Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY6195

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
07/650412-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; artikel 6 Wegenverkeerswet; zwaar lichameijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650412-11 (P)

Uitspraak: 10 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [datrum],

wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2012 en 26 november 2012.

De verdachte is beide terechtzittingen verschenen en op 26 november 2012 bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Groningen.

Als officier van justitie was aanwezig mr. C.C.S. Bordenga-Koppes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Zij op of omstreeks 28 september 2011 te Hardenberg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een bus), daarmede rijdende over de weg, [adres] zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, komende vanaf de [adres], een rotonde, welke aan de buitenzijde was voorzien van een fietsstrook, op te rijden en/of (daarbij) naast, althans kort achter, twee aldaar, op die fietsstrook, rijdende fietsers te gaan rijden en/of rechtsaf te slaan in de richting van de [adres] en/of daarbij onvoldoende acht te slaan op voornoemde fietsers en/of (vervolgens) deze fietsers geen voorrang te verlenen en/of (vervolgens) tegen één van die fietsers is aangereden/opgebotst tengevolge waarvan beide fietsers ten val zijn gekomen, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of gebroken jukbeen en/of blijvende littekens in het gelaat en/of (een) kneusverwonding(en) en/of een barstwond en/of rugklachten, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daarbij tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Zij op of omstreeks 28 september 2011 te Hardenberg als bestuurder van een voertuig (een bus), daarmee rijdende op de weg, [adres], komende vanaf de [adres], een rotonde, welke aan de buitenzijde was voorzien van een fietsstrook, op te rijden en/of (daarbij) naast, althans kort achter, twee aldaar, op die fietsstrook, rijdende fietsers te gaan rijden en/of rechtsaf te slaan in de richting van de [adres] en/of daarbij onvoldoende acht te slaan op voornoemde fietsers en/of (vervolgens) deze fietsers geen voorrang te verlenen en/of (vervolgens) tegen één van die fietsers is aangereden/opgebotst tengevolge waarvan beide fietsers ten val zijn gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen primair ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in de uitgewerkte conceptverklaring van verdachte uitspraken staan vermeld waarvan verdachte ontkent die vlak na het ongeval te hebben gedaan. De raadsman heeft gesteld dat de uitspraak “niet dat zij richting aangaven, maar het kwam op de een of andere manier zo op mij over” niet door verdachte is gedaan. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier voor het overige onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 28 september 2011 heeft verdachte bij de politie verklaard dat zij als buschauffeur werkzaam is bij Syntus. Op 28 september 2011 reeds zij op lijndienst 30.

Tussen 18:08 en 18:12 uur reed zij op de [adres]. Zij reed in de richting van de [adres]. Vervolgens heeft verdachte verklaard dat zij op de [adres] is gestopt voor een zebrapad alwaar zij een passagier heeft laten uitstappen. Zij heeft verklaard dat zij vlak voor dit zebrapad twee fietsers was gepasseerd die op de fietsstrook reden. Vanuit stilstand is zij de rotonde opgereden, om vervolgens rechtsaf de [adres] op te rijden. Toen zij zich op de rotonde bevond, dit was op het gedeelte tussen de haaientanden van de [adres] en de [adres], is zij, naar eigen verklaring, de fietsers opnieuw gepasseerd. Volgens verdachte zag het ernaar uit dat de fietsers rechtsaf de [adres] op zouden gaan. Daarop is zij rechtsaf geslagen. Vervolgens heeft zij verklaard dat op het moment dat zij instuurde om rechtsaf de [adres] op te rijden zij tegen één van de fietsers is gebotst waardoor beide fietsers ten val kwamen. Verdachte heeft ook nog verklaard dat zij niet goed had opgelet.

Ter terechtzitting op 26 november 2012 heeft verdachte verklaard dat zij haar conceptverklaring van vlak na het ongeval wel heeft ondertekend.

Op 11 oktober 2011 heeft benadeelde [slachtoffer 2] bij de politie het volgende verklaard.

Op 28 september 2011 te 18:13 uur reed zij als bestuurster van een fiets samen met haar buurvrouw [slachtoffer 1] over de rechterrijbaan van de [adres] . Zij waren op weg naar het centrum van Hardenberg.

Toen zij over de [locatie] fietsten werden zij ingehaald door een blauwe bus van Syntus. Zij hebben de bus even later weer ingehaald toen zij fietsten naar de [adres]. Vervolgens kwamen zij bij de rotonde aan. Zij wilden over het fietspad dat om de rotonde ligt, drie kwart over de rotonde naar het centrum van Hardenberg fietsen. Toen zij de rotonde opreden hoorde zij de bus vlak achter hen ook de rotonde oprijden. Vanuit haar ooghoek zag zij de bus ineens haar beeld inrijden. Zij zag dat de bus rechtsaf wilde slaan waar zij op dat moment fietsten. Zij schrok en schreeuwde nog ‘[slachtoffer 1], pas op’, dit bleek te laat waarna de bus [slachtoffer 1] met de rechtervoorzijde van de bus raakte. Zij zag dat [slachtoffer 1] door de botsing van haar fiets werd geslingerd en vervolgens op straat viel. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij rechts naast [slachtoffer 1] fietste. Doordat [slachtoffer 1] naar rechts viel kwam [slachtoffer 2] ook ten val. Naar eigen zeggen heeft zij hier rugklachten aan over gehouden.

