Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY7048

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
204329 - KZ ZA 12-215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Conflict tussen Anbo en Nieuwe Bond voor Ouderen Nederland. Nieuwe Bond voor Ouderen Nederland heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens Anbo en spoedvoorziening thans niet gerechtvaardigd. Vorderingen van Anbo worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 204329 / KZ ZA 12-215

Vonnis in kort geding van 21 december 2012

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ANBO,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. E.J. Lichtenveldt te Rotterdam,

tegen

1. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid

NIEUWE BOND VOOR OUDEREN NEDERLAND,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaats],

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [plaats],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. L. Wijnbergen te Utrecht.

Eiseres zal hierna ANBO genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als NBvON c.s. en afzonderlijk als NBvON, [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13

- de producties 1 tot en met 10 van NBvON c.s.

- de producties 14 tot en met 18 van ANBO

- de producties 11 en 12 van NBvON c.s.

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van ANBO

- de pleitnota van NBvON c.s.

- de aanhouding ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen

- de brief van ANBO van 13 december 2012

- de brief van NBvON c.s. van 13 december 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. ANBO, de "Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen", is een vereniging die zich inzet voor het behoud en de verbetering van kwaliteit van leven voor ouderen in Nederland.

2.2. ANBO telt ongeveer 180.000 leden en wordt bestuurd door een landelijk bestuur. Het landelijk bestuur wordt gecontroleerd door de verenigingsraad. Verspreid over Nederland zijn 15 ANBO-gewesten en ruim 460 plaatselijke ANBO-afdelingen actief, waaronder de afdeling Deventer en de afdeling Almelo.

2.3. ANBO geeft een landelijk ledenmagazine uit. De ANBO-afdeling te Almelo verspreidt daarnaast het maandblad "Het Viziertje" onder haar leden.

2.4. [gedaagde sub 2] is in maart 2011 benoemd als interim-voorzitter van het gewest Overijssel.

2.5. [gedaagde sub 3] is secretaris van de ANBO-afdeling te Almelo. Als secretaris is [gedaagde sub 3] verantwoordelijk voor de inhoud en de verspreiding van Het Viziertje. Ook schrijft zij een voorwoord in dit maandblad. [gedaagde sub 3] is ruim 28 jaar lid van ANBO.

2.6. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] zijn geruime tijd lid van ANBO geweest en waren tot voor kort actief als bestuursleden van de ANBO-afdeling te Deventer.

2.7. Tussen het landelijk bestuur van ANBO en het bestuur van het gewest Overijssel is begin 2012 een conflict ontstaan. Bij besluit van 31 mei 2012 heeft ANBO alle leden van het bestuur van het gewest Overijssel, waaronder [gedaagde sub 2], uit het lidmaatschap van ANBO gezet.

2.8. Op 14 augustus 2012 is NBvON opgericht. [gedaagde sub 2] is één van de bestuurders van NBvON. Daarnaast zijn in -onder meer- Deventer en Almelo nieuwe lokale ouderenverenigingen opgericht. Deze nieuwe ouderenverenigingen hebben zich aangesloten bij de NBvON.

2.9. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben hun activiteiten voor ANBO per oktober 2012 gestaakt en zijn geen lid meer van ANBO. [gedaagde sub 4] is thans voorzitter van de nieuwe ouderenvereniging in Deventer en [gedaagde sub 5] is secretaris van deze vereniging. [gedaagde sub 3] is naast haar werk als secretaris van de ANBO-afdeling in Almelo actief voor de nieuwe ouderenvereniging te Almelo. [gedaagde sub 3] heeft haar lidmaatschap van ANBO per 1 januari 2013 opgezegd.

