)

• In juli 2010 hebben zij beide individueel besloten, de onderhandelingen in te gaan met de intentie beide als zakelijke partners aandeel te hebben in [naam] BV. Hierbij treedt [C] op als mediator tijdens de onderhandeling, en is als vriend van de familie als vertrouwenspersoon/adviseur in deze voor [eiseres].

Het betreft een onderhandeling over de volgende punten, waar bij een beslissing en/of overeenstemming moet komen tussen beide partijen:

• (…)

• Verkoop en percentage aandelen

Onderwerp niet besproken komt terug in volgend stadium: [C] merkt op dat: Hij uit wil gaan van 50% aandelen voor [eiseres] [gedaagde] merkt op dat: het uitgangspunt gelijkwaardigheid is, mits dit fiscaal en juridisch verantwoord is voor de onderneming en dit in verhouding is tot de bestuurlijke verantwoordelijkheden van een ieder.

• (…)

• Fiscaal 1. [C] gaat [eiseres] verder adviseren en begeleiden bij haar persoonlijke situatie Als daarvoor extra gegevens nodig zijn vanuit de organisatie kunnen deze gegeven worden. (…) ”

2.15. In het e-mailbericht van 28 juli 2010 van [C] aan [gedaagde] is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“(…) Hierbij in het kort nog een paar opmerkingen en toevoegingen aangaande de notulen. Uiteindelijke doel van het overleg: Praten we over verkopen of verdelen van de aandelen? (…) Verkoop en percentage aandelen: Wat wordt er bedoeld met verhouding is tot de bestuurlijke verantwoordelijkheden van een ieder?(…)”

2.16. In de ‘Samenvatting meeting 29 juli 2010’ is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

1. Doornemen notulen

Doel overleg we praten of technisch verkopen maar gaan verdelen.

(…)

3. Aandelen: advies fiscalist in kwestie 50% en wanneer?

4. Functieomschrijving: nader te bespreken

5. Toekomstvisie: Nader te bepalen

(…)”

2.17. In het e-mailbericht 5 augustus 2010 van [C] aan [gedaagde] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Wat de aandelen betreft hier heb ik navraag over gedaan en 50%-50% is in deze case het meest eenvoudige. Fiscaal heeft het geen of nauwelijks effect want we praten hier over de verdeling van de zeggenschap. (…)”

2.18. In het e-mailbericht van 6 augustus 2010 van [gedaagde] aan [C] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Ik heb ook navraag gedaan bij de belastingdienst en de accountant; En het advies is: Om een fiscale eenheid te zijn met de Holding (en deze eenheid is noodzakelijk in verband met het BTW verhaal) zal de verdeling minimaal 50% + 1 aandeel moeten zijn voorde Holding en 50% - 1 aandeel voor [eiseres]. (…)”

2.19. In het e-mailbericht van 15 augustus 2010 van [gedaagde] aan [C] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) De volgende afspraken zijn in het overleg van vrijdag concreet gemaakt: (…) Hierbij zijn DKA en [eiseres] overeengekomen dat over de periode 2009 t/m 31-08-2010 jegens elkaar aan alle financiële verplichtingen en opdrachten is voldaan en hierbij zijn afgerond.

De volgende intenties zijn uitgesproken:

DKA heeft de intentie om [eiseres] per 1-9-2010 een arbeidsovereenkomst aan te bieden conform de CAO thuiszorg. (…) DKA heeft de intentie om [eiseres] per 1-1-2011 maximaal 49% van haar aandelen te verkopen. Op basis van competentie en persoonlijke ambitie/interesse zullen de zeggenschap en bestuurlijke verantwoordelijkheden in wederzijdse overeenstemming schriftelijk en formeel moeten worden vast gelegd, hiernaast zullen er ook overige randvoorwaarden moeten worden opgesteld alvorens deze intentie verder uitgewerkt kan worden. De intentie is dat deze in pro-actieve, zakelijke overleggen te laten plaatsvinden, in de periode september-december 2010. (…)”

2.20. In het e-mailbericht van 20 september 2010 van [C] aan [gedaagde] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) De insteek van onze gesprekken zijn altijd helder geweest. (…) 3. De overdracht van 50% van de aandelen van [naam]; 4) De arbeidsvoorwaarden van [eiseres] als mede eigenaar van [naam]. We zijn inmiddels 3 maanden verder en deze zaken slepen nog steeds moeizaam voort. Het duurt zo lang dat [eiseres] hier alleen maar ongelukkiger van wordt. (…) Zoals vanmorgen besproken verzoek ik je vriendelijk om morgen (dinsdag 21 september) contact met [eiseres] op te nemen. Graag verzoek ik je dit uiterlijk 12.00 uur te doen. Bespreek of je met haar verder wil zodat zij haar eigen pad kan kiezen. (…)”

