Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY6239

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
07.650124-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; dealen harddrugs en bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650124-12 (P)

Uitspraak: 10 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [datum],

wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012 en 26 november 2012.

De verdachte is op 13 juni 2012 verschenen. Op 26 november 2012 is verdachte niet verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

Als officier van justitie was op 26 november 2012 aanwezig, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 1 maart 2012 te Zwolle opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of andere harddrugsgebruikers, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

Hij op of omstreeks 1 maart 2012 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor een bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde handel in cocaïne en heroïne nu niet daadwerkelijk is getest wat getuigen [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] van verdachte hebben gekocht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie , opgemaakt op 1 maart 2012, valt op te maken dat twee surveillerende verbalisanten op 1 maart 2012 in het parkje aan de [adres] te Zwolle op een bankje een man zagen zitten. Ambtshalve was hen bekend dat bij dat bankje veelvuldig drugs werden gedeald.

Op enig moment zagen verbalisanten dat de man op het bankje aan het bellen was. Uit een andere richting zagen verbalisanten vervolgens een donkere man aan komen lopen die eveneens aan het bellen was. Deze man, nader te noemen verdachte, liep vervolgens richting de [adres].

Daarna namen verbalisanten waar dat de man op het bankje op zijn fiets stapte en zich ook naar de [adres] begaf.

Door verbalisanten werd vervolgens gezien dat de man op de fiets naast de donkere man ging lopen en dat er een kort handcontact tussen beide personen was.

Bij verbalisanten rees het vermoeden dat zojuist een drugsdeal had plaatsgevonden. Verbalisanten hebben daarom verdachte aangesproken en hem gevraagd zich te legitimeren.

Toen verdachte zijn legitimatie pakte, werd door een van de verbalisanten gezien dat verdachte een gripzakje in zijn jaszak had waarin zich een aantal bolletjes (8) met wit poeder bevond.

Beide personen (te weten: verdachte en betrokkene [persoon 1]) zijn hierop aangehouden.

Uit de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut valt op te maken dat de bolletjes, die bij verdachte zijn aangetroffen, cocaïne bevatten.

Uit het relaasproces-verbaal valt op te maken dat bij de insluitingfouillering bij verdachte een geldbedrag is aangetroffen van € 515,--, bestaande uit de volgende coupures: 5 biljetten van € 5,--, 17 biljetten van € 10,--, 6 biljetten van € 20,-- en 4 biljetten van € 50,--.

Op 1 maart 2012 heeft [persoon 1] bij de politie verklaard dat hij harddrugsgebruiker is en voornamelijk heroïne gebruikt. Hij heeft verklaard dat hij die dag op zoek is gegaan naar ‘bruin’. Daaropvolgend is hij in het parkje aan de [adres] op een bankje gaan zitten alwaar hij verdachte zag. Voorts heeft [persoon 1] verklaard dat hij verdachte kent onder de naam ‘[verdachte]’. [persoon 1] heeft voorts verklaard dat hij wist dat ‘[verdachte]’ drugs verkocht. [persoon 1] heeft verklaard dat hij bij verdachte altijd ‘bruin’ koopt en dat hij al vaker van verdachte had gekocht.

Tot slot heeft [persoon 1] verklaard dat hij die dag een bolletje heroïne van € 10,-- van verdachte heeft gekocht.

Aanvullend heeft [persoon 1] bij de rechter-commissaris op 30 juli 2012 verklaard dat als hij ‘bruin’ zegt, hij heroïne bedoelt.

Voorts heeft hij verklaard dat hij driemaal bij verdachte heroïne heeft gekocht. De eerste keer heeft hij van verdachte heroïne gekregen. Dat was vijf maanden voor 1 maart 2012.

Op 2 maart 2012 heeft [persoon 2] bij de politie verklaard dat hij verdachte op de door de politie getoonde foto herkent als [verdachte], een drugsdealer.