2.10. Per 29 oktober 2012 hebben ruim 3.400 leden uit het gewest Overijssel hun lidmaatschap van de ANBO opgezegd.

3. Het geschil

3.1. ANBO heeft in haar dagvaarding gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I) NBvON c.s. zal verbieden om middellijk of onmiddellijk, direct of indirect contact op te nemen met leden van ANBO, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod;

II) NBvON c.s. zal verbieden om middellijk of onmiddellijk, direct of indirect, medewerkers/vrijwilligers van ANBO te benaderen en hen te bewegen over te stappen naar NBvON, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod;

III) NBvON c.s. zal verbieden om informatie over ANBO te gebruiken bij het werven van leden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod;

IV) NBvON c.s. zal verbieden om zich onjuist, grievend, schadelijk of denigrerend uit te laten over ANBO, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod;

V) NBvON c.s. zal bevelen om dit vonnis binnen vijf dagen na de datum van het vonnis aan alle leden van NBvON en alle overige bij NBvON betrokkenen bekend te maken en hen te instrueren conform het vonnis te handelen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor het geval aan dit bevel niet wordt voldaan, te vermeerderen met verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat NBvON c.s. in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

VI) NBvON c.s. zal bevelen om voor een periode van twaalf maanden na de datum van dit vonnis ten aanzien van nieuwe leden van NBvON te handelen zoals onder V omschreven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor het geval aan dit bevel niet wordt voldaan, te vermeerderen met verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat NBvON c.s. in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

VII) NBvON c.s. zal bevelen om binnen vijf dagen na dit vonnis schriftelijk opgave te doen van de namen van leden van ANBO die reeds door hen zijn benaderd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor het geval aan dit bevel niet wordt voldaan, te vermeerderen met verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat NBvON c.s. in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

VIII) zal bepalen dat de onder I tot en met VII genoemde dwangsommen door NBvON c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, verschuldigd zullen zijn;

IX) althans zodanige voorzieningen zal treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

X) NBvON c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Ter zitting heeft ANBO haar vorderingen verminderd. Voor zover nodig zullen deze vorderingen hierna besproken worden.

3.3. NBvON voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. ANBO heeft aangevoerd dat de spoedeisendheid van haar vorderingen is gelegen in het feit dat zij door onrechtmatig handelen van NBvON c.s. schade lijdt en dat deze onrechtmatige situatie op zo kort mogelijke termijn dient te worden beëindigd. Dit door ANBO aangevoerde belang is voldoende om een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen aan te nemen.

4.2. Partijen strijden over de vraag of door NBvON c.s. onrechtmatig jegens ANBO is gehandeld. Daarbij is niet in geschil dat het aan (oud)leden van ANBO, die het met het beleid van ANBO niet eens zijn, is toegestaan om zelf een nieuwe vereniging op te richten en dat zij leden mogen werven voor deze nieuwe vereniging.

4.3. Ingevolge artikel 6:162 lid 2 BW worden als een onrechtmatige daad aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

4.4. Ter zitting heeft ANBO per gedaagde expliciet aangegeven welke verwijten hem of haar afzonderlijk worden gemaakt.

4.5. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] wordt aangerekend dat zij een voor NBvON wervende brief hebben opgesteld en dat zij deze op 5 oktober 2012 hebben uitgedeeld na afloop van een ANBO-bijeenkomst in Deventer.

Ten aanzien van de brief overweegt de voorzieningenrechter dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] daarin hun visie ten aanzien van het conflict met ANBO hebben neergelegd en dat zij hebben aangegeven waarom zij zijn overgestapt naar NBvON. Gesteld noch gebleken is dat zij daarbij grievende bewoordingen hebben gebruikt. Dat deze brief is opgesteld met het kennelijke doel deze te verspreiden maakt dat, zelfs als daarin een eenzijdig beeld zou zijn geschetst, niet onrechtmatig, ook niet als daarmee is beoogd nieuwe leden te werven. Daarnaast is, gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5], niet aannemelijk geworden dat zij deze brief hebben uitgedeeld na afloop van de ANBO-bijeenkomst. Hierbij gaat de voorzieningenrechter voorbij aan het aanbod van ANBO om de juistheid van haar stelling door middel van getuigenbewijs aan te tonen, nu voor nadere bewijslevering in kort geding geen plaats is.

Gelet op het feit dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] voor het overige geen onrechtmatig handelen is verweten zijn de vorderingen van ANBO, voor zover deze tegen hen zijn ingesteld, niet toewijsbaar.