2.21. In het e-mailbericht van 21 september 2010 van [gedaagde] aan [eiseres] en [C] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“Na gisterochtend telefonisch contact gehad met [C] heb ik vernomen, dat jij de aangeboden arbeidsovereenkomst zoals deze 14 september is verstuurd niet accepteert en dat ik wederom met een vernieuwd voorstel zou moeten komen. Verder heeft [C] verteld dat er nu wat jou betreft twee opties zijn waarop ik kan in gaan, namelijk met behulp van Dhr. Van Oppen gaan onderhandelen om tot overeenstemming te komen, of dat de onderhandelingen hierbij ophouden. (…) Daarom kan ik mij vinden in je besluit om bij deze de onderhandelingen dan hierbij te laten.(…)”

2.22. In het e-mailbericht van 21 september 2010 van [eiseres] aan [gedaagde] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Om duidelijk te zijn, is het op geen enkele wijze mijn intentie om [naam] te verlaten. Het feit dat ik een arbeidsovereenkomst niet getekend heb, heeft andere redenen, immers onze afspraken nadat het gesprek van [A] ook geregeld was, zijn duidelijk en liggen ook schriftelijk vast. Daar past nu eenmaal een arbeidsovereenkomst niet in. Nogmaals [gedaagde] het is nimmer mijn bedoeling geweest de communicatie tussen ons te verbreken. Ik neem aan dat ik mijn standpunt duidelijk heb verwoord. Als [C] het anders heeft weergeven, dan is dat niet een weergave van mijn woorden noch van mijn intenties. (…)”

2.23. In het e-mailbericht van 24 september 2010 van [gedaagde] aan [eiseres] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“Je geeft in je mail van 21-09-2010 en in het gesprek dat ik met [C] heb gehad als zijnde jouw adviseur, dat je geen arbeidsovereenkomst wenst aan te gaan met [naam] B.V. vanwege andere redenen.

In mijn ogen is er te veel ruis en via verschillende wegen krijgen wij op verschillende momenten andere signalen en tegenstrijdige berichten betreffende mogelijkheden en intenties. Vanuit mijn perspectief komen je intenties om bij [naam] te blijven niet overeen met je handelen. Dit creëert een situatie waarin onderhandelen zeer lastig wordt gemaakt en het niet mogelijk is om op een zakelijke wijze tot overeenstemming te komen. Met als schrijnend voorbeeld dat [C] via zowel de telefoon als e-mail mij een optie geeft om de onderhandelingen te staken zodat jij je eigen ondernemingsplannen kunt uitvoeren, waar ik op inga en die jij later zelf intrekt en die niet goed verwoord zou zijn door [C]. (…) Gezien je voornemens om verder te gaan met je eigen ondernemerschap zoals dit via de telefoon en via de e-mail naar mij is gecommuniceerd, lijkt het mij in het belang van [naam] niet verstandig een nieuwe onderhandelingsronde in te gaan. Daarom stel ik voor om met elkaar aan het begin van komende week een afrondend gesprek te hebben. (…)”

2.24. In de brief van 6 oktober 2010 van [gedaagde] aan [eiseres] wordt het standpunt van [gedaagde] zoals verwoord in het e-mailbericht van 24 september 2010 nogmaals onderstreept. In de brief wijst ze op haar intentie om 49% van de aandelen over te dragen en op de afgesproken deadline van 31 augustus 2010. Voor zover van belang staat er voorts:

“(…) Verder vind ik het van belang om te benadrukken dat ik er vanuit mocht gaan dat [C] namens jou sprak, aangezien hij dat gedurende de afgelopen maanden altijd heeft gedaan. Dat jij nu in jouw email van 21 september jl. aangeeft dat het niet jouw intentie is om DKA te verlaten, is onbegrijpelijk voor mij. Niet alleen verwerp je mijn concept arbeidsovereenkomst met de woorden dat een arbeidsovereenkomst ‘niet past bij de afspraken die gemaakt zijn’ (terwijl het aangaan van een arbeidsovereenkomst toch duidelijk een afspraak was tussen partijen), ook ben je niet bereid om pro-actief vragen te beantwoorden over hoe jij de toekomst ziet als partner van DKA.(…)”