Voorts heeft [persoon 2] verklaard dat hij van verdachte cocaïne heeft gekocht voor zichzelf en voor anderen. [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte drugs verkoopt sinds de zomer van vorig jaar, de rechtbank begrijpt 2011). Vervolgens heeft [persoon 2] verklaard dat hij de week voor 1 maart 2012 nog bij verdachte cocaïne heeft gekocht voor € 20,--.

Op 6 maart 2012 heeft [persoon 3] bij de politie verklaard dat hij verdachte op de door de politie getoonde foto herkent als [verdachte].

Voorts heeft [persoon 3] verklaard dat hij weet dat verdachte drugs verkoopt, zowel heroïne als cocaïne. [persoon 3] heeft verklaard dat hij € 10,-- voor een bolletje cocaïne betaalt en dat hij twee of drie keer bij verdachte heeft gekocht.

Tot slot heeft [persoon 3] verklaard dat verdachte sinds vorig jaar zomer drugs verkoopt.

De rechtbank

De rechtbank overweegt dat de getuigen [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], onafhankelijk van elkaar, verklaringen hebben afgelegd die op relevante punten overeenkomen. Zo verklaren zij alle drie van verdachte drugs, te weten heroïne of cocaïne, te hebben gekocht. Alle drie getuigen zijn harddrugsgebruikers die van verschillende drugsdealers drugs afnemen en dus zeer wel bekend zijn met drugs. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van voornoemde getuigen betreffende de echtheid en de soort drugs die zij van verdachte hebben betrokken.

Voorts overweegt de rechtbank dat bij verdachte een gripzakje met een aantal bolletjes wit poeder met een totaal gewicht van 0,79 gram is aangetroffen. Na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat het witte poeder cocaïne is/bevat.

Voorts overweegt de rechtbank dat een dergelijke hoeveelheid niet meer kan worden aangemerkt als een hoeveelheid die slechts bestemd is voor eigen gebruik.

Tot slot overweegt de rechtbank dat verdachte eurobiljetten bij zich droeg waarvan het aantal biljetten alsmede de coupures passen bij het beeld van het dealen van drugs.

Gezien voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het dealen van harddrugs. Dat de verkochte drugs niet daadwerkelijk zijn getest doet daar niet aan af.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van feit 2 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- Proces-verbaal van aanhouding van verdachte d.d. 1 maart 2012 ;

- Rapport identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 14 maart 2012 en

- bekennende verklaring van verdachte d.d. 1 maart 2012 .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 1 maart 2012 te Zwolle opzettelijk heeft verkocht aan [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en/of andere harddrugsgebruikers, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

Hij op of omstreeks 1 maart 2012 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,8 gram, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 2, onder B, van de Opiumwet.

2.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 2, onder C, van de Opiumwet.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de in beslag genomen bolletjes cocaïne dienen te worden onttrokken aan het verkeer en dat het in beslag genomen geldbedrag van € 515,-- verbeurd wordt verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten omtrent de eventueel op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij gedurende een aanzienlijke periode een actieve rol heeft gespeeld bij het dealen van harddrugs als cocaïne en heroïne. Het is algemeen bekend dat drugs een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid en dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. Het meewerken aan de handel in deze verdovende middelen vormt aldus een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde geldbedrag van € 515,--, te weten: 5 coupures van € 5,--, 17 coupures van € 10,--, 6 coupures van € 20,-- en 4 coupures van € 50,-- moet worden verbeurdverklaard, nu verdachte het geld geheel ten eigen bate kan aanwenden en het geld door middel van het strafbare feit is verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde 8 bolletjes cocaïne moet worden onttrokken aan het verkeer, met betrekking tot voornoemde voorwerpen het feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 60 dagen, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslag

De rechtbank verklaart verbeurd het geldbedrag van € 515,-, te weten: 5 coupures van € 5,-, 17 coupures van € 10,-, 6 coupures van € 20,- en 4 coupures van € 50,-.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer, 8 bolletjes cocaïne.

Aldus gewezen door mr. A.M. van der Pal , voorzitter, mrs. A.J. Louter en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2012.

Mr. G.E.A. Neppelenbroek voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.