4.6. ANBO heeft NBvON verweten dat zij zeer actief en agressief bezig is geweest om leden van ANBO te bewegen om lid te worden van haar vereniging en dat zij daarbij onjuiste en negatieve informatie heeft verschaft en gebruik heeft gemaakt van vertrouwelijke informatie van ANBO.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn echter door ANBO geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat NBvON op onrechtmatige wijze leden heeft geworven. De door ANBO gemaakte verwijten betreffen gedragingen van leden van de lokale ouderenverenigingen. Zonder nadere stellingen, die ontbreken, kunnen deze niet op het conto van NBvON worden geschreven.

4.7. Ook [gedaagde sub 2] zou op onrechtmatige wijze leden voor NBvON hebben geworven, maar het enkele vermoeden van ANBO dat daarvan sprake is, is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens ANBO heeft gehandeld.

4.8. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat, zoals door ANBO is betoogd, NBvON en [gedaagde sub 2] de ledenlijst van ANBO hebben gebruikt bij de werving van nieuwe leden. Hiertoe wordt overwogen dat NBvON en [gedaagde sub 2] deze beschuldiging ten stelligste hebben betwist, waarbij zij erop hebben gewezen dat de ledenadministratie door het hoofdkantoor van ANBO in Woerden wordt gevoerd. Ook hebben zij verwezen naar het interne handboek van NBvON, waarin ten aanzien van ledenwerving is vermeld dat geen gebruik mag worden gemaakt van de adressenlijsten van ANBO. Dat een voormalig lid van ANBO, die als belastingconsulent actief was, een lid van ANBO heeft benaderd met de mededeling dat hij niet meer bij ANBO is aangesloten en dat hij daarom niet langer de belastingaangifte van het desbetreffende ANBO-lid kan verzorgen, is onvoldoende om aan te nemen dat gebruik is gemaakt van de ledenlijst van ANBO. Overigens kan deze benadering ook niet, althans niet zonder meer, als een agressieve of negatieve vorm van werving worden beschouwd.

4.9. ANBO heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van onrechtmatig handelen gesteld dat [gedaagde sub 2] haar recht op een goede naam heeft geschonden, doordat hij zich in een interview met het ANP negatief heeft uitgelaten over ANBO. [gedaagde sub 2] heeft in dit interview gezegd dat het landelijk bestuur van ANBO handelt uit machtswellust en dat hij verwacht dat enkele duizenden leden van ANBO zullen overstappen naar NBvON.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de door [gedaagde sub 2] uitgesproken verwachting ten aanzien van het aantal leden dat van ANBO naar NBvON zal overstappen niet als een onrechtmatige uitlating worden aangemerkt.

Ten aanzien van de uitspraak van [gedaagde sub 2] dat het landelijk bestuur van ANBO handelt uit machtswellust wordt overwogen, dat bij de beantwoording van de vraag of hij daarmee onrechtmatig heeft gehandeld voorop dient te worden gesteld, dat uit de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting voortvloeit, dat een ieder het recht heeft om gedachten en gevoelens van welke inhoud dan ook te uiten. Dat betekent dat een ieder de vrijheid heeft zijn of haar hart te luchten en zich op negatieve wijze over iemand anders uit te laten, ook als die uitlatingen een beschuldiging aan het adres van een ander inhouden. Dat recht om vrijelijk zijn mening te uiten, vindt zijn begrenzing in het geval daarmee iemands eer en goede naam op onrechtmatige wijze wordt aangetast.

In het onderhavige geval staan twee belangen tegenover elkaar: enerzijds het belang van ANBO om niet in haar goede naam te worden aangetast en anderzijds het belang van [gedaagde sub 2] om zijn mening te mogen uiten. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Daaronder vallen de aard van de beschuldiging en de daarvan te verwachten gevolgen, de ernst van de misstand, de mate waarin de beschuldigingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de beschuldigingen en de aard van het medium waarin de uitlatingen zijn gedaan en het gedrag en de positie van de benadeelde (HR 18-1-2008, LJN BB3210).