2.25. In de brief van 7 oktober 2010 van de advocaat van [eiseres] aan [gedaagde] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Anders dan u in uw schrijven suggereert heeft cliënte aan de heer [C] nimmer een last of volmacht verleend om namens haar te onderhandelen of om namens haar onderhandelingen af te breken. (…)”

2.26. In de brief van 13 oktober 2010 van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Het klopt dat in eerste instantie de communicatie met mevrouw [eiseres] zelf is gevoerd. Echter, op haar eigen verzoek is in juli 2010 de heer [C] door haar naar voren geschoven als haar begeleider/vertegenwoordiger/ adviseur in dit proces. Alle communicatie tussen [naam] en mevrouw [eiseres] is sinds die tijd via de heer [C] gegaan. Hij heeft bij alle besprekingen gezeten en daar namens mevrouw [eiseres] het woord gevoerd. (…) Zelfs deze goedkeuring van de notulen verliep via de heer [C]. (…) Kortom, de laatste maanden zijn de onderhandelingen altijd via de heer [C] gegaan. Ik mocht er dus ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de email die de heer [C] mij verstuurde de goedkeuring van mevrouw [eiseres] kon hebben. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot het gezamenlijk oprichten van een besloten vennootschap en/of de overdracht van aandelen in de besloten vennootschap van [naam] B.V., dan wel dat [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel dat [gedaagde] zich ten koste van [eiseres] ongerechtvaardigd heeft verrijkt, en dat [gedaagde] gehouden is de ten gevolge daarvan ontstane, door [eiseres] geleden en nog te lijden schade aan [eiseres] te vergoeden;

2. [gedaagde] ter zake van de niet nakoming van de door [gedaagde] met [eiseres] gesloten overeenkomst te veroordelen primair tot betaling van vervangende schadevergoeding, ter hoogte van de waarde van de helft van de aandelen in [naam] B.V. per een door de rechtbank in goede justitie gekozen datum, althans ter hoogte van een door uw rechtbank in goede justitie (nader) te bepalen bedrag, subsidiair tot betaling van de door [eiseres] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van de gelegde beslagen.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] legt aan haar vordering -samengevat- ten grondslag dat [gedaagde] haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet nakomt, dan wel dat [gedaagde] door het afbreken van de onderhandelingen onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel dat [gedaagde] ten koste van [eiseres] ongerechtvaardigd is verrijkt. [eiseres] stelt door de handelwijze van [gedaagde] schade te hebben geleden en vordert vergoeding daarvan.

4.2. [gedaagde] betwist -samengevat- dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, zodat [eiseres] daarvan geen nakoming kan vorderen. [gedaagde] betwist voorts dat zij onrechtmatig heeft gehandeld dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiseres]. [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] geen schade heeft geleden, nu zij een winstuitkering over de laatste acht maanden van 2009 heeft ontvangen en zij voorts over de periode tot en met augustus 2010 betaald heeft gekregen. Voorts heeft [eiseres] opdrachten voor onder andere massages vanuit DKA en diens rechtsvoorganger gekregen.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4. Uitgangspunt is het beginsel van contractvrijheid. Ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – is vrij de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot standkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467).

4.5. Gelet op het vorenstaande zal eerst vastgesteld dienen te worden hoe het onderhandelingstraject tussen partijen is verlopen, om vervolgens te kunnen beoordelen of in strijd met een (mogelijke) overeenkomst dan wel onrechtmatig is gehandeld, dan wel of [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt als gevolg van de afgebroken onderhandelingen. De rechtbank overweegt inzake het verloop van het onderhandelingstraject als volgt.

Onderhandelingstraject

4.6. [eiseres], [gedaagde] en [A] hebben in 2009 de intentie uitgesproken om gezamenlijk een onderneming in de kraamzorg te starten. [eiseres] en [gedaagde] zijn het in de procedure erover eens dat, ondanks de notulen van 22 maart 2009 (r.o. 2.3), het de intentie was om de aandelen te verdelen in de verhouding 1/3, 1/3, 1/3. Deze intentie diende nog verder te worden uitgewerkt. Uit de feiten onder r.o. 2.6 tot en met 2.10 blijkt dat de gevoerde onderhandelingen in 2009 niet hebben geleid tot een nadere samenwerking tussen [eiseres], [gedaagde] en [A], noch tot de oprichting door hen van een gezamenlijke onderneming. Met [A] is een conflict ontstaan en zij heeft zich teruggetrokken uit de onderhandelingen.

