Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY6736

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
07.996567-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vuurwerk professioneel illegaal promis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnummer: 07.996567-11

Uitspraak: 11 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [datum],

wonende te [adres]

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2012 en 27 november 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door T. Volckmann, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. W.H. Frank.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte al dan niet opzettelijk, in of omstreeks de maand september 2011 in de gemeente Wierden en/of (elders) in Nederland, een hoeveelheid professioneel vuurwerk, (bestaande uit -ongeveer- 125 stuks Rzymskie Ognie, 240 stuks Petarda Match Mega, 350 stuks Rak. Bang en/of 1000 stuks Petarda Bang TXP825), bestemd voor particulier gebruik,

en/of op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2011 t/m 6 december 2011, te Sibculo in de gemeente Hardenberg en/of (elders) in Nederland, een hoeveelheid (ongeveer 1111 kg) professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, waaronder

(24) vuurpijlen -die niet waren voorzien van een aanduiding omtrent geschiktheid voor particulier gebruik, de te verwachten effecten, een Nederlandse gebruiksaanwijzing-,

en/of

(11) flowerbeds -waarvan het gewicht meer dan 10 kg bedroeg en die niet waren voorzien van de aanduiding "niet geschikt voor particulier gebruik" en geen Nederlandse gebruiksaanwijzing bevatten-,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld.

VOORVRAGEN

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, net als ter terechtzitting van 6 maart 2012, primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering hieraan stelt en dat de dagvaarding om die reden nietig dient te worden verklaard. Nog steeds is onduidelijk op welke partij of partijen vuurwerk en op welke categorieën vuurwerk het tenlastegelegde feit betrekking heeft.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. Sinds de wijziging van het Vuurwerkbesluit op 4 juli 2010 kan worden volstaan met een tenlastelegging zoals vermeld op de dagvaarding die aan verdachte is uitgereikt. Deze tenlastelegging voldoet volgens de officier van justitie aan de vereisten van dat besluit.

Voor wat betreft het totaalgewicht van 1.111 kilogram vuurwerk verwijst de officier van justitie naar de terechtzitting van 12 november 2012 waarin de rechtbank ervan blijk heeft gegeven eenvoudig te kunnen herleiden op welke wijze dit totaalgewicht is vastgesteld.

Het oordeel van de rechtbank

Nietigheid dagvaarding

Op grond van artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de uitleg van deze bepaling voortdurend in het oog moet worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De eis van “opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk moet zijn. Een van de factoren die een rol speelt bij het begrip “duidelijk en begrijpelijk” is de vraag of er bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen verdachte worden verweten.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige tenlastelegging in samenhang met het dossier voldoende duidelijk en begrijpelijk is. Ter terechtzitting van 12 november 2012 heeft de rechtbank vastgesteld dat de onderdelen genoemd in het tenlastegelegde feit zijn te herleiden tot ondermeer de pagina’s 25, 26, 33 tot en met 35 en 97 tot en met 100 van het dossier ‘Empel’ . Zo blijkt uit het dossier dat het materiaal zoals staat vermeld in het eerste deel van het feit op de tenlastelegging afkomstig is uit de schaftkeet en de 1.111 kilogram bestaat uit de in Ulicoten onderzochte partij vuurwerk, afkomstig uit de [merk] bus. Het verweer van de raadsman op dit onderdeel wordt dan ook verworpen. Van de overige punten die de raadsman omtrent de nietigheid van de dagvaarding naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat die betrekking hebben op de bewijsvraag. Deze zullen, indien noodzakelijk, aan de orde komen bij de behandeling van het bewijs.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging, en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het ten aanzien van verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in het eerste deel van het feit ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van dit deel is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, nu iedere vorm van toelichting op dit punt ontbreekt.