In dit geval dient in aanmerking te worden genomen dat ANBO een grote landelijke organisatie is met een publieke functie, dat de uitlating van [gedaagde sub 2] -mede gelet op de context waarin deze is gedaan- niet als heel erg negatief, grievend of opruiend kan worden beschouwd en dat bovendien niet aannemelijk is geworden dat deze uitlating gevolgen voor ANBO heeft (gehad). Daarnaast is van belang dat de uitlating geplaatst dient te worden in het al langer spelende conflict tussen ANBO en NBvON en dat het optreden van de algemeen directeur van ANBO, mevrouw [A], ook door anderen al verschillende malen is bekritiseerd in landelijke en lokale dag- en weekbladen. Gelet op voornoemde omstandigheden komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van [gedaagde sub 2] om vrijelijk zijn mening te uiten dient te prevaleren boven het belang van ANBO. Tegen deze achtergrond kan de bestreden uitlating vooralsnog niet onrechtmatig worden geacht.

4.10. Volgens ANBO heeft [gedaagde sub 3] onrechtmatig gehandeld omdat zij zich verschillende malen in het maandblad Het Viziertje negatief heeft uitgelaten over ANBO en zij daarbij heeft geprobeerd de lezers ertoe te bewegen om van ANBO over te stappen naar NBvON.

Aan ANBO kan worden toegegeven dat [gedaagde sub 3] in verschillende Viziertjes op een gekleurde wijze verslag heeft gedaan over de ontstane conflictsituatie, zodanig dat zij in uitermate positieve zin heeft geschreven over NBvON. Verder heeft zij zich in dit maandblad op wervende wijze uitgelaten over NBvON. Weliswaar heeft zij aan de lezers de keuze gelaten om over te stappen, maar de wijze waarop zij dit heeft gesteld kan worden aangemerkt als werving voor NBvON. Onweersproken is echter gebleven dat [gedaagde sub 3], na daartoe door ANBO te zijn gesommeerd, zich na 9 oktober 2012 niet meer op deze wijze heeft uitgelaten, waardoor indien al geoordeeld zou moeten worden dat [gedaagde sub 3] zich onrechtmatig jegens ANBO zou hebben gedragen, de door ANBO gevorderde voorlopige maatregelen op dit moment niet meer gerechtvaardigd zijn. Dit klemt te meer nu het laatste Viziertje inmiddels is verschenen en er geen nieuwe uitgave zal verschijnen.

4.11. In dit verband wordt nog overwogen dat niet valt in te zien dat de gedragingen van [gedaagde sub 3], indien deze als onrechtmatig zouden moeten worden beoordeeld, een onrechtmatige daad zijdens NBvON zouden opleveren.

4.12. Tot slot heeft ANBO betoogd dat zij op onrechtmatige wijze door NBvON wordt beconcurreerd, omdat NBvON op haar website eenzelfde plaatje van een richtingsbord met daarop de namen van zorgverzekeraars heeft staan als door ANBO wordt gebruikt en dat NBvON ten onrechte op haar website heeft geschreven dat de zorgverzekeraars Menzis en Agis een collectieve korting geven aan leden van NBvON. Deze collectieve korting wordt alleen gegeven aan leden van ANBO.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat sprake is van ongerechtvaardigde concurrentie. Hiertoe wordt overwogen dat niet door ANBO is weersproken dat het plaatje van het richtingsbord al sinds 2008 in verschillende kranten en op diverse websites is gebruikt en dat dit plaatje niet exclusief door ANBO kan en mag worden gebruikt. Overigens rechtvaardigt het gebruik van een dergelijk plaatje ook geen vergaande vorderingen zoals in dit geding gevorderd. Met betrekking tot de collectieve korting van de zorgverzekeraars Menzis en Agis heeft NBvON erkend dat op haar website ten onrechte vermeld heeft gestaan dat haar leden deze korting krijgen. NBvON heeft daarbij echter onbetwist verklaard dat deze onjuiste informatie slechts gedurende een zeer korte periode op de website heeft gestaan, dat de website in die periode een beperkt aantal keren is bekeken en dat de fout direct na ontdekking is hersteld.

4.13. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van ANBO zullen worden afgewezen.

4.14. ANBO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een hogere proceskostenvergoeding dan gebruikelijk toe te kennen. De kosten aan de zijde van NBvON c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal € 1.479,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt ANBO in de proceskosten, aan de zijde van NBvON c.s. tot op heden begroot op € 1.479,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.