[eiseres] en [gedaagde] hebben in januari 2010 de intentie uitgesproken wel samen verder te willen gaan, maar de onderhandelingen uit te willen stellen tot na afronding van het conflict met [A]. Dit blijkt onder meer uit de notulen van 23 juli 2010 (r.o. 2.14) en uit het e-mailbericht van [gedaagde] van 25 februari 2010 (r.o. 2.9), waaruit volgt dat [gedaagde] – lopende het geschil met [A] - de bestaande onderneming zal voortzetten en omzetten in een BV en dat zij voornemens is met [eiseres] afspraken te maken over de toekomstige rol van [eiseres] bij de op te richten vennootschap DKA. Niet is gebleken dat [eiseres] zich heeft verzet tegen deze schriftelijke mededeling van [gedaagde]. [gedaagde] en [A] hebben op 30 maart 2010 een schikking getroffen.

In de periode april en juni 2010 hebben er geen onderhandelingen tussen [eiseres] en [gedaagde] plaatsgevonden blijkens de notulen van 23 juli 2010 (r.o. 2.14). In die periode was er zelfs sprake van een communicatiebreuk.

In deze gehele periode is [eiseres] werkzaamheden blijven verrichten voor DKA.

4.7. Vervolgens zijn de onderhandelingen tussen [eiseres] en [gedaagde] wederom aangevangen met de brief van 13 juli 2010 (r.o. 2.12) waarin [gedaagde] aan [C] de randvoorwaarden heeft verstrekt waaronder volgens haar tot overeenstemming kon worden gekomen, zoals een deadline voor de onderhandeling van 31 augustus 2010. Daarnaast staan in de brief onderhandelingspunten genoemd. De rechtbank is van oordeel dat uit de onderhandelingspunten blijkt dat partijen nog over essentiële punten van de beoogde samenwerking dienden te onderhandelen. Dit wordt bevestigd door het

e-mailbericht van 16 juli 2010 van [C], zie r.o. 2.13. Uit de notulen van het overleg van 23 juli 2010 -waartegen [eiseres] geen bezwaar heeft gemaakt- blijkt dat partijen het over de door [gedaagde] geformuleerde randvoorwaarden eens zijn geworden.

4.8. Tijdens de onderhandelingen is onder meer gesproken over het percentage van de aandelen dat aan [eiseres] zou toekomen. [gedaagde] had de intentie om aan [eiseres] 49% van de aandelen te verkopen, terwijl [eiseres] 50% van de aandelen wenste te verkrijgen, niet door verkoop maar door enkele verdeling. Over onder meer de functie-invulling, de rol binnen de organisatie en de bestuurlijke verantwoordelijkheden van [eiseres] diende ook nog overlegd te worden.

Op 20 september 2010 heeft [C] blijkens de tekst van de e-mailberichten onder r.o. 2.20 en 2.21 aan [gedaagde] gesteld dat er wat [eiseres] betreft nog twee opties zijn. Daarop heeft [gedaagde] in haar reacties naar [eiseres] van 21 september 2010 (r.o. 2.21), 24 september 2010 (r.o. 2.23) en 6 oktober 2010 (r.o. 2.24) aangegeven dat zij niet verder wil onderhandelen. [gedaagde] schrijft dat zij van mening is dat partijen niet nader tot elkaar zullen komen. Dit had mede te maken met het feit dat [eiseres] 50% van de aandelen wilde verkrijgen en dat [gedaagde] niet meer dan 49% van de aandelen wilde overdragen, dat [eiseres] geen arbeidsovereenkomst wenste aan te gaan en dat de deadline van 31 augustus 2010 was verstreken. Buiten deze essentiële punten had [gedaagde] geen vertrouwen meer in een samenwerking met [eiseres]. Duidelijk was dat op dat moment de onderhandelingen waren afgebroken.

Daargelaten het antwoord op de vraag of [eiseres] erop mocht vertrouwen dat [C], toen hij aan [gedaagde] twee opties voorhield, als vertegenwoordiger van [eiseres] handelde, heeft [gedaagde] (onder meer) op 24 september 2010 naar [eiseres] aangegeven dat zij niet verder wil onderhandelen. Duidelijk is dat toen de onderhandelingen zijn afgebroken. De discussie of [C] wel of niet als vertegenwoordiger van [eiseres] heeft opgetreden, kan dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank komt thans toe aan beantwoording van de vragen of in strijd met een (mogelijke) overeenkomst dan wel onrechtmatig is gehandeld, dan wel of [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt als gevolg van de afgebroken onderhandelingen.