Op 11 oktober 2011 heeft benadeelde [slachtoffer 1] bij de politie verklaard dat zij op 28 september 2011 met haar buurvrouw op weg is gegaan op de fiets naar de Scapino. Zij fietsten rond 18:10 uur weg uit de straat en zij fietsten al pratend naar elkaar richting de rotonde bij het nieuwe gemeentehuis in Hardenberg. Het volgende moment dat zij zich daarna kan herinneren is omstreeks 21.00 uur in het ziekenhuis te Hardenberg.

Uit de letselrapportage van GGD IJsselland d.d. 2 november 2011 valt op te maken dat bij [slachtoffer 1] op 28 september 2011 het volgende letsel is geconstateerd: een hersenschudding, gebroken jukbeen waardoor ook zenuwbeschadiging en gevoelsverlies van de huid onder het rechteroog. Voorts is er sprake van een kneusverwonding met zwelling en onderhuids bloedverlies van het rechter bovenooglid en een barstwond boven de rechterwenkbrauw.

De rechtbank overweegt het volgende.

Met betrekking tot de conceptverklaring van verdachte die direct na het ongeval door verbalisant is opgenomen op een kladpapiertje, overweegt de rechtbank dat deze verklaring het meest betrouwbaar moet worden geacht nu die verklaring direct na het incident is afgenomen. Nu verdachte dit concept daadwerkelijk heeft ondertekend is de rechtbank van oordeel dat uitgegaan mag worden van de veronderstelling dat verdachte de verklaring ook als zodanig heeft afgelegd. De rechtbank zal dan ook van deze versie uitgaan.

Met betrekking tot de bewezenverklaring overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verdachte als bestuurder van een bus reed op de [adres] te Hardenberg alwaar zij is gestopt voor een zebrapad om een passagier uit te laten stappen. Voor dit zebrapad is verdachte twee fietsers gepasseerd die op de fietsstrook reden. Vanuit stilstand is verdachte met de bus de rotonde opgereden. Op de rotonde is verdachte rechtsaf geslagen met de bedoeling de [adres] op te rijden. Toen verdachte zich op de rotonde bevond, dit was op het gedeelte tussen de haaientanden van de [adres] en de [adres], is verdachte de fietsers opnieuw gepasseerd.

Vervolgens is verdachte rechtsaf geslagen in de veronderstelling dat beide fietsers ook rechtsaf zouden slaan.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte niet met voldoende zekerheid heeft vastgesteld dat de fietsers zich niet in de directe nabijheid van haar voertuig bevonden en zich er aldus niet, voor zij de manoeuvre om naar rechts te gaan daadwerkelijk inzette, van heeft vergewist dat de weg vrij was. Door desondanks toch de manoeuvre naar rechts in te zetten is de rechtbank van oordeel dat verdachte zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat van verdachte, als ervaren beroepsmatig chauffeur op een bus, meer dan van een andere weggebruiker verwacht mag worden dat zij met de grootst mogelijke voorzichtigheid ten op zichte van andere verkeersdeelnemers te werk gaat, hetgeen in het bijzonder geldt voor kwetsbare verkeersdeelnemers als fietsers en voetgangers.

De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

Zij op 28 september 2011 te Hardenberg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een bus), daarmede rijdende over de weg, [adres] zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, komende vanaf de [adres], een rotonde, welke aan de buitenzijde was voorzien van een fietsstrook, op te rijden en (daarbij) naast, althans kort achter, twee aldaar, op die fietsstrook, rijdende fietsers te gaan rijden en rechtsaf te slaan in de richting van de [adres] en daarbij onvoldoende acht te slaan op voornoemde fietsers en (vervolgens) deze fietsers geen voorrang te verlenen en (vervolgens) tegen één van die fietsers is aangereden/opgebotst tengevolge waarvan beide fietsers ten val zijn gekomen, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en een gebroken jukbeen en blijvende littekens in het gelaat en (een) kneusverwonding en een barstwond en rugklachten, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet over een eventueel op te leggen straf uitgelaten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft op 28 september 2011 door haar onoplettendheid zich schuldig gemaakt aan het toebrengen van letsel bij twee andere verkeersdeelnemers. Hierbij is mevrouw [slachtoffer 1] ernstig gewond geraakt. Deze heeft een hersenschudding, een botbreuk en ander hoofdletsel opgelopen. Mevrouw [slachtoffer 2] heeft rugklachten aan het ongeval overgehouden.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte zeer geschrokken is van hetgeen is gebeurd, zich begaan heeft opgesteld jegens de slachtoffers en niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. In verband hiermede ziet de rechtbank termen te bepalen dat de op te leggen werkstraf voorwaardelijk wordt opgelegd.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te melden hoogte een passende sanctie is.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van

80 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis.

De taakstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 6 maanden.

De ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. G.E.A. Neppelenbroek en A.M. van der Pal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2012.

Mr. G.E.A. Neppelenbroek voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.