De verdachte zal van dit deel worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het tweede deel van het tenlastegelegde feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- Proces-verbaal betreden besloten plaats, overeenkomstig artikel 126k WvSv, opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie, groepschef Team Observatie Oost Nederland ;

- Proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk, opgemaakt door [verbalisant 2], team Centraal Onderzoek Vuurwerk, inclusief bijlagen met betrekking tot de batterij enkelschots buizen (Flowerbed) en vuurpijlen (waaronder signaalraket of lawinepijl), een Bijlage deskundigenverklaring overgangsregeling Vuurwerkbesluit, een bijlage Deskundigenverklaring Flowerbeds en foto’s van het aangetroffen vuurwerk ;

- Proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van vuurwerk in de huurbus [merk], bestuurd door verdachte, opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier Regiopolitie IJsselland ;

- Proces-verbaal aanhouding verdachte, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier Team Hardenberg en [verbalisant 5], brigadier Team Remot, Regiopolitie IJsselland ;

- Proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], beiden brigadier Team Remot, Regiopolitie IJsselland ;

- Proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5], beiden brigadier Team Remot, Regiopolitie IJsselland ;

- Proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier Team Remot, Regiopolitie IJsselland, inclusief foto ;

- Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 november 2012.

Het verweer van de raadsman dat er geen nader onderzoek is gedaan naar het onder de verdachte in beslag genomen vuurwerk wordt verworpen. Onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 7 februari 2012 overweegt de rechtbank dat een algemeen deskundigenrapport van het NFI volstaat indien dat rapport ziet op hetzelfde soort vuurwerk als het vuurwerk dat bij verdachte is aangetroffen. Ook in de onderhavige zaak is verder op geen enkele manier aannemelijk geworden en is hoogst onwaarschijnlijk te achten dat in dit geval sprake zou zijn van vuurpijlen, flowerbeds of ander vuurwerk dat wèl voldoet aan de daartoe gestelde vereisten voor consumentenvuurwerk.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

verdachte opzettelijk,in de periode van 1 december 2011 tot en met 3 december 2011, te Sibculo in de gemeente Hardenberg en/of (elders) in Nederland, een hoeveelheid (ongeveer 1.111 kg) professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, waaronder

(24) vuurpijlen -die niet waren voorzien van een aanduiding omtrent geschiktheid voor particulier gebruik, de te verwachten effecten, een Nederlandse gebruiksaanwijzing-,

en

(11) flowerbeds -waarvan het gewicht meer dan 10 kg bedroeg en die niet waren voorzien van de aanduiding "niet geschikt voor particulier gebruik" en geen Nederlandse gebruiksaanwijzing bevatten-,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat de verdachte veroordeeld zal worden tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging, bepleit dat de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, in elk geval niet langer dan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft als particulier een grote hoeveelheid vuurwerk in het buitenland gekocht en naar Nederland vervoerd, welk vuurwerk niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen. Bedoeld vuurwerk valt onder de categorie 'verboden vuurwerk' en heeft over het algemeen een veel zwaardere lading dan toegestaan consumentenvuurwerk. Dergelijk vuurwerk is gevaarlijk, veroorzaakt niet zelden letsel en schade en brengt als zodanig de samenleving ernstig in gevaar.

De rechtbank heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte langer dan 5 jaar geleden is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Gezien de ernst van het feit acht het de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank houdt echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsadvies van 11 juli 2012 blijkt dat bij verdachte sprake is van PTSS-symptomen en een dagelijks forse alcoholinname. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij 18 december as. kan beginnen aan een training bij Tactus en als hij die afgesloten heeft kan hij terecht op de PAAZ. De raadsman heeft aangegeven dat een gevangenisstraf dit behandelplan zou doorkruisen.

Deze omstandigheden in aanmerking genomen zal de rechtbank de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen en daarnaast een werkstraf opleggen van na te melden duur, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf dient om te voorkomen dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten begaat.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1a en 2 van de Wet op de economische delicten en artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De rechtbank veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden die niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. L.J. Bosch en G. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2012.

mr. Neppelenbroek voornoemd is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.