Overeenkomst

4.9. [eiseres] stelt dat tussen partijen in 2009 een overeenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagde] de afspraken die in dat kader zijn gemaakt, niet nakomt. De overeenkomst strekt volgens [eiseres] tot overdracht en levering van 50% van de aandelen van DKA en het invullen van een bestuurlijke rol in DKA. De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen schriftelijk niets hebben vastgelegd. Dat houdt in dat uit andere feiten en/of omstandigheden zou moeten blijken van het bestaan van een overeenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de daartoe door [eiseres] ingenomen stellingen onvoldoende zijn, zodat deze niet kunnen leiden tot het oordeel dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Immers, het uitgangspunt zou volgens [eiseres] moeten zijn de intentie van partijen die dateert uit 2009. Die intentie was echter naar het oordeel van de rechtbank het startpunt voor de onderhandelingen in het kader van de oprichting van een vennootschap door [eiseres], [gedaagde] en [A], zoals blijkt uit r.o. 4.6. Toen [A] zich uit de onderhandelingen terugtrok, hadden partijen nog geen concrete afspraken gemaakt, althans zulks is niet gebleken. Van een overeenkomst was geen sprake. Op het moment dat [A] uit de onderhandelingen stapte, veranderde daarmee ook het uitgangspunt van de onderhandelingen. Weliswaar bleef de intentievan [eiseres] en [gedaagde] om DKA op te richten, maar uit de latere correspondentie en verslagen blijkt dat de onderhandelingen inhoudelijk opnieuw aanvingen. De situatie was in juli 2010 zodanig gewijzigd dat het eerdere uitgangspunt uit 2009 niet één op één kan worden overgenomen in de onderhandelingen van 2010.

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin op een later tijdstip tussen [eiseres] en [gedaagde] overeenstemming bereikt over de essentiële onderdelen van de te maken afspraken (zie r.o. 4.8) en is derhalve geen overeenkomst tot stand gekomen. Immers, ook de onderhandelingen van 2010 begonnen met de intentie om een samenwerking aan te gaan binnen DKA. Daartoe zijn op 13 juli 2010 de onderhandelingen gestart. Partijen hebben in dat kader meerdere vergaderingen belegd. [eiseres] is bij alle vergaderingen aanwezig geweest. Van die vergaderingen zijn door [gedaagde] notulen opgesteld. Gesteld noch gebleken is dat die notulen inhoudelijk onjuist zijn. Indien [eiseres] het niet eens zou zijn met de weergave van het besprokene tijdens de vergadering dan had het op haar weg gelegen om dat kenbaar te maken aan [gedaagde]. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] dergelijke opmerkingen -schriftelijk dan wel mondeling- heeft gemaakt, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de notulen. Uit de notulen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat nog geen overeenstemming bestond over de essentiële punten, zijnde de overdracht van de aandelen en de functie van [eiseres] binnen DKA. Dit geldt evenzeer voor de overige schriftelijke bescheiden die in het geding zijn gebracht. Ook daaruit valt geen overeenstemming af te leiden. Dat uit andere handelingen van overstemming zou moeten blijken is door [eiseres] gesteld noch gebleken.

4.11. Vorenstaande overwegingen leiden ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een overeenkomst die is voortgevloeid uit de intenties die zijn uitgesproken in 2009 en evenmin dat een overeenkomst tot stand is gekomen op een later tijdstip voortvloeiende uit de onderhandelingen van 2010.

Onrechtmatig handelen

4.12. Voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen af te breken, is het onder r.o. 4.4 genoemde toetsingskader van belang. Na het conflict met [A] waren de omstandigheden zodanig gewijzigd dat een geheel nieuwe onderhandelingssituatie ontstond. Daarbij is van belang dat ten tijde van het conflict nog over vele punten onderhandeld diende te worden, de verhoudingen volledig gewijzigd waren door het vertrek uit de onderhandelingen van [A] en partijen tot begin juli 2010 niet hebben onderhandeld, waarbij er blijkens de notulen van 23 juli 2010 zelfs sprake was van een communicatiebreuk. [eiseres] lijkt [gedaagde] te verwijten dat [gedaagde] ondertussen de onderneming voortzette. De onderneming kwam als eenmanszaak van [gedaagde] volledig voor haar rekening en risico en het is begrijpelijk dat [gedaagde] gedurende deze lange tussenperiode de onderneming voortzette en zelfs al de ook door partijen beoogde omzetting naar een BV verwezenlijkte. In juli 2010 had [gedaagde] derhalve de onderneming lange tijd voor eigen rekening en risico gedreven.

Vanaf 13 juli 2010 brak een nieuwe periode van onderhandelingen aan. In het midden kan blijven of de onderhandelingen naar aanleiding van een brief van [C] zijn afgebroken. In ieder geval is het een handeling geweest van [gedaagde] die -al dan niet na een ‘voorzet’ van [C]- heeft geleid tot het einde van de onderhandelingen. De vraag die dient te worden beantwoord luidt, of de onderhandelingen op rechtmatige wijze zijn afgebroken. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is om de navolgende redenen. De omstandigheden waren in juli 2010 zodanig gewijzigd, dat de onderhandelingen in een nieuw stadium verkeerden. Het standpunt inzake de verdeling van de aandelen had reeds tot een niet op te lossen verschil van mening geleid. Immers, duidelijk was dat het voor [gedaagde] onbespreekbaar was om vanuit DKA meer aandelen over te dragen dan 49% en [eiseres] wilde niet minder dan 50% van de aandelen verwerven. Dat de intentie van partijen was het aangaan van een gelijkwaardige samenwerking, doet daar niet aan af. Voorts bestond verschil van mening over de inhoudelijke samenwerking. [gedaagde] heeft [eiseres] een arbeidsovereenkomst voorgelegd, maar [eiseres] was van mening dat een arbeidsovereenkomst in het geheel niet op zijn plaats was. Van een gerechtvaardigd vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen, kon op dat moment gezien de grote meningsverschillen nog geen sprake zijn.

4.13. Gelet op vorenstaande overwegingen kan in redelijkheid niet worden gezegd dat het afbreken van de onderhandelingen door [gedaagde] onaanvaardbaar is. Wat betreft de mogelijke kosten die [eiseres] heeft gemaakt gedurende de tijd dat zij werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] dan wel voor DKA, heeft te gelden dat [eiseres] voor de periode 2009 inkomsten heeft verkregen voor verrichte werkzaamheden en een winstuitkering heeft genoten en tot en met 31 augustus 2010 een vergoeding heeft ontvangen. Dat zij meer kosten heeft gemaakt dan waar de vergoedingen op zien, is door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd, zodat dit geen omstandigheid kan zijn die kan meewegen bij de vraag of het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar was.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.14. [eiseres] stelt voorts dat - indien de rechtbank tot het oordeel komt dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] - sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde]. [eiseres] stelt daartoe, samengevat, dat haar schade bestaat uit inbreng in de onderneming in de vorm van arbeid, goodwill en relaties en dat voor het behouden van die vermogensvermeerdering door [gedaagde] geen redelijke oorzaak aanwezig is.

4.15. De rechtbank overweegt dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] zich ten koste van haar ongerechtvaardigd heeft verrijkt en dat [eiseres] als gevolg daarvan is verarmd. Immers, [eiseres] heeft een vergoeding voor gewerkte uren en een winstuitkering ontvangen over 2009. Daarnaast heeft [eiseres] -juist door de samenwerking met [gedaagde] - opdrachten ontvangen, bijvoorbeeld voor babymassages. Hiervoor heeft zij betaald gekregen. Eveneens staat buiten discussie dat [eiseres] een vergoeding heeft ontvangen voor de periode tot en met

31 augustus 2010. De stelling van [eiseres] dat zij zestig uren per week heeft gewerkt en slechts 100 uren per maand in rekening heeft gebracht, is door [eiseres] niet althans onvoldoende onderbouwd en bovendien door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Dit geldt eveneens voor de stelling van [eiseres] dat de verrijking mede is gelegen in de door [eiseres] ingebrachte goodwill, arbeid en relaties. [eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de inbreng van [eiseres] heeft geleid tot meer verrijking van [gedaagde] dan de verrijking die reeds is gecompenseerd middels vergoedingen en de toebedeling van werk aan [eiseres].

Conclusie

4.16. Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de vordering onder 1. dient te worden afgewezen. Gelet daarop zal de vordering onder 2. eveneens worden afgewezen.

4.17. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van de procedure tot op heden begroot op:

vastrecht € 258,00

salaris € 904,00 (2,0 punt x € 452,00)

Totaal €1.162,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op

€ 1.162,00,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Jaarsveld op 19 december